Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1528

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
16-02-2018
Zaaknummer
21-003832-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake ontucht met zijn minderjarige dochter, het vervaardigen van kinderporno en het bezit van een grote hoeveelheid kinderporno veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk met oplegging van bijzondere voorwaarden. Een daarvan is dat veroordeelde zich dient te onthouden van het op zijn initiatief telefonisch contact zoeken met het slachtoffer en de overige gezinsleden.

Beslag. Verzoek om teruggave gegevensdragers met bestanden die niet onder het bereik van de strafwetgeving vallen wordt afgewezen. Het is onwenselijk een onderscheid te laten maken tussen strafbare bestanden en andere bestanden. Het risico dat bestanden onbedoeld en ongewild niet als zodanig worden onderscheiden, aangemerkt en onderschept en vervolgens worden teruggeven (en dus weer worden verspreid) is te groot. Bestanden zijn voorts zeer lastig definitief te verwijderen.

Vordering bp. Het feitelijk kunnen beschikken van een minderjarige over een toegewezen schadevergoeding betreft een eventuele civielrechtelijke aangelegenheid tussen het slachtoffer en haar wettelijk vertegenwoordiger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003832-17

Uitspraak d.d.: 8 februari 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 30 juni 2017 met parketnummer 18-730378-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] ,

thans verblijvende in P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 25 januari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de duur van de proeftijd en met aanvulling van de bijzondere voorwaarden. De proeftijd dient naar het oordeel van de advocaat-generaal te worden vastgesteld op vijf jaren en de bijzondere voorwaarden dienen naar het oordeel van de advocaat-generaal te worden aangevuld met de voorwaarde dat verdachte zich dient te onthouden van het actief telefonisch contact zoeken met [benadeelde partij] en/of mevrouw [naam] en/of (overige) gezinsleden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J. Boksem, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 30 juni 2017, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest en met als algemene voorwaarde reclasseringstoezicht en met als bijzondere voorwaarden, zakelijk weergegeven:

- een meldplicht bij Reclassering Nederland binnen vijf werkdagen na invrijheidsstelling;

- klinische behandeling gedurende maximaal de eerste zes maanden van de proeftijd;

- aansluitende ambulante behandeling door een door de reclassering nader te bepalen instelling.

De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij geheel toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met uitzondering van de (motivering van de) strafoplegging, de motivering van de beslissing op het beslag en de motivering van de beslissing ten aanzien van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof sluit zich, zoals hierna weergegeven, grotendeels aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vergaand seksueel misbruiken van zijn destijds driejarige dochter. Verdachte heeft verder kinderpornografisch materiaal vervaardigd doordat hij het door hem gepleegde misbruik filmde en opsloeg op verschillende gegevensdragers. Ook heeft verdachte een vriendinnetje van zijn zoon gefilmd, welk materiaal als

kinderpornografisch moet worden aangemerkt. Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van een zeer grote hoeveelheid kinderpornografisch materiaal. Uit het dossier blijkt dat er een totale hoeveelheid van ruim 355.000 foto- en filmbestanden zijn aangetroffen op diverse gegevensdragers.

Verdachtes jonge dochter mocht er op vertrouwen dat zij onder de hoede van haar eigen vader geborgen en veilig zou zijn. Dit vertrouwen is door verdachte op grove wijze beschaamd. Hij heeft gedurende ruim twee jaar zijn eigen behoeftes boven die van zijn kind gesteld en geen oog gehad voor de gevolgen die zijn handelwijze voor zijn dochter zou hebben. Dat verdachte naar eigen zeggen telkens onder invloed van verdovende middelen verkeerde, komt voor zijn eigen verantwoordelijkheid en biedt op geen enkele manier een rechtvaardiging voor zijn gedrag. Dat dergelijke feiten grote schade toebrengt aan slachtoffers is een feit van algemene bekendheid. Psychische problemen kunnen zich direct, maar ook op latere leeftijd manifesteren. De impact op het dagelijks leven kan groot zijn. Uit de stukken kan worden afgeleid dat bij het slachtoffer PTSS is vastgesteld en dat zij inmiddels onder behandeling is.

Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten bekend. Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële documentatie van 21 december 2017 waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Het hof houdt voorts rekening met de uitkomsten van het Psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van 12 december 2016 en 21 december 2016, opgemaakt door forensisch psycholoog Breuker respectievelijk psychiater Kemperman. Hieruit blijkt dat bij verdachte sprake is van pedofilie van het niet exclusieve type alsmede een afhankelijkheid van diverse verdovende middelen in gedwongen remissie. Voorts is bij verdachte sprake van een persoonlijkheidsstoornis met schizoïde trekken en antisocialiteit. Beide deskundigen achten verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Het recidiverisico wordt als laag tot matig ingeschat. Nu er een verband bestaat tussen de stoornissen en de bewezenverklaarde feiten en verdachte onvoldoende copingsvaardigheden bezit om adequaat met impulsen om te gaan, achten beide deskundigen verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar. Het hof neemt deze conclusie over.

Er wordt door de deskundigen een behandeling geadviseerd om recidivegevaar te voorkomen. Deze behandeling zou klinisch kunnen aanvangen, waarna een ambulant traject volgt. De behandeling zou volgens de deskundigen gericht moeten zijn op pedofiele interesses, verslavingsproblematiek, seksualiteit in het algemeen en verbetering van de sociale vaardigheden. De behandeling kan opgelegd worden als bijzondere voorwaarde bij een verplicht reclasseringstoezicht, gekoppeld aan een voorwaardelijk strafdeel en zal maximaal zes maanden in beslag nemen, zo heeft de psychiater in een aanvullende brief d.d. 12 mei 2017 kenbaar gemaakt. De reclassering heeft desgevraagd aan de deskundigen laten weten dat zij instemmen met voornoemd advies. Verdachte heeft zich - ook ter terechtzitting van het hof - bereid verklaard deze bijzondere voorwaarden na te leven.

Het hof houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening met de omstandigheid dat de bewezenverklaarde feiten zeer ernstig zijn en een gevangenisstraf van lange duur rechtvaardigen, zulks uit oogpunt van vergelding en als signaal naar de maatschappij. Het hof heeft daarbij, evenals de rechtbank, gelet op het frequente misbruik gedurende een aantal jaren van verdachtes zeer jonge dochter en de grote hoeveelheid aangetroffen kinderpornografisch materiaal.

Het hof houdt anderzijds ook rekening met de omstandigheid dat de feiten aan verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend en de noodzaak van de geadviseerde behandeling ter voorkoming van recidive.

Het hof slaat bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf tot slot acht op de oriëntatiepunten van het LOVS die ten aanzien van kinderporno en zedenfeiten zijn vastgesteld.

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de eis van de advocaat-generaal passend en geboden is. Een vrijheidsbenemende straf van kortere duur zoals door de raadsman is bepleit (teneinde de behandeling eerder te kunnen aanvangen) zou onvoldoende recht doen aan de ernst van de feiten. Het hof is gelet op de aanzienlijke duur en complexiteit van de bewezenverklaarde gedragingen van oordeel dat er ernstig rekening mee gehouden moet worden met de mogelijkheid dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Niet voor niets is door de psycholoog en psychiater een langdurige klinische daarop aansluitende ambulante behandeling geadviseerd om het recidiverisico te verminderen. Om die reden zal het hof de duur van de proeftijd - anders dan de rechtbank maar overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal - stellen op vijf jaren. De bijzondere voorwaarden zoals die door de rechtbank zijn opgelegd zullen voorts worden aangevuld met de voorwaarde dat verdachte zich dient te onthouden van het op zijn initiatief telefonisch contact zoeken met het slachtoffer en de overige gezinsleden. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof kenbaar gemaakt dat de moeder van het slachtoffer, [naam] , heeft aangegeven dat de pogingen van verdachte om telefonisch contact te zoeken met het gezin als opdringend, ingrijpend en mitsdien als ongewenst worden ervaren. Het hof beoogt door middel van het opleggen van deze bijzondere voorwaarde hieraan een einde te maken. Dat laat uiteraard onverlet dat vanuit het slachtoffer zelf of vanuit de overige gezinsleden op eigen initiatief wel (telefonisch) contact met verdachte gezocht kan worden.

