Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1315

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
200.212.015/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stamrecht. In hoeverre maken de stamrechtaanspraken deel uit van de huwelijksgemeenschap. Hof: lineaire verdeling. Ontbindingsvergoeding niet voor ander doel aangewend. De stamrecht-BV kent een zekere beleggingsvrijheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/79
RFR 2018/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.212.015/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/144848 / FA RK 15-1784)

beschikking van 6 februari 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R. Verdonk te Heerenveen,

en

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: voorheen mr. M.A. Buijs te Heerenveen, thans mr. F.P. van Dalen te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de tussenbeschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 11 januari 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 15 maart 2017;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 10 januari 2018 plaatsgevonden. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J. Oosterhof (een kantoorgenoot van mr. Verdonk). De man is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Dalen.

Mr. Oosterhof en mr. Van Dalen hebben ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1984 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

3.2

De huwelijksgoederengemeenschap van partijen is [in] 2015 ontbonden door indiening van het echtscheidingsverzoek door de man.

3.3

Het huwelijk van partijen is op 22 april 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 13 april 2016 in de registers van de burgerlijke stand.

3.4

De man heeft in verband met de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met tapijtfabriek [B] N.V. (verder: [B] ) in 2001 een schadeloosstelling wegens te derven toekomstige inkomsten en pensioenrechten ontvangen ter hoogte van f 2.006.559,-. Dit bedrag is gestort op een geblokkeerde bankrekening van een notaris en vervolgens ondergebracht in een stamrecht B.V., [C] B.V. (verder: [C] ), waarvan de aandelen door de man worden gehouden.

3.5

De tussen de man en [C] gesloten stamrechtovereenkomst, ondertekend op 12 oktober 2001, bevat onder meer het volgende:

"In aanmerking nemende

(…)

- dat de ex-werkgever ter gelegenheid van de beëindiging van deze arbeidsovereenkomst aan de gerechtigde wegens te derven inkomsten en pensioenrechten als schadeloosstelling heeft toegekend een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon, zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964, hierna te noemen: "het stamrecht";

(…)

Verklaren het volgende te zijn overeengekomen

Artikel 1

Het in de considerans vermelde bedrag ad f 2.006.559 (…) is door de ex-werkgever onder vermelding van "koopsom stamrecht" gestort op een geblokkeerde bankrekening bij Notariskantoor [D] ; laatstbedoeld bedrag is met valutadatum 8 augustus 2001 bijgeschreven. De vennootschap (hof: [C] ) heeft laatstbedoeld bedrag overeenkomstig de tussen de ex-werkgever en de gerechtigde (hof: de man) gemaakte afspraken ter gelegenheid van de beëindiging van het dienstverband het bedrag terstond aangewend als koopsom voor een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon, zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel 2

Het stamrecht zal worden uitgekeerd in de vorm van variabele periodieke uitkeringen, zoals bedoeld in artikel 4, en/of uit vaste periodieke uitkeringen, zoals bedoeld in artikel 5, ten behoeve van de gerechtigde, of, na zijn overlijden, zijn echtgenoot dan wel degene met wie de gerechtigde duurzaam een gezamenlijke huishouding voert en met wie geen bloed- en aanverwantschap in rechte lijn bestaat, of aan zijn kinderen of pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt.

Artikel 3

Het ingangstijdstip van de periodieke uitkeringen, alsmede de looptijd van de periodieke uitkeringen zullen door de gerechtigde nader worden vastgesteld, met dien verstande dat:

  • -

    de periodieke uitkeringen uiterlijk ingaan in het jaar waarin de gerechtigde de leeftijd van 65 jaar bereikt of op het eerder moment van overlijden van de gerechtigde;

  • -

    de periodieke uitkeringen een zodanige minimale looptijd hebben dat voldaan wordt aan het uit de jurisprudentie voortvloeiende vereiste dat het totale beloop van de periodieke uitkeringen, vanuit de vennootschap beoordeeld, in voldoende mate onzeker is.

Artikel 4

De variabele periodieke uitkeringen gaan in op verzoek van de gerechtigde, indien en voorzover de gerechtigde winst uit onderneming zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en/of inkomsten uit tegenwoordige arbeid zoals bedoeld in artikel 3.80 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en/of resultaat uit overige werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001, hierna te noemen: "het actuele inkomen" geniet, waarvan het beloop per jaar in totaliteit lager is dan f 100.000 (…), hierna te noemen: "het basisinkomen".

