Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1384

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
200.181.408/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Payrolling. Payroll inlener is niet in beginsel naast de payroll uitzendwerkgever hoofdelijk gehouden tot loonbetaling aan de uitzendkracht. Bijzondere omstandigheden die dat in dit geval anders zouden maken zijn niet gebleken.

Hoewel hiermee de grieven van de inlener in hoger beroep grotendeels slagen, wordt deze wel in de proceskosten in beide instanties veroordeeld.

De inlener heeft in de preprocessuele onterecht het verweer gevoerd dat de uitzendkracht voor haar werkzaam als ZZP’er (en dus niet op basis van een arbeidsovereenkomst met de uitzend werkgever). Dat verweer is in de preprocessuele fase overgenomen door de uitzendwerkgever, die in de procedure verder geen verweer meer heeft gevoerd. De inlener heeft daarmee nodeloos de proceskosten voor de uitzendkracht veroorzaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0235
JAR 2018/67
RAR 2018/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.181.408/01

(zaaknummer rechtbank 3630055 MC EXPL 14-14532)

arrest van 13 februari 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap

MCM Innovation B.V.,

gevestigd te Hilversum,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: MCM,

advocaat: mr. H. de Graaf-de Waard, kantoorhoudend te Zoetermeer,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P.J. van der Vlerk, kantoorhoudend te Amstelveen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van

1 juli 2015 dat de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, (hierna: de kantonrechter) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 29 september 2015, hersteld bij exploot van

26 november 2015,
- het comparitiearrest van 26 januari 2016,

- het H12-formulier met producties van MCM,
- het proces-verbaal van de comparitie na aanbrengen gehouden op 23 februari 2016,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),
- de akte houdende uitlating producties.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. Het dossier van MCM is incompleet: daarin ontbreken de conclusies van antwoord en dupliek. Het hof heeft daarvoor geput uit het dossier van [geïntimeerde] .

2.3

De vordering van MCM in hoger beroep strekt tot vernietiging van het vonnis van

1 juli 2015, onder afwijzing van de oorspronkelijke vorderingen van [geïntimeerde] en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, met wettelijke rente.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.9. van het bestreden vonnis. Aangevuld met feiten waar in hoger beroep eveneens van kan worden uitgegaan zijn de feiten, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt.

3.2

MCM is een bedrijf dat zich richt op de verkoop van producten en diensten in opdracht van derden aan particulieren en bedrijven. Stafflease is een bedrijf dat zich bezig houdt met onder meer het uitzenden van personeel. In dat kader opereert Stafflease (ook) als een payrollbedrijf.

3.3

Op 23 juli 2014 heeft [geïntimeerde] een "Arbeidsovereenkomst Fase A"

getekend waarin MCM wordt aangeduid als "Opdrachtgever" en Stafflease als

"Werkgever". De overeenkomst is door dhr. [B] , directeur van MCM, ter ondertekening aan [geïntimeerde] voorgelegd, nadat die eerder al namens Stafflease was ondertekend door dhr. [C] , directeur. De arbeidsovereenkomst bevat onder meer de volgende bepalingen:

Overwegende

a. Werkgever en werknemer met elkaar een arbeidsovereenkomst wensen aan te gaan ingaande

b. De werkgever zal de medewerker aan MCM Innovation B.V. ter beschikking stellen onder wiens leiding en toezicht medewerker werkzaam zal zijn.

Komen overeen:

1 Medewerker wordt tewerkgesteld bij:

Opdrachtgever : MCM Innovation B.V.

Functie : Accountmanager

Startdatum :

Uurloon : € 11,25 (€ 450 bruto per week obv fulltime)

(…)

3. Arbeidsduur

De arbeidsduur, arbeidsomvang en werktijden voor de door werknemer te verrichten werkzaamheden worden door de opdrachtgever bepaald.

(…)

8. Duur van de overeenkomst

Deze overeenkomst is wordt aangegaan voor maximaal 78 gewerkte weken, met gebruikmaking van het uitzendbeding.

9 CAO voor Uitzendkrachten

Op deze overeenkomst is van toepassing de meest recente CAO voor Uitzendkrachten, waarvan werknemer hierbij expliciet verklaart kennis te hebben genomen.

(…)

11. Uitzendbeding

Deze overeenkomst wordt aangegaan onder het beding dat de overeenkomst van rechtswege eindigt zonder dat opzegging vereist is doordat de terbeschikkingstelling van de werknemer aan de opdrachtgever op verzoek van die opdrachtgever ten einde komt.