Beslag

In de onderhavige zaak zijn diverse goederen in beslag genomen. Deze goederen staan vermeld op de beslaglijst en zijn genummerd 1 tot en met 17.

Teruggave aan verdachte

Het hof is van oordeel dat de inbeslaggenomen goederen, genummerd 3 (voor zover fototoestel), 4, 8, 9, 10, 14, 15, 16 en 17 moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet langer verzet.

Onttrekking aan het verkeer

Met betrekking tot de overige inbeslaggenomen goederen, genummerd 1, 2, 3 (voor zover de sd kaart), 5, 6, 7, 11, 12 en 13 wordt het volgende overwogen.

De verdediging heeft het hof verzocht tot teruggave van deze inbeslaggenomen gegevensdragers, met dien verstande dat daarbij worden behouden de bestanden die niet onder het bereik van de strafwetgeving vallen.

De advocaat-generaal heeft zich met klem en onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 7 december 2010 (ECLI:NL:HR2010:BO6446) tegen dit verzoek van de verdediging verzet.

Het beslag rust onder meer op een Asus notebookcomputer, een Huawei telefoontoestel, een Toshiba computer, een Western Digital Extern harddisk, een HP laptop notebookcomputer, een HP Pavilion personal computer en een Sky desktop computer, met daarin telkens een harde schijf met daarop gegevens. Op de harde schijven zijn bestanden aangetroffen met kinderporno. Op de gegevensdragers staan ook andere bestanden die niet onder het bereik van de strafwetgeving vallen. Het hof is gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad, niet gehouden om onderdelen van de voormelde voorwerpen van de onttrekking van het verkeer uit te zonderen, dan wel die onttrekking te beperken tot bepaalde onderdelen van het voorwerp. Het hof zal dit ook niet doen. Daargelaten de praktische consequenties die een andersluidend oordeel op dit punt voor het openbaar ministerie en de politie zou hebben, is het gelet op de grote hoeveelheid van de aangetroffen bestanden met kinderporno op voormelde gegevensdragers, onwenselijk een onderscheid tussen strafbare bestanden en andere bestanden te laten maken. Het risico bestaat immers dat bestanden die wel kinderpornografisch van aard zijn onbedoeld en ongewild niet als zodanig worden onderscheiden, aangemerkt en onderschept en vervolgens toch worden teruggeven (en dus weer worden verspreid). Daar komt nog bij dat bestanden zeer lastig definitief kunnen worden verwijderd omdat met technische hulpmiddelen verwijderde bestanden veelal kunnen worden teruggehaald. Nu verdachte ook overigens niet een zwaarwegend belang heeft aangevoerd waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat hij de beschikking moet hebben over deze specifieke computer en/of bepaalde zich op die computer bevindende bestanden, worden de bezwaren van de verdediging tegen de gevorderde onttrekking aan het verkeer verworpen.

Het hof acht voormelde in beslaggenomen goederen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu de bewezenverklaarde feiten met betrekking tot deze goederen zijn begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Benadeelde partij

[benadeelde partij] , wettelijk vertegenwoordigd door [naam] , heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 359,40 ter vergoeding van materiële schade en € 6.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. Voorts wordt gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten ter hoogte van € 32,92.

De verzochte schadevergoeding wordt van de zijde van de verdediging niet betwist. De verdediging heeft in dit verband verzocht om uitdrukkelijk bij arrest te bepalen dat dit bedrag het slachtoffer - en niet haar wettelijk vertegenwoordiger - toekomt.

Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële en immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 augustus 2016. Dit bedrag komt het slachtoffer toe. Het slachtoffer wordt wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder. De vraag of, in hoeverre en op welke wijze het slachtoffer in de toekomst zal kunnen beschikken over de door verdachte uit te keren schadevergoeding, betreft een eventuele civielrechtelijke aangelegenheid tussen het slachtoffer en haar wettelijk vertegenwoordiger. In het kader van de strafprocedure kan het hof hier geen verdere uitspraak over doen. Het verzoek van verdachte wordt dan ook afgewezen.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Het hof zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op € 32,92 en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36b, 36c, 36f, 57, 240b, 244 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep zoals hiervoor overwogen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 5 (vijf) jaren dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. dat de veroordeelde zich binnen vijf werkdagen na zijn invrijheidsstelling meldt bij Reclassering Nederland, Zoutbranderij 1 te Leeuwarden, en zich blijft melden zo lang en zo frequent als deze reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht;

  2. dat de veroordeelde zich gedurende maximaal de eerste zes maanden van de proeftijd klinisch zal laten behandelen in een instelling, nader te bepalen door het NIFP-IFZ en de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die de veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de

(geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

3. dat de veroordeelde zich aansluitend aan voornoemde klinische behandeling ambulant zal laten behandelen door een door de reclassering nader te bepalen instelling, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

4. dat de veroordeelde zich dient te onthouden van het op zijn initiatief telefonisch contact zoeken met [benadeelde partij] en de overige gezinsleden.

De klinische- en ambulante behandelingen dienen gericht te zijn op verdachtes pedofiele interesses, verslavingsproblematiek, seksualiteit in het algemeen en verbetering van zijn sociale vaardigheden.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de in de beslaglijst vermelde nummers:

1. 1.00 stk computer kl: zwart ASUS Notebook

2. 1.00 stk telefoontoestel kl: zwart Huawei

3. sd kaart Kingston 8 GB tas en lader (die in het fototoestel Nikon coolpix is aangetroffen)

5. 1.00 stk computer Toshiba extern 0.0.3. inclusief kabel

6. 1.00 stk harddisk Western digital extern WCAS87445735

7. 1.00 stk computer HP Laptop Notebook CNU744061F

11. 1.00 stk computer kl: paars DVD Fujifilm DVD+RW 2.0.1. (4,7 GB DAT)

12. 1.00 stk computer HP Pavilion Personal NLD34221WS 2.0.2.

13. 1.00 stk computer SKY Desktop 2.1.1.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de in de beslaglijst vermelde nummers:

3. 1.00 stk fototoestel kl: zwart nikon coolpix 41307379 0.0.1.

4. 1.00 stk videocamera kl: zilverkl sony handycam 1417371

8. 3.00 stk videoband JVC Mint DV 0.0.0-1 t/m 0.0.1-3

9. 1.00 stk computer randapparatuur usb-stick 16 gb 0.0.6

10. 1.00 stk computer kl: zwart TDK 2 GB

14. 4.00 stk filmcamera onbekend

15. 6.00 stk geluidsapparatuur onbekend cd 6 cd's geluidsdragers 2.1.3 in zwarte hardplas.hs

16. 18.00 stk geluidsapparatuur dvd 2.1.4. in schoenendoos, 1 cd gebroken

17. 1.00 stk harddisk maxtor diamon max plus 3.0.1. uit garage.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] , wettelijk vertegenwoordigd door [naam]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1, 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.359,40 (zesduizend driehonderdnegenenvijftig euro en veertig cent) bestaande uit € 359,40 (driehonderdnegenenvijftig euro en veertig cent) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2016 tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.359,40 (zesduizend driehonderdnegenenvijftig euro en veertig cent) bestaande uit € 359,40 (driehonderdnegenenvijftig euro en veertig cent) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 66 (zesenzestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2016 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. K. Lahuis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen, griffier,

en op 8 februari 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.