Indien de variabele periodieke uitkeringen zijn ingegaan, worden deze gedurende de gehele looptijd jaarlijks vastgesteld op het positieve verschil tussen het basisinkomen en het in het desbetreffende kalenderjaar genoten actuele inkomen, waarbij het actuele inkomen niet op een lager bedrag dan nihil wordt gesteld.

De aldus vastgestelde variabele periodieke uitkeringen worden door de vennootschap rentedragend ter beschikking gesteld in rekening courant per 31 december van het betreffende kalenderjaar. De gerechtigde heeft het recht om maandelijks bij vooruitbetaling een voorschot op de vermoedelijk voor het desbetreffende kalenderjaar vast te stellen variabele periodieke uitkeringen te krijgen. De in de vorige volzin bedoelde voorschotten zullen worden uitgekeerd door storting of overschrijving op een door of namens de gerechtigde aan te geven bank- of girorekening. De uitbetaalde voorschotten worden verrekend met de in het desbetreffende kalenderjaar uit te keren variabele periodieke uitkering. Indien blijkt dat een te laag respectievelijk te hoog bedrag is uitbetaald wordt het verschil alsnog in rekening courant per 31 december van het desbetreffende jaar verrekend.

Onverminderd het vorenstaande bedraagt de variabele periodieke uitkering over een bepaald kalenderjaar ten minste f 1.000 (…).

De variabele periodieke uitkeringen eindigen uiterlijk op het moment waarop de vaste periodieke uitkeringen zoals bedoeld in artikel 5 ingaan, danwel bij eerder overlijden van de gerechtigde, danwel indien geen stamrechtkapitaal meer in de vennootschap beschikbaar is.

Artikel 5

De vaste periodieke uitkeringen zullen niet eerder ingaan dan in het jaar waarin de gerechtigde de leeftijd van 55 jaar bereikt, doch zullen uiterlijk ingaan in het jaar waarin de gerechtigde de leeftijd van 65 jaar bereikt, of op het eerder moment van overlijden van de gerechtigde, en zullen eindigen bij overlijden van de langstlevende van de in artikel 2 vermelde (mede)gerechtigden. Het bepaalde in de vorige volzin is alleen van toepassing indien en voorzover er na uitkering van de variabele periodieke uitkeringen nog stamrechtkapitaal in de vennootschap beschikbaar is.

De hoogte van de vaste periodieke uitkeringen zal op de ingangsdatum worden vastgesteld aan de hand van zuiver actuariële grondslagen, waarbij het stamrechtkapitaal als rekengrootheid dient. Het stamrechtkapitaal wordt vastgesteld door de in artikel 1 bedoelde koopsom met ingang van de datum waarop de koopsom bij de vennootschap is gestort jaarlijks op te renten met het gemiddelde T-rendement van het voorafgaande kalenderjaar verminderd met 0,5% van de beleggingswaarde, nadat op de (opgerente) koopsom eerst de reeds in de voorafgaande periode uitgekeerde variabele periodieke uitkeringen in mindering zijn gebracht.

(…)

Artikel 7

De gerechtigde heeft te allen tijde het recht zijn aanspraken tegen betaling van een koopsom ineens door de vennootschap onder te brengen bij een door hem aan te wijzen professionele verzekeraar die de verplichting voor de heffing van de vennootschapsbelasting tot het binnenlands ondernemingsvermogen rekent, en waarbij de eisen zoals bedoeld in artikel 19b juncto artikel 19a van de Wet op de loonbelasting 1964 in aanmerking zullen worden genomen."

3.6

De man heeft in 2008 in verband met de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met [E] N.V. (verder: [E] ) een schadeloosstelling wegens vervanging van gederfd of te derven loon toegekend gekregen ter hoogte van € 90.841,85. Omdat de man deze schadeloosstelling wenste te genieten in de vorm van een stamrecht is de ontslagvergoeding rechtstreeks overgemaakt aan [C] . Dit stamrecht is nog niet tot uitkering gekomen.

3.7

Bij tussenbeschikking van 11 januari 2017 heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - iedere verdere beslissing aangehouden en tussentijds hoger beroep toegestaan.

3.8

Voor zover voor dit hoger beroep van belang heeft de rechtbank over de stamrechtaanspraak en de aanwending van de rekening-courantschuld het volgende overwogen:

"3.7. De rechtbank constateert met partijen dat in de jurisprudentie een diffuus beeld bestaat over de vraag wanneer en in welke mate in een stamrecht B.V. ondergebrachte stamrechten verknocht zijn. De rechtbank zal zich bij haar oordeelsvorming laten leiden door uitspraken van de Hoge Raad (24 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:291), het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (10 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9886) en het Gerechtshof Amsterdam (27 september 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3901).

