Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1327

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
200.218.374/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderbewindstelling. Beoogd bewindvoerder geen belanghebbende. Wel als informant gehoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.218.374/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5684595 VO VERZ 17-189)

beschikking van 8 februari 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: betrokkene,

advocaat: mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de partner] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de partner.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 14 april 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 23 juni 2017.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 11 december 2017 plaatsgevonden. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Ook is [B] (hierna: [B] ) ter zitting verschenen.

3 De feiten

3.1

Betrokkene is geboren [in] 1994.

3.2

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 17 januari 2017, heeft betrokkene verzocht om alle goederen die haar (zullen) toebehoren onder bewind te stellen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek tot onderbewindstelling afgewezen.

4.2

Betrokkene is met één grief in hoger beroep gekomen van die beschikking. Zij heeft verzocht de beschikking te vernietigen en alsnog het bewind in te stellen over de goederen en gelden die aan haar toebehoren en zullen toebehoren met de benoeming van [B] als bewindvoerder.

5 De motivering van de beslissing

De positie van [B]

5.1

Het hof stelt vast dat [B] , die betrokkene als bewindvoerder wenst, in deze procedure niet als belanghebbende kan worden aangemerkt in de zin van artikel 798, eerste lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), omdat de onderhavige zaak niet rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten of verplichtingen. Evenmin is gebleken dat [B] behoort tot de in het tweede lid van artikel 798 Rv genoemde personen/bloedverwanten die - naast de in lid 1 bedoelde persoon - in zaken van onder meer onderbewindstelling onder belanghebbenden worden verstaan. Het hof heeft wel aanleiding gezien om [B] als informant aan te merken, zodat er ter zitting door het hof eventueel vragen aan hem gesteld zouden kunnen worden.

De onderbewindstelling

5.2

Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden,

tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

Op grond van 1:435 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

5.3

Betrokkene heeft in eerste aanleg gesteld dat zij niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden. Zij stelt in hoger beroep dat haar verzoek tot onderbewindstelling mede is gegrond op het bepaalde in artikel 1:431 lid 1 sub a BW, te weten haar lichamelijke of geestelijke toestand.

5.4

Op grond van het verhandelde ter zitting en de stukken van het dossier is voldoende vast komen te staan dat betrokkene als gevolg van haar geestelijke toestand niet in staat is haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen en dat aan het bepaalde in artikel 1:431 lid 1, aanhef en onder a, BW, is voldaan. Het hof heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

5.5

Betrokkene stelt gediagnosticeerd te zijn met ADD. Dat vindt steun in het in het geding gebrachte schrijven van haar psychiater van 5 oktober 2013. Volgens dit schrijven is er bij betrokkene sprake van ADHD, overwegend onoplettend type. Daarnaast heeft de psychiater aangegeven dat betrokkene sociaal-emotioneel als onrijp voor haar leeftijd imponeert, hetgeen door haar hele ontwikkelingsgeschiedenis wordt gezien. In het sociale contact is ze weinig weerbaar. Ze heeft moeite met planning en organisatie.

Uit het voorgaande maakt het hof op dat betrokkene een concentratiestoornis heeft. Betrokkene heeft aangegeven dat ze, omdat ze impulsief kan zijn en moeilijk overzicht weet te houden, zaken vergeet, zoals het betalen van rekeningen en dingen kwijt raakt.

5.6

Dit alles heeft er toe geleid dat er, nadat betrokkene zelfstandig is gaan wonen, schulden zijn ontstaan. Deze schulden lopen ook op, zoals blijkt uit de omstandigheid dat er sinds de behandeling bij de rechtbank nog een schuld van de DUO is bijgekomen. Voor die schuld is inmiddels een deurwaarder ingeschakeld. Betrokkene heeft echter geen betalingsregeling kunnen treffen. Betrokkene woont samen met een partner die forse schulden heeft en onder bewind staat. Samen hebben zij onlangs een kind gekregen. Betrokkene beseft dat ze begeleiding nodig heeft bij het uitvoeren van haar financiële aangelegenheden en heeft daarom contact gehad met het wijkteam. Dat leidde echter niet tot passende hulp.

5.7

Het hof is er van overtuigd geraakt dat de persoonlijke en sociale problematiek van betrokkene tezamen met de huidige problematische situatie een belemmering vormen bij het zelf behartigen van haar financiën en dat zij daarbij (in ieder geval enkele jaren) begeleiding nodig heeft. Het hof acht aldus aannemelijk dat betrokkene op dit moment niet ten volle in staat is haar vermogensrechtelijke belangen te behartigen en dat een onderbewindstelling op zijn plaats is. Bij inzet van een (professioneel) bewindvoerder met een beschermingsbewind zal een voldoende behartiging van de belangen van betrokkene kunnen worden bereikt, waarbij de beoogd bewindvoerder heeft aangegeven dat hij zal inzetten op het vergroten van de zelfredzaamheid van betrokkene.

5.8

Gelet op het voorgaande behoeft de vraag of er sprake is van verkwisting of problematische schulden geen bespreking meer.

5.9

Het hof zal bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van betrokkene volgen, nu geen gegronde redenen zijn aangevoerd of gebleken die zich tegen de benoeming van [B] verzetten. Nu [B] zich bereid heeft verklaard om als bewindvoerder voor betrokkene op te treden zal het hof zal hem benoemen tot bewindvoerder.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 14 april 2017 en opnieuw beschikkende:

stelt met ingang van heden de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [verzoekster] , geboren [in] 1994, onder bewind;

benoemt tot bewindvoerder de heer [B] h.o.d.n. [C] , gevestigd te [A] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Holtvluwer-Veenstra, Z.J. Oosting en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 8 februari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.