(…)

14. Overige condities
a. Werknemer verklaart zich bekend met het feit dat uitsluitend werkgever en niet de opdrachtgever beloning is verschuldigd aan werknemer.

b. Werknemer verklaart door ondertekening van deze overeenkomst het Huisreglement van MCM Innovation B.V. ontvangen te hebben, met de inhoud hiervan bekend te zijn, en hiermee akkoord te gaan.

3.4

Het Huisreglement van MCM, bedoeld in artikel 14 sub b. van de arbeidsovereenkomst, bevat onder meer de volgende bepalingen:

Een opdrachtnemer/werknemer die werkt op basis van Payroll, heeft een arbeidsrelatie met Stafflease B.V. te Oldenzaal en is te werk gesteld bij MCM INNOVATION B.V.(..)

Proeftijd: Voor de nieuwe Opdrachtnemer / Werknemer in fase A van de payroll (78 weken) geldt geen proeftermijn. In deze periode zal de Opdrachtnemer / Werknemer ( New Business )-moeten voldoen aan de gestelde salestargets. Bij het niet behalen van de targets zal de opdracht beëindigd worden.

De gestelde eisen voor new business zijn 10 contracten per week.

Vaste kenmerken :

- € 450 Bruto per week. (o.b.v. 40 u.pw)

- Werkbare uren (0 tot 40 ) uur per week.

- Onder de 9 Netto contracten per week geen recht op reiskostenvergoeding.
- De verloning is per 4 weken.

- De uitbetaling vindt plaats via Stafflease B.V.

3.5

Bij e-mail van 29 september 2014 heeft [geïntimeerde] aan [B] verzocht om zorg te dragen voor betaling van het loon. Zij schrijft onder meer:

" Sinds 23 juli j.l. ben ik voor 78 weken in dienst van MCM Innovation en hoort Stafflease mijn

overeengekomen salaris van € 450,= bruto per week uit te betalen. (…)

Ik kom door het uitblijven van salaris in financiële problemen. Bij Stafflease ken ik niemand, dus ik wend mij tot jou."

3.6

Bij brief van 2 oktober 2014 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] zowel Stafflease als “formele werkgever” en MCM als “materiële werkgever” gesommeerd over te gaan tot betaling van het loon.

3.7

Bij e-mail van 2 oktober 2014 reageert MCM als volgt:

" Geheel verbaasd ontvingen wij een brief via Stafflease, ivm achterstallig loon. Wij willen dan ook dat je per direct je activiteiten staakt en nu naar kantoor komt voor een gesprek.

Volgens mijn informatie had je een ZZP overeenkomst! Wij willen dit dus graag per direct met doornemen. "

3.8

Bij e-mail van 3 oktober 2014 deelt MCM aan [geïntimeerde] mede dat de opdracht wordt

ingetrokken. Bij brief van 7 oktober 2014 deelt Stafflease aan [geïntimeerde] mee dat nu de opdracht is ingetrokken de arbeidsovereenkomst “fase A” per 3 oktober 2014 is beëindigd.
heeft die beëindiging aanvaard.

3.9

Stafflease heeft op 7 oktober 2014 een bedrag aan [geïntimeerde] betaald van

€ 664,57 netto onder vermelding van salaris week 31 en 32.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg MCM en Stafflease gezamenlijk gedagvaard en, samengevat, hoofdelijke veroordeling gevorderd tot betaling van achterstallig salaris en emolumenten, als volgt gespecificeerd:

- € 4.428,- aan bruto salaris en vakantiegeld,
- € 360,- bruto aan niet opgenomen vakantiedagen en

- € 652,65 aan reiskostenvergoeding,
te vermeerderen met wettelijke verhoging over het achterstallige salaris, met € 605,00

aan buitengerechtelijke incassokosten en met de wettelijke rente over het gevorderde vanaf 18 november 2014, met hoofdelijke veroordeling van Stafflease en MCM in de proceskosten.

4.2

Aan die vordering heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat sprake is van een payroll-constructie waarin Stafflease de formele en MCM de materiële werkgever is. [geïntimeerde] heeft van meet af aan bedoeld, gemeend en gewenst dat zij haar werkzaamheden zou verrichten op basis van een arbeidsovereenkomst met MCM. Zij had er daarbij geen bezwaar tegen dat Stafflease zou optreden als administrateur. In die constellatie zijn MCM en Stafflease hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van de werkgeversverplichtingen, waaronder de betaling van salaris.