3.8.

De rechtbank leidt uit deze jurisprudentie de volgende regels af:

- bij de beantwoording van de vraag of de aanspraken jegens een stamrecht B.V. in de huwelijksgemeenschap vallen, dient te worden onderzocht in hoeverre die aanspraak ziet op de periode voor, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap,

- het gaat om de strekking van de aanspraak jegens de stamrecht B.V., waarbij het niet van belang is in hoeverre de gerechtigde deze daadwerkelijk heeft verzilverd,

- de omstandigheid dat partijen de ontbindingsvergoeding hebben aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze was bestemd, brengt met zich dat van verknochtheid geen sprake meer kan zijn.

3.9.

De rechtbank stelt voorop dat de door de man van [B] ontvangen

schadeloosstelling bedoeld is ter aanvulling van te derven loon en pensioenaanspraken. Dit is ook als zodanig opgenomen in de stamrechtovereenkomst. De rechtbank gaat er mitsdien vanuit dat de strekking van de aanspraken op een vaste en/of variabele uitkering jegens de stamrecht B.V. betrekking heeft op de periode ontslag (1 oktober 2007) tot het moment dat beide partijen zijn overleden (zie artikel 5 van de stamrechtovereenkomst).

3.10.

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de vraag in hoeverre deze aanspraken als zijnde verkocht (hof: verknocht) aan de man dient te worden beschouwd het volgende onderscheid gemaakt kan worden:

- - de aanspraken over de periode van 1 oktober 2001 (ontslag ) tot 18 mei 2015 (indiening verzoekschrift tot echtscheiding) vallen in de huwelijksgemeenschap,

- - de aanspraken over de periode 18 mei 2015 tot 7 december 2019 (bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de man) zijn in beginsel aan de man verknocht en vallen om die reden buiten de huwelijksgemeenschap,

- - de aanspraken die het karakter hebben van een pensioenaanspraak vallen voor 14/18e deel in de gemeenschap en voor 4/18e deel daarbuiten.

3.11.

Ter toelichting op het laatste punt met betrekking tot de pensioenaanspraken overweegt de rechtbank het volgende. De aanspraken voorzover deze zien op de aanvulling van loon in de periode tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de man omvatten in totaal (circa) 18 jaar. Van deze 18 jaar zijn partijen 14 jaar gehuwd geweest. De rechtbank gaat er vanuit dat de schadeloosstelling voorzover deze bedoeld is voor de derving van loon over deze periode, mede ziet op de pensioenopbouw. Tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenvoorzieningen dienen bij de verdeling betrokken te worden, voorzover deze niet onder de Wet pensioenverevening vallen.

3.12.

De rechtbank neemt als uitgangspunt dat de aanspraken jegens de stamrecht B.V. lineair verdeeld dienen te worden over de gehele hierboven sub 3.10 geduide periode, in die zin dat uitgegaan moet worden van vaste maandelijkse uitkeringen over de maanden vanaf 1 oktober 2001. Daarbij dient dan wel een onderscheid gemaakt te worden in de uitkeringen voor 7 december 2017 (hof: 7 december 2019) die het karakter hebben van de suppletie van loon en de uitkeringen na 7 december 2017 (hof: 7 december 2019) die dienen ter aanvulling van het pensioen. De rechtbank is niet in staat om vast te stellen welk gedeelte van de aanspraken dient ter vervanging van loon en welk gedeelte betrekking heeft op het pensioen. Dit zal door een deskundige, bijvoorbeeld een actuaris, moeten worden beoordeeld.

3.13.

Bij de vaststelling van de hoogte van de aanspraken jegens de stamrecht B.V. dient vanzelfsprekend rekening te worden gehouden met de uitkeringen die sinds 2013 reeds zijn gedaan. Deze aanspraken dienen als reeds verzilverd buiten de verdeling worden gelaten.

3.14.

Om praktische redenen zouden partijen bij het vaststellen van de omvang van de aanspraken die in de huwelijksgemeenschap vallen, kunnen aansluiten bij de hoogte van de uitkeringen, zoals deze klaarblijkelijk al sinds 2013 worden gedaan. Partijen gaan dan uit van het navolgende. De maandelijkse uitkering die vanaf 2013 wordt gedaan (Y), maal 218 (het aantal maanden in de periode 1 oktober 2001 tot 7 december 2019) moet worden beschouwd als loonsuppletie over deze periode. De vrouw heeft dan recht op Y x 164 (aantal maanden gefixeerde suppletie tot indiening verzoekschrift) minus reeds uitgekeerde bedragen, gedeeld door 2. De totale waarde van de aanspraken minus de hierboven berekende loonsuppletie wordt geacht betrekking te hebben op de aanvulling van het pensioen. Hiervan komt aan de vrouw toe 14/18e deel gedeeld door 2, dat is dus 7/18e gedeelte.

