Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1332

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-02-2018
Datum publicatie
12-02-2018
Zaaknummer
21-004077-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:2748
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging doodslag op huisgenoot door hem in de keel te snijden met een mes. Beroep op noodweer(-exces), putatief noodweer en psychische overmacht verworpen.

Onder verwijzing naar de bijzondere omstandigheden van het geval en de persoon van verdachte matigt het hof de op te leggen gevangenisstraf tot 21 maanden waarvan 7 voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004077-17

Uitspraak d.d.: 12 februari 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 24 juli 2017 met parketnummer 18-850091-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

nog ingeschreven te 8936 AS Leeuwarden, Holstmeerweg 7, zijnde een voormalig detentieadres,

maar daar niet langer verblijvende.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 januari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van poging tot doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 10.294,- vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. P.TH. van Jaarsveld, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte ter zake van poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren waarvan één jaar voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, en met de bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering en het volgen van een ambulante behandeling. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 9.294,50, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de vordering voor het overige afgewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 09 november 2016 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade [benadeelde partij] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [benadeelde partij] met een mes in de hals/nek heeft gestoken en/of gesneden, en/of met een mes in de rug en/of lichaam heeft gestoken, en/of heeft gestompt/geslagen en/of geduwd/getrokken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van medeplegen en voorbedachte raad

Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman en in de lijn met de beslissingen hieromtrent en de motiveringen daarvan door de rechtbank van oordeel dat er sprake is van voorbedachte raad noch medeplegen, zodat verdachte van die bestanddelen zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 november 2016 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet, die [benadeelde partij] met een mes in de hals heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van het feit en de verdachte

Door de verdediging is ter zitting van het hof een beroep gedaan op noodweer, dan wel noodweerexces. De raadsman heeft hiertoe primair gesteld dat er, gelet op de eerdere uitingen van aangever dat hij verdachte neer zou steken, het binnendringen van de woning door aangever, het gevecht dat had plaatsgevonden tussen aangever en verdachtes broer én de aanstalten die aangever maakte om weer op te staan, sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een hernieuwde aanranding van verdachtes en zijn broers lijf. Met de vaas met messen in de buurt en niet wetende wat aangever bij zich had, was zijn handelen het enige dat verdachte op dat moment kon doen. Gelet op de voorgeschiedenis was dit handelen als geboden te beschouwen. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat wanneer het hof vindt dat sprake is van overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, dat die overschrijding in dat geval het gevolg is van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Meer subsidiair heeft de raadsman een beroep gedaan op psychische overmacht. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat gelet op de voorgeschiedenis, de dreigementen door aangever in het bijzonder en de wijze van binnendringen midden in de nacht, sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon bieden en ook niet behoefde te bieden. Verdachte dient op grond van voorgaande te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.

Het hof stelt ten aanzien van de feiten het volgende vast.

Verdachte en zijn één jaar jongere broer, tevens medeverdachte, woonden ten tijde van het ten laste gelegde al voor een periode van vier jaren in hun woning in [plaats] . Twee maanden daarvoor was door de makelaar een derde huurder in het huis geplaatst, zijnde aangever. De relatie tussen aangever en de broers, met name die tussen aangever en verdachte, was niet goed. Er waren veel ergernissen tussen de broers en aangever. De broers spraken aangever zonder veel succes aan op zijn gedrag als huisgenoot en de sfeer raakte steeds meer gespannen. Op 6 november 2016 belden verdachte en zijn broer de politie, om aan te geven dat zij door aangever met de dood waren bedreigd. Aangever verliet het huis toen de politie arriveerde. De dagen daarna bleef aangever weg bij de woning.

In de nacht van 9 november 2016 sliep verdachtes broer beneden, op de bank van de woning. Hij had dat zo met verdachte afgesproken in verband met de bedreigende gebeurtenissen op 6 november 2016. Verdachte lag boven in zijn bed. Rond 04:00 uur probeerde aangever via de voordeur de woning te betreden. Dit lukte niet; verdachte had eerder, om te voorkomen dat aangever naar binnen kon gaan, een sleutel aan de binnenkant van het slot gestoken. Vlak daarna hoorde verdachte glasgerinkel. Het was aangever die door een raam te forceren, via de achterdeur de woning binnenkwam. Het was donker in de woning. Verdachte wist dat zijn broer beneden was. Hij liep zachtjes naar de overloop, de trap af. Halverwege hoorde hij voetstappen zijn richting op komen. Toen ging het licht aan en hoorde verdachte dat er twee mensen in gevecht waren. Verdachte zag dat het aangever en zijn broer waren en mengde zich ook in het gevecht. Hij sloeg en duwde aangever. Daarna was het gevecht voorbij, en aangever zat op de grond tegen de bank aan. Op dat moment maakte verdachte uit het gesprek tussen aangever en zijn broer op, dat zijn broer aangever had gestoken. Zijn broer ging vervolgens op zoek naar een telefoon om 112 te bellen. Verdachte pakte een mes van de tafel en zei tegen aangever dat hij moest blijven zitten. Aangever maakte echter bewegingen waaruit verdachte opmaakte dat hij wilde gaan staan of ‘naar iets wilde graaien’. Verdachte zette het mes op de keel van aangever en sneed met één beweging de hals van aangever open. Het slachtoffer wordt kort daarna met onder meer een slagaderlijke bloeding door een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd.