4.3

Stafflease is niet in de procedure verschenen en tegen haar is verstek verleend. MCM is wel verschenen en heeft verweer gevoerd. Volgens MCM heeft [geïntimeerde] alleen vorderingen op Stafflease, die op grond van de gesloten arbeidsovereenkomst (uitzendovereenkomst) de werkgever is van [geïntimeerde] . MCM betwist werkgever te zijn geweest, formeel noch materieel, en hoofdelijk tot salarisbetaling te zijn gehouden. Volgens MCM was het de bedoeling van partijen dat [geïntimeerde] in dienst zou treden van Stafflease en is dit [geïntimeerde] van meet af aan duidelijk geweest. Dat is met haar besproken en blijkt ook uit de verschillende formulieren, waaronder het intakeformulier, het huishoudelijk reglement en de arbeidsovereenkomst.

4.4

De kantonrechter heeft in zijn bestreden vonnis overwogen dat de tussen Stafflease en [geïntimeerde] schriftelijk gesloten arbeidsovereenkomst niet in de weg staat aan het aannemen van een (arbeids)overeenkomst tussen [geïntimeerde] en MCM. Van een rechtsgeldige uitzendovereenkomst tussen Stafflease en [geïntimeerde] als bedoeld in artikel 7:690 BW is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake, nu Stafflease geen allocatiefunctie vervulde en niet lichtvaardig voorbij gegaan kan worden aan het vereiste dat een potentiële uitzendwerkgever wel een dergelijke functie dient te vervullen. MCM heeft daarbij een onduidelijke en ondoorzichtige situatie gecreëerd over haar positie ten opzichte van [geïntimeerde] . Volgens de kantonrechter lijkt de door MCM en Stafflease gekozen payrollconstructie een schijnconstructie, die ten doel heeft gehad om [geïntimeerde] de wettelijke (ontslag)bescherming te onthouden. Uit de feitelijke invulling die partijen aan de overeenkomst hebben gegeven, te weten het verrichten van werkzaamheden door [geïntimeerde] in opdracht en ten behoeve van MCM en de toezegging die MCM middels het formulier variabele beloning en haar huishoudelijk reglement heeft gedaan dat het salaris door Stafflease zal worden voldaan, moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] met ingang van 23 juli 2014 bij MCM in dienst is getreden op basis van een arbeidsovereenkomst, en is MCM naast Stafflease hoofdelijk gehouden tot loonbetaling, aldus de kantonrechter. Met verwerping van het subsidiaire verweer heeft de kantonrechter vervolgens de vorderingen van [geïntimeerde] jegens Stafflease en MCM volledig toegewezen.

5 Het belang van MCM in hoger beroep

5.1

Stafflease heeft geen hoger beroep ingesteld van de in het vonnis van de kantonrechter tegen haar uitgesproken veroordeling en heeft, zo is niet in geschil, inmiddels ook volledig aan die veroordeling voldaan.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat MCM daarom geen belang meer heeft bij het door haar ingestelde hoger beroep.

5.2

Die stelling wordt (gedeeltelijk) verworpen.
Dat de vorderingen van [geïntimeerde] inmiddels door Stafflease zijn voldaan laat onverlet dat MCM er een belang bij heeft dat wordt vastgesteld of [geïntimeerde] haar vorderingen ook terecht jegens MCM heeft ingesteld en zij terecht tot betaling is veroordeeld. Dat belang betreft zowel de hoofdvorderingen als de proceskostenveroordeling, en ziet niet alleen op een mogelijke verhaalsactie van Stafflease op basis van het bestreden vonnis, maar ook op haar bedrijfsvoering: dient zij die wel of niet af te stemmen op het bestreden vonnis.
Indien wordt geoordeeld dat [geïntimeerde] loonaanspraken heeft jegens MCM, heeft MCM in het verlengde daarvan ook belang bij de vaststelling van de omvang van die aanspraken in dit hoger beroep. Wordt daarentegen geoordeeld dat [geïntimeerde] geen loonaanspraken heeft jegens MCM, dan heeft MCM in hoger beroep echter geen rechtens te respecteren belang meer bij een beoordeling van de hoogte van die aanspraken. Die raken dan immers niet (meer) de rechtsverhouding tussen [geïntimeerde] en MCM, maar alleen nog de rechtsverhouding tussen [geïntimeerde] en Stafflease. Weliswaar kan MCM belang hebben bij de vaststelling van die aanspraken in haar rechtsverhouding met Stafflease, maar dat (indirecte) belang rechtvaardigt niet een beoordeling in deze procedure.

6 De beoordeling van de grieven en de vorderingen

6.1

MCM is van het bestreden vonnis in hoger beroep gekomen onder aanvoering van 11 grieven (genummerd 1 tot en met 11).

MCM gehouden tot loonbetaling aan [geïntimeerde] ?