3.15.

Voor de goede orde overweegt de rechtbank dat het bovenstaande slechts geldt voor de aanspraken jegens [C] B.V., voorzover deze de schadeloosstelling van [B] betreffen. Partijen zijn het er immers over eens dat de aanspraken voorzover deze [E] betreffen in het geheel bij de verdeling betrokken dienen te worden.

3.16.

De rechtbank komt thans toe aan de stelling van de vrouw dat de in [C] B.V. gestorte gelden zijn aangewend voor de aankoop van aandelen van verschillende bedrijven. Volgens de vrouw is de ontbindingsvergoeding aldus aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij was bestemd en is hierdoor de verknochtheid verloren gegaan.

3.17.

De rechtbank onderschrijft de stelling van de vrouw dat aanwending van de schadeloosstelling voor een ander doel dan waarvoor zij was bestemd (suppletie van loon en pensioenaanspraken) met zich brengt dat van verknochtheid geen sprake (meer) kan zijn. Dit zou anders zijn, indien partijen duidelijke afspraken zouden hebben gemaakt over het tijdstip en de wijze van terugbetaling van een aldus ontstane schuld aan de stamrecht B.V., waaruit afgeleid zou kunnen worden dat de stamrecht B.V. inhoud zou hebben kunnen geven aan het doel waarvoor zij is opgericht, maar hierover is door de man niets gesteld.

3.18.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aanspraken jegens [C] B.V., voor zover gelden van deze B.V. zijn aangewend voor de aankoop van aandelen (en waarvoor in de plaats is gekomen een vordering op partijen), bij de verdeling dienen te moeten worden betrokken.

3.19.

Het is de rechtbank echter niet duidelijk wat de hoogte van het bedrag is dat aan [C] B.V. ter financiering van de aandelen is onttrokken. De rekening-courant schuld bedraagt thans € 144.437,--, maar het kan zijn dat partijen hier voor de peildatum al op af hebben gelost. Partijen krijgen de gelegenheid zich hierover uit te laten.

3.20.

Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat alleen indien alle aanspraken jegens [C] B.V. zouden zijn aangewend om aandelen van derde vennootschappen te kopen, al deze aanspraken om deze reden bij de verdeling dienen te worden betrokken. Zo niet, dan blijven de aanspraken van de man op suppletie in de periode 18 mei 2015 tot 7 december 2019 in beginsel aan hem verknocht.

(…)

3.24.

Partijen hebben aan [C] B.V. een schuld van € 144.437,--. De man heeft de betreffende gelden aangewend om zich in te kopen in meerdere bedrijven."

4 De omvang van het geschil

4.1

In hoger beroep zijn in geschil de overwegingen van de rechtbank, zoals hiervoor onder 3.8 weergegeven, voor wat betreft de stamrechtaanspraken van de man in [C] B.V. voor zover deze betrekking hebben op de ontslagvergoeding van [B] , de aanwending van de rekening-courantschuld en de door de rechtbank gehanteerde peildatum.

4.2

De vrouw is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 11 januari 2017. De grieven hebben betrekking op de onder 4.1 genoemde geschilpunten.

De vrouw verzoekt:

Primair

Het hof de man veroordeelt om - uitvoerbaar bij voorraad -:

I. binnen één maand na de ten dezen uit te spreken veroordeling er zorg voor te dragen dat de helft van de (waarde van de) op 31 december 2013 in [C] B.V. opgebouwde stamrechtaanspraken althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie dient te bepalen, wordt afgestort onder een professionele verzekeraar als bedoeld in artikel 7 van de stamrechtovereenkomst 2001, onder de voorwaarden als bedoeld in dat artikel, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat de man in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

Subsidiair:

- indien en voor zover de man deugdelijk stelt en aantoont dat [C] B.V. niet aan het primair gevorderde kan voldoen -

Het hof de man veroordeelt om - uitvoerbaar bij voorraad -:

II. a: de helft van de aan de man met ingang van 1 januari 2014 uitgekeerde bedragen aan stamrechten aan de vrouw te voldoen zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor elke dag dat de man niet binnen 2 weken na betekening van de ten dezen uit te spreken veroordeling daartoe overgaat;

alsmede - vanaf datum dat de man aan de hiervoor onder sub II a uit te spreken veroordeling heeft voldaan -

b: maandelijks de helft van de door [C] aan de man uit te keren bedragen aan de vrouw blijft voldoen zolang [C] verplicht en in staat is aan de man op basis van de onderhavige stamrechtovereenkomsten een uitkering te verstrekken zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per keer dat de man - na deugdelijke ingebrekestelling door de vrouw - in gebreke blijft aan de ten dezen uit te spreken veroordeling te voldoen.