Vooropgesteld moet worden dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging - waarmee de proportionaliteits- en subsidiariteitseis tot uitdrukking wordt gebracht - van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.

Het hof oordeelt op basis van voorgaande, dat niet aannemelijk is geworden, dat er op het moment van het bewezen verklaarde handelen door verdachte, sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever van verdachte of zijn broer of een onmiddellijke dreiging daartoe. Het hof overweegt hieromtrent dat aangever officieel nog steeds huurder en bewoner was van de woning, en dat hij door toedoen van de verdachten via de gebruikelijke manier niet de woning kon binnenkomen. Daarop is hij door een raam te forceren de woning binnengekomen. Aangever had geen wapen bij zich, viel niemand aan en heeft geen bedreigingen geuit. Daarop is aangever door de broer van verdachte aangevallen. Daarna hebben verdachte en zijn broer aangever naar de grond gewerkt. Verdachte hield aangever onder controle met een mes. De broer van verdachte had daarvóór al beaamd dat hij aangever had gestoken, dus verdachte wist dat aangever reeds gewond was. Aangevers poging om op te staan noch diens ‘graaien naar iets’ leveren in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het Hof een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes of diens broers lijf op. Van een concreet onmiddellijk dreigend gevaar daartoe was gezien de hiervoor geschetste omstandigheden ook geen sprake. Het gevecht tussen aangever en de broer van verdachte was op dat moment beëindigd, aangever had geen wapen en was op dat moment niet agressief. Gelet op voorgaande wordt het beroep op noodweer verworpen.

Het hof vindt in het voorgaande eveneens grond te oordelen dat geen sprake kan zijn van noodweerexces.

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte, gegeven de hiervoor geschetste omstandigheden, in redelijkheid in de veronderstelling heeft kunnen verkeren dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever, met andere woorden: of hij hieromtrent verschoonbaar heeft gedwaald.

Het hof beantwoordt ook deze vraag negatief. Hoewel het voorstelbaar is dat verdachte, gelet op de voorgeschiedenis, angst heeft gehad voor agressie van de zijde van aangever, lag het gelet op de geblokkeerde voordeur voor de hand dat aangever op enig moment toch toegang tot de woning zou zoeken, nu hij ook nog steeds in het huis woonde. Het gedrag van aangever toen hij eenmaal binnen was in de woning - het gevecht met de broer van verdachte was beëindigd en aangever zat gewond op de grond - was niet van dien aard dat verdachte daaraan een gerechtvaardigde indruk had kunnen ontlenen dat er op het moment van het bewezen verklaarde handelen door verdachte sprake was van een aanranding door aangever of een dreiging daartoe. Van een verschoonbare dwaling omtrent de intenties van aangever kan daarom geen sprake zijn. Ook het beroep op putatief noodweer wordt verworpen.

Uit de hiervoor vastgestelde feitelijke gang van zaken blijkt verder evenmin dat aannemelijk is geworden dat sprake was van een van buiten komende drang waaraan verdachte in redelijkheid geen weerstand kon bieden en die maakte dat verdachte aangever in zijn hals moest snijden. Ook het beroep op psychische overmacht wordt daarom verworpen.

Meest subsidiair heeft de raadsman betoogd, dat het ten laste gelegde verdachte niet kan worden toegerekend vanwege zijn stoornis.

Over verdachte is door D. Breuker, forensisch psycholoog, naar aanleiding van het ten laste gelegde feit een psychologisch onderzoek Pro Justitia uitgebracht d.d. 1 maart 2017. Op verzoek van de verdediging heeft deze deskundige op 31 mei 2017 een aanvullend psychologisch onderzoek uitgebracht. In deze rapporten wordt geconcludeerd dat er bij betrokkene sprake is van een autismespectrumstoornis. Deze stoornis was aanwezig ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde en heeft betrokkene in zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed. De deskundige concludeert dat het ten laste gelegde feit, indien bewezen, in verminderde mate (driepuntsschaal) dan wel (sterk) verminderde mate (vijfpuntsschaal) aan verdachte kan worden toegerekend.

Gelet op de inhoud van voormelde rapporten kan het hof zich verenigen met de conclusie van voornoemde deskundige dat verdachte als (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Het hof ziet geen redenen om af te wijken van deze conclusie van de deskundige. Het hof zal dan ook uitgaan van een (sterk) verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn huisgenoot, door hem met een mes in de hals te snijden. Het slachtoffer had een snijwond van 15 centimeter lang waarbij een slagader was geraakt, en bij het herstellen van de halswond is een deel van de luchtpijp verwijderd.

Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dat de gevolgen van verdachtes handelen voor aangever niet veel ernstiger zijn geweest, is niet aan verdachte te danken. Bovendien leert de ervaring dat slachtoffers van een delict als het onderhavige hiervan (langdurig) psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 2 januari 2018- niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Tevens heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het rapport van de reclassering d.d. 2 november 2017 en voornoemde pro justitia rapporten, opgesteld door D. Breuker, forensisch psycholoog. Gelet op de inhoud van deze rapporten zal het hof bij de strafoplegging rekening houden met de (sterk) verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met de omstandigheden waaronder het feit is begaan. In deze zaak is hierbij het volgende van belang. Verdachte, een destijds 23-jarige jonge man en zijn één jaar jongere broer leidden een relatief rustig en serieus leven. Verdachte was net klaar met zijn opleiding en zijn broer studeerde nog toen zij door de makelaar met een hun tot dan toe onbekende huisgenoot, het latere slachtoffer, werden geconfronteerd. Uit het dossier komt het beeld naar voren van een huisgenoot die in de woning (hard)drugs gebruikt, die zich niet aan de huisregels houdt en die daar niet op aanspreekbaar is. Tevens ervaren de broers dat aangever in de omgang met zijn vriendin gewelddadig is. Op een gegeven moment begint aangever bedreigingen te uiten naar de broers wanneer zij er opnieuw bij hem op aandringen zijn verantwoordelijkheden voor de leefbaarheid in de woning te nemen. Het hof gaat er vanuit dat de komst van aangever in het leven van de broers buitengewoon ontwrichtend voor hen moet zijn geweest. De bedreigingen van 6 november 2016 hebben de broers zeer serieus genomen en vanaf dat moment leefden zij in de veronderstelling dat aangever zijn bedreigingen zou uitvoeren. De gebeurtenissen in de nacht van 9 november 2016 waren erg beangstigend. Dit geldt in het geval van verdachte wellicht nog meer dan voor zijn broer, gelet op de persoonlijkheid van verdachte zoals deze naar voren is gekomen in de rapporten van de psycholoog en de reclassering alsook tijdens het verhandelde ter zitting.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van 21 maanden waarvan zeven maanden voorwaardelijk een passende en geboden bestraffing is. Het hof zal deze straf aan verdachte opleggen. Het onvoorwaardelijke deel van de straf is gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke deel zullen de bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het dictum worden verbonden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.689,00 en bestaat uit € 689,- aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 9.294,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 5.464,-. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Dit toe te wijzen bedrag bestaat uit € 464,- aan materiële schade (schoenen, daggeldvergoeding 13 dagen ziekenhuis en extra telefoonkosten) en € 5.000,- aan immateriële schade.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering gelet op de omstandigheden van het geval een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in zijn vordering niet worden ontvangen en kan hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 7 (zeven) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op dagen en tijdstippen volgens afspraken die met hem gemaakt zullen worden te melden bij Reclassering Nederland, op een vestiging in zijn verblijfplaats dan wel de dichtstbijzijnde vestiging daarvan, voor zolang en frequent de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling zal stellen bij een nader te bepalen forensische psychiatrische polikliniek of soortgelijke forensische zorg, zulks ter beoordeling aan de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn problematiek.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, ook als de aanwijzingen inhouden dat de veroordeelde medewerking zal verlenen aan (verwijzing naar) ambulante woonbegeleiding.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.464,00 (vijfduizend vierhonderdvierenzestig euro) bestaande uit € 464,00 (vierhonderdvierenzestig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 november 2016.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 5.464,00 (vijfduizend vierhonderdvierenzestig euro) bestaande uit € 464,00 (vierhonderdvierenzestig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 (tweeënzestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 november 2016.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. E.M.J. Brink en mr. K. Lindenberg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,

en op 12 februari 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. K. Lindenberg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.