6.2

De eerste kwestie die in hoger beroep beantwoording vereist is of MCM in haar (rechts)verhouding tot [geïntimeerde] (hoofdelijk) gehouden is tot loonbetaling. Daarop hebben de grieven 1 tot en met 4 betrekking. Die beogen het geschil op dat punt in volle omvang aan het hof voor te leggen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6.3

Het hof stelt voorop dat niet in geschil is dat [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst heeft ondertekend met Stafflease. Evenmin is in geschil dat sprake was van een payroll constructie waarin Stafflease optrad als de (formele) werkgever en MCM als opdrachtgever/inlener.

6.4

Stafflease heeft, zoals karakteristiek is voor payroll constructies, geen allocatiefunctie vervuld; MCM heeft zelf [geïntimeerde] geworven en geselecteerd en [geïntimeerde] zou ook alleen voor haar werkzaam zijn.
Dat verschil ten opzichte van de “klassieke uitzendrelatie” laat onverlet dat ook de tussen [geïntimeerde] en Stafflease gesloten arbeidsovereenkomst kwalificeert als een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 BW. Uit de Memorie van Toelichting op het artikel blijkt dat de wetgever heeft beoogd dat ook andere driehoeksrelaties dan de ‘klassieke uitzendrelatie’ onder de reikwijdte van de bepaling zouden vallen, mits aan de begripsomschrijving wordt voldaan (Kamerstukken II 1996-1997, 25 263, nr. 3, p. 9-10). Zie recent ook HR

4 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2356). Uit de inhoud van de arbeidsovereenkomst blijkt dat die voldoet aan de omschrijving van een uitzendovereenkomst. Verder is niet in geschil dat [geïntimeerde] haar werkzaamheden feitelijk ook diende te verrichten onder leiding en toezicht van MCM.

6.5

Als uitzendwerkgever rustte op Stafflease de verplichting tot loonbetaling, zoals in de arbeidsovereenkomst ook uitdrukkelijk is bepaald. In beginsel rustte die verplichting niet tevens op MCM als opdrachtgever/inlener. Voor zover de stellingen van [geïntimeerde] ook inhouden dat in geval van een payroll constructie in het algemeen de opdrachtgever/inlener als materiële werkgever hoofdelijk naast de uitzendwerkgever als formele werkgever gehouden is tot loonbetaling, vindt die stelling geen steun in het recht.

6.6

Het hof is niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden die meebrengen dat in dit geval MCM wel hoofdelijk naast Stafflease tot loonbetaling is gehouden.

6.6.1

Anders dan de kantonrechter is het hof op basis van de thans bekende feiten en omstandigheden niet van oordeel dat in dit geval dient te worden gesproken van een schijnconstructie. Dat Stafflease niet betrokken is geweest bij de werving en selectie van [geïntimeerde] is, als gezegd, gebruikelijk bij een payroll constructie. Hiermee stemt eveneens overeen dat de rol van Stafflease als uitzendwerkgever beperkt is gebleven. Verder is niet gesteld en evenmin gebleken dat Stafflease en MCM zo nauw met elkaar zijn verweven dat geconcludeerd zou moeten worden dat hun verschil in juridische identiteit slechts schijn is (en kennelijk in het leven is geroepen om [geïntimeerde] als uitzendkracht in haar rechtsbescherming te beperken). Uit de inschrijvingen van Stafflease en MCM in het handelsregister van de Kamer van Koophandel kan een dergelijke verwevenheid in ieder geval niet worden afgeleid.

6.6.2

Evenmin is het hof van oordeel dat tussen [geïntimeerde] en MCM niettemin wel een arbeidsovereenkomst geacht moet worden tot stand te zijn gekomen.

Aan MCM toerekenbare omstandigheden op grond waarvan [geïntimeerde] in de gerechtvaardigde veronderstelling mocht verkeren dat zij haar werkzaamheden verrichtte op basis van een arbeidsovereenkomst met MCM zijn niet aangevoerd en het hof evenmin gebleken.
Dat, zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd, de inleiding van het huishoudelijk reglement begint met de zin: “Ten eerste gefeliciteerd met je nieuwe baan bij MCM INNOVATION B.V. en welkom.” en dat in dat reglement de regels en arbeidsvoorwaarden worden vermeld die bij MCM gelden, is daarvoor niet toereikend. Uit verschillende passages in het huisreglement is voldoende kenbaar dat geen sprake is van een arbeidsverhouding tussen MCM en [geïntimeerde] (vgl. de passages aangehaald onder 3.4).
lijkt zich er ook bewust van te zijn geweest dat zij een arbeidsverhouding had met Stafflease en niet (tevens) met MCM. Uit de e-mail van [geïntimeerde] van 29 september 2014 (zie r.o. 3.6) blijkt dat [geïntimeerde] er mee bekend was dat haar salaris door Stafflease voldaan diende te worden, hetgeen past in het bestaan van een arbeidsverhouding tussen haar en Stafflease. Verder heeft [geïntimeerde] de beëindiging van de arbeidsrelatie door Stafflease aanvaard, wat niet in de rede had gelegen indien [geïntimeerde] in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat zij een arbeidsverhouding had met MCM.

