Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1440

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
200.207.735
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2018:8381
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2019:9478
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bepaling hoogte shockschade voor 7-jarig kind bij aantreffen gedode moeder thuis in slaapkamer. Benoeming deskundigen met vragenstelling IWMD

In deze zaak zijn inmiddels 3 tussenarresten gewezen, waarvan er 2 zijn gepubliceerd (13 februari 2018 en 18 september 2018). Het gaat om de vaststelling van de hoogte van de shockschade in hoger beroep (rechtbank had € 40.000 toegewezen). Het gaat om een toen 7-jarig kind dat zijn moeder medio 2013 vermoord in haar slaapkamer thuis heeft aangetroffen. Volgt benoeming deskundigen (ervaren psychiater en gespecialiseerde kinderpsychiater met kinderpsycholoog) met vraagstelling gebaseerd op de IWMD-vraagstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/404
PS-Updates.nl 2018-0850
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.207.735

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 294607)

arrest van 13 februari 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J.W. de Bruin,

tegen:

[de vader] ,

in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van

[het kind] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [de vader] ,

advocaat: mr. C.W. Langereis.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 12 oktober 2016 dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 10 januari 2017,

- de memorie van grieven (met producties 1-2),

- de memorie van antwoord (met producties 1-3).

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het (bestreden) vonnis van 12 oktober 2016.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

[appellant] is bij onherroepelijk geworden – en op tegenspraak gewezen – arrest van (de strafkamer van) dit gerechtshof van 30 april 2015 schuldig bevonden aan doodslag op [de moeder] , de moeder van [het kind] ( [geboortedatum] ) en hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren en TBS met dwangverpleging. Namens [het kind] heeft [de vader] (en nog vijf andere eisers die in dit hoger beroep niet meer zijn betrokken) bij inleidende dagvaarding van 14 december 2015 schadevergoeding gevorderd, stellende dat [appellant] jegens [het kind] onrechtmatig heeft gehandeld. De materiële schade (zoals extra telefoonkosten en reis- en parkeerkosten i.v.m. de psychologische behandeling van [het kind] ) is door de rechtbank afgewezen. De immateriële schadevergoeding (ook wel shockschade genoemd) is toegewezen tot een bedrag van € 40.000,-. De rechtbank heeft bij het bepalen van dit bedrag rekening gehouden met de navolgende feiten en omstandigheden (kenbaar uit rov. 4.12-4.13): het misdrijf is in de nacht (van 22 op 23 juli 2013) gepleegd in de veilige woonomgeving van [het kind] , destijds zeven jaar oud toen hij en zijn moeder lagen te slapen. [het kind] heeft zijn moeder de volgende ochtend in haar slaapkamer naast haar bed gevonden, gewurgd, met uiterlijke verwondingen en liggend in een plas bloed. [het kind] heeft zelf 112 gebeld en hij is nog enige tijd alleen met zijn overleden moeder in de woning geweest totdat de politie arriveerde. [het kind] mocht de woning toen nog niet verlaten in verband met sporenonderzoek, waarbij ook forensisch onderzoek aan zijn lichaam is verricht. [het kind] lijdt onder meer aan posttraumatische stressklachten, passend bij het beeld van een DSM-IV-TR classificatie (PTSS). Deze klachten belemmeren [het kind] tot op heden aanzienlijk in zijn functioneren. Er is een negatief effect op onder meer zijn zelfvertrouwen, vertrouwen in anderen en zijn basisgevoel van veiligheid, aldus de behandelend psycholoog in een verklaring/brief van 11 augustus 2014. Gelet op de feiten en omstandigheden rondom het overlijden (opzettelijke levensberoving) van zijn moeder en de vondst van zijn moeder, zijn jonge leeftijd, de gevolgen die hij daarvan ondervindt, de mogelijk (ernstige) gevolgen die hij daarvan de rest van zijn leven nog zal ondervinden, en gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen van “shockschade” door de rechter worden toegekend, oordeelt de rechtbank dat een bedrag van € 40.000,- aan immateriële schadevergoeding gerechtvaardigd is.

4.2

[appellant] komt met twee grieven op tegen de hiervoor weergegeven dragende overwegingen van de rechtbank. Met grief 1 voert [appellant] aan dat de rechtbank gebruik heeft gemaakt van verouderde informatie (de verklaring van de behandelend psycholoog is van augustus 2014), dat er meerdere oorzaken (kunnen) zijn voor de klachten van [het kind] (zoals een rouwreactie) en dat geen inzicht is gegeven in de zwaarte van de door [het kind] ervaren beperkingen. Met grief 2 verzet [appellant] zich tegen een aantal omstandigheden/factoren die de rechtbank heeft meegewogen voor de hoogte van de immateriële schadevergoeding (de jonge leeftijd van [het kind] biedt ook meer kans om te herstellen, de mogelijke ernstige gevolgen voor zijn verdere leven zijn niet onderbouwd en er zijn in vergelijkbare gevallen ook lagere bedragen voor shockschade door de rechters toegewezen).

4.3

In reactie op de memorie van grieven heeft [de vader] bij de memorie van antwoord nog drie nieuwe producties overgelegd: een brief van het UMCU van 8 augustus 2016, een brief van Praktijk Zij aan Zij van 17 mei 2017 (met als bijlage een brief van deze praktijk aan de huisarts van [het kind] van 14 maart 2017) en een evaluatieverslag van een (Rots en Water)training van [het kind] van 28 april 2017. Op deze producties heeft [appellant] nog niet kunnen reageren, zodat hij in de gelegenheid wordt gesteld daartoe een akte te nemen. Voorts heeft [de vader] in de memorie van antwoord sub 23 herhaald (uit de inleidende dagvaarding sub 46) dat hij bereid is om [het kind] door een onafhankelijk psychiater te laten onderzoeken. Hij heeft voorgesteld om hiervoor drs. J.L.M. Schoutrop, psychiater te Nijmegen te benaderen. Op dit voorstel kan [appellant] ook nog in de akte reageren, al meldt het hof hier uitdrukkelijk bij dat het nog geen beslissing heeft genomen om een deskundige in deze zaak te benoemen.

5 De slotsom

5.1

Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen om zich bij akte uit te laten over de producties 1-3 bij memorie van antwoord en over de voorgestelde deskundige.

5.2

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum 13 maart 2018 voor akte uitlaten aan de zijde van [appellant] zoals omschreven in rov. 5.1 (juncto rov. 4.3);

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, M. Beekhoven van den Boezem en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2018 .