Weshalve:

Het hof de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden d.d. 11 januari 2017 tussen partijen gewezen, vernietigt onder toewijzing van de verzoeken in eerste instantie en wijzigingen daarvan in deze instantie.

4.3

De man heeft verweer gevoerd en is op zijn beurt met zeven grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de onder 4.1 genoemde geschilpunten.

De man verzoekt het hof om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad voor zover wettelijk toelaatbaar:

in het principaal hoger beroep:

de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, haar vorderingen af te wijzen c.q. ongegrond te verklaren dan wel haar deze te ontzeggen;

in het incidenteel hoger beroep:

doende wat de rechtbank in eerste instantie had behoren te doen de verzoeken van de vrouw - voor zover in hoger beroep - in het geding af te wijzen c.q. ongegrond te verklaren dan wel haar deze te ontzeggen.

4.4

De vrouw heeft verweer gevoerd en - kort gezegd - verzocht de op de grieven van de man gebaseerde verzoeken van de man af te wijzen.

4.5

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

de peildatum

5.1

De vrouw stelt zich op het standpunt dat partijen in eerste aanleg een afwijkende peildatum zijn overeengekomen, te weten: 31 december 2013, zodat de rechtbank ten onrechte de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek (18 mei 2015) tot uitgangspunt heeft genomen bij het beantwoorden van de vraag welk gedeelte van de stamrechtaanspraken in de huwelijksgemeenschap vallen. De man heeft een en ander erkend. Dit brengt met zich dat het hof zal uitgaan van 31 december 2013.

de stamrechtaanspraken

5.2

De vraag moet worden beantwoord of en zo ja, in hoeverre de uit de ontslagvergoeding van [B] voortvloeiende stamrechtaanspraken in [C] deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen. Meer in het bijzonder ligt voor de vraag of, en zo ja, in hoeverre de vrouw aanspraak kan maken op de uitkeringen van de man uit de stamrecht-bv op basis van dit stamrecht.

5.3

Op grond van de hoofdregel zoals opgenomen in artikel 1:94 lid 2 (oud) van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) - geldend voor huwelijken die gesloten zijn vóór 1 januari 2018 - omvat de gemeenschap, wat haar baten betreft, alle goederen der echtgenoten, bij aanvang van de gemeenschap aanwezig of nadien, zolang de gemeenschap niet is ontbonden, verkregen, met uitzondering van de onder a. tot en met c. genoemde goederen. Op grond van lid 3 van voornoemd artikel vallen goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.

5.4

Beoordeeld dient te worden of sprake is van verknochtheid. Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad - vlg. onder meer HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293 - hangt het antwoord op de vragen of een goed op de voet van artikel 1:94 lid 3 BW op enigerlei bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht, en zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. In een geval waarin de betrokken echtgenoot de ontslagvergoeding heeft aangewend voor de verwerving van een stamrecht jegens een door hemzelf opgerichte en beheerste B.V., heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of een aanspraak jegens een stamrecht-bv (op periodieke uitkeringen tot vervanging van inkomen dat de betrokken echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten) in de huwelijksgemeenschap valt, dient te worden onderzocht in hoeverre die aanspraak ziet op de periode voor, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Het gaat daarbij - zo overweegt de Hoge Raad - om de strekking van de aanspraak, zodat niet van belang is in hoeverre de rechthebbende deze daadwerkelijk heeft verzilverd.

5.5

Bij de beoordeling of sprake is van verknochtheid is derhalve relevant de beantwoording van de vraag waarop de stamrechtaanspraken betrekking hebben. In de onderhavige zaak verschillen partijen van mening over het antwoord op die vraag. De man stelt onder verwijzing naar de tekst van de stamrechtovereenkomst en de fiscale wetgeving dat de stamrechtaanspraken slechts dienen ter vervanging van het inkomen dat de man bij voortzetting van zijn dienstverband zou hebben genoten. De vrouw heeft dit gemotiveerd weersproken en meent dat de stamrechtaanspraken - naast vervanging van inkomen - dienen als pensioenvoorziening. Zij verwijst onder meer naar de considerans van de 'gouden handdruk stamrechtovereenkomst