6.6.3

De omstandigheid dat MCM indirect (via haar rechtsverhouding met Stafflease) het loon van [geïntimeerde] diende te voldoen, doet nog geen directe loonaanspraak van [geïntimeerde] jegens MCM ontstaan. Bijkomende omstandigheden die dat in dit geval anders zouden maken zijn niet aangevoerd en het hof evenmin gebleken.

6.7

De slotsom is dat de grieven 1 tot en met 4 slagen. De kantonrechter heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat MCM jegens [geïntimeerde] tot loonbetaling is gehouden.

Het bestreden vonnis zal in zoverre worden vernietigd.

6.8

Bij die stand van zaken heeft, zoals volgt uit wat hiervoor onder 5.1 en 5.2 is overwogen, MCM geen belang meer bij bespreking van haar grieven voor zover die zijn gericht tegen de door de kantonrechter vastgestelde omvang van die loonbetalingsverplichtingen (grieven 5 tot en met 9 en 11). Aan die grieven gaat het hof derhalve voorbij.

Proceskosten

6.9

In grief 10 komt MCM nog op tegen de (hoofdelijke) veroordeling in de proceskosten. Die grief slaagt niet.

Weliswaar slagen de grieven tegen het oordeel van de kantonrechter dat MCM (hoofdelijk) gehouden is tot loonbetaling aan [geïntimeerde] , echter MCM heeft zich voorafgaand aan de procedure jegens [geïntimeerde] op het standpunt gesteld dat zij geen aanspraak had op loonbetaling omdat tussen haar en MCM een overeenkomst van opdracht op ZZP-basis tot stand was gekomen. Stafflease heeft die stelling van MCM, die betekende dat [geïntimeerde] zich voor betaling voor haar werkzaamheden tot MCM zou dienen te wenden, overgenomen en op die grond [geïntimeerde] loonbetaling geweigerd (afgezien van de betaling van € 664,57 netto voor de weken 30 en 31). MCM heeft dit (door [geïntimeerde] betwiste) verweer in de procedure echter niet naar voren gebracht, zodat het hof dat verweer voor onjuist houdt. Dit onterechte, maar door Stafflease in de preprocessuele fase overgenomen, verweer heeft [geïntimeerde] echter genoodzaakt de onderhavige procedure te voeren, met de voor haar daaraan verbonden proceskosten. Die kosten zijn daarmee nodeloos door MCM veroorzaakt, hetgeen rechtvaardigt dat MCM naast Stafflease (hoofdelijk) gehouden is tot voldoening van de proceskosten in eerste aanleg.
Het bestreden vonnis dient derhalve te worden bekrachtigd voor wat betreft de (hoofdelijke) veroordeling van MCM in de proceskosten.

6.10

MCM dient in het verlengde hiervan eveneens te worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Hoewel de grieven voor een (belangrijk) deel slagen is het hoger beroep onderdeel van een procedure die MCM door haar aanvankelijke onjuiste stellingname over zichzelf heeft afgeroepen. Dat rechtvaardigt dat MCM de daardoor voor [geïntimeerde] in hoger beroep nodeloos ontstane proceskosten dient te dragen.

7 De slotsom

7.1

De grieven slagen gedeeltelijk. Het bestreden vonnis zal gedeeltelijk worden vernietigd.

7.2

Als de partij die de proceskosten van [geïntimeerde] nodeloos heeft veroorzaakt zal MCM worden veroordeeld in de kosten in hoger beroep.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 311,- voor griffierecht en € 1.264,- voor salaris advocaat (2 punten x tarief I).

8 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Almere van 1 juli 2015 ten aanzien van MCM gewezen, behoudens voor zover MCM daarbij (hoofdelijk) is veroordeeld in de proceskosten, bekrachtigt dit vonnis in zoverre en doet voor het overige opnieuw recht;

- wijst af de vorderingen van [geïntimeerde] voor zover ingesteld tegen MCM, behoudens de hiervoor genoemde hoofdelijke veroordeling in de proceskosten in eerste aanleg;

veroordeelt MCM in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 311,- voor verschotten en op € 1.264,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. O.E. Mulder, mr. M.E.L. Fikkers en mr. C. Hoogland en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier

13 februari 2018.