Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1330

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
200.220.682/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindiging moeder. De raad is op grond van artikel 1:267, lid 1 BW bevoegd een dergelijk verzoek in te dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.220.682/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/170977/FA RK 16-2929)

beschikking van 8 februari 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.F.P. Scheele te Rotterdam,

en

de raad voor de kinderbescherming,

Regio Noord Nederland, locatie Groningen,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Noord | Groningen,

gevestigd te Groningen,

verder te noemen: de GI,

[de vader] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 25 april 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 25 juli 2017;

- het verweerschrift van de raad;

- een journaalbericht van mr. Scheele van 6 september 2017 met productie(s);

- een brief van de raad van 29 december 2017 met productie(s).

2.2

De minderjarigen [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2003 en [de minderjarige2] (verder te noemen: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2005, hebben ieder bij brief van 8 december 2017 aan het hof hun mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 10 januari 2018 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.C. Sneper, waarnemer voor mr. Scheele. Namens de raad is de heer [A] verschenen. Ook is verschenen de vader.

Mr. Sneper heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

3 De feiten

3.1

Uit het huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren [de minderjarige1] , voornoemd, en [de minderjarige2] , voornoemd. Het huwelijk is ontbonden in maart 2014.

3.2

Van medio 2013 tot medio 2017 stonden de kinderen onder toezicht.

3.3

De kinderen zijn op 13 januari 2014 met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. In december 2014 zijn zij, in het kader van een machtiging uithuisplaatsing, bij hun vader geplaatst. Vervolgens is op 25 augustus 2015 het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader bepaald.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beëindigd.

4.2

In geschil is de beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt om de bestreden beschikking te vernietigen en -zo begrijpt het hof- opnieuw rechtdoende het inleidende verzoek van de raad alsnog af te wijzen.

4.3

De raad voert verweer en verzoekt het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4

De vader voert ter zitting verweer en verzoekt het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3

Op grond van artikel 1:267 lid 1 BW kan beëindiging van het gezag worden uitgesproken op verzoek van de raad.

5.4

De moeder stelt dat de raad niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn verzoek aangezien artikel 1:266 BW niet de juiste grondslag is in deze procedure. De vader had in dezen een procedure met een verzoek tot het toekennen van eenhoofdig gezag moeten starten. De raad weerspreekt de stelling van de moeder en stelt zich op het standpunt dat de wetgever aan de raad de bevoegdheid heeft toegekend een verzoek tot beëindiging van het gezag in te dienen. De raad heeft onderzoek ingesteld en vervolgens in het belang van de kinderen tot het indienen van het verzoek besloten. De kinderen hebben een zeer belast verleden, gekenmerkt door echtscheidingsproblematiek en uithuisplaatsing. De vader heeft in 2015 (naast zijn verzoek tot het toekennen van het hoofdverblijf van de kinderen bij hem) een verzoek tot het toekennen van eenhoofdig gezag ingediend. De raad heeft in 2015 de rechtbank geadviseerd dat verzoek toe te wijzen, maar dit verzoek is toen afgewezen als zijnde te prematuur. Inmiddels heeft de GI jarenlang vergeefs ingezet op een constructief contact met de moeder en geeft de moeder geen invulling aan de opvoeding en verzorging van de kinderen. Vervolgens heeft de GI begin 2016 de raad verzocht onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel. De raad is van mening dat een toekenning van dat verzoek in het belang van de kinderen is. Het contact tussen de moeder en de kinderen is verbroken, zij blijft zich verzetten tegen de plaatsing bij de vader, geeft geen opening tot contact, komt afspraken niet na en wil alleen dat de kinderen per direct bij haar geplaatst worden. Zij laat daarbij zien niet aan te sluiten bij de behoefte van [de minderjarige2] en [de minderjarige1] . De kinderen ervaren rust, stabiliteit en voorspelbaarheid bij hun vader en komen toe aan hun ontwikkeling.

5.5

Het hof is, anders dan de moeder, van oordeel dat gelet op de onder overweging 5.3 genoemde wettelijke systematiek het de raad is toegestaan een dergelijk verzoek in te dienen. Het is vervolgens aan de rechter om te beslissen of de gronden voor een gezagsbeëindiging zich voordoen.

5.6

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en na eigen onderzoek tot de zijne maakt, is het naar het oordeel van het hof in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om het gezag van de moeder over hen te beëindigen. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.

5.7

Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gekomen blijkt dat de kinderen een fors belast verleden kennen en onveranderd ernstig bedreigd worden in hun ontwikkeling door de houding van de moeder. Het is ondanks inzet van professionele hulpverlening onmogelijk gebleken om constructief met de moeder in gesprek te gaan omdat zij zich telkens terugtrekt uit het contact met de hulpverlening, afspraken niet nakomt en enkel volhardt in haar stelling dat de kinderen (per direct) bij haar teruggeplaatst dienen te worden. De moeder kan de plaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de vader niet accepteren omdat zij zich extreme zorgen maakt over de kinderen bij de vader. Echter, deze zorgen vinden onvoldoende steun in de stukken en komen (in het geheel) niet overeen met hetgeen de kinderen daar zelf over aangeven. Het lijkt de moeder niet te lukken om de belangen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voorop te stellen. Zo heeft ze ter zitting verklaard de media te gaan inlichten als haar gezag beëindigd zal blijven en dit acht het hof ernstig in strijd met het belang van de kinderen. Ook heeft de moeder sinds november 2014 geen contact meer gehad met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] omdat ze zich niet hield aan de schriftelijke aanwijzing omtrent de omgang. De kinderen, die inmiddels 14 en 13 jaar oud zijn, geven zelf gemotiveerd aan op dit moment geen (enkele) behoefte aan contact te hebben. Zij hebben daarbij, kort gezegd, verklaard dat de moeder niet aansluit bij hun behoefte en wensen en dat zij willen dat de rechtszaken rondom hen eens ophouden. De situatie komt erop neer dat de moeder al lange tijd geen enkele invulling geeft aan de verzorging en opvoeding van de kinderen en daarmee aan de invulling van haar gezag. Daarnaast frustreert ze de informatieregeling. Zowel de vader als de GI hebben gepoogd informatie over de kinderen te verstrekken, maar de moeder is niet bereid deze informatie in ontvangst te nemen.

5.8

Het hof is van oordeel dat er, anders dan de moeder stelt, voldoende onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden van de vader om de kinderen op te voeden. Immers blijkt uit de rapportage van [B] (dat onderzoek heeft gedaan naar de thuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de vader) dat wordt geadviseerd om de kinderen weer bij de vader te laten opgroeien. Daarnaast is er Intensieve Pedagogische Thuishulp (IPG) van Elker ingezet en deze is in juli 2015 positief afgerond.

5.9

Alhoewel de moeder stelt dat de gezagsbeëindiging in strijd is met artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is het hof van oordeel dat de gezagsbeëindiging weliswaar een inbreuk vormt op het door artikel 8 EVRM beschermde gezinsleven en/of privéleven tussen de kinderen en de moeder, maar dat gezagsbeëindiging in bijzondere, bij wet geregelde gevallen gerechtvaardigd is, hetgeen in de onderhavige zaak het geval is.

5.10

Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van het hof de in rechtsoverweging 5.1 genoemde aanvaardbare termijn inmiddels verstreken en is het in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om de stabiliteit en continuïteit in hun opvoedingssituatie te waarborgen door het gezag van de moeder te beëindigen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 25 april 2017.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, I.A. Vermeulen en M.P. den Hollander, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 8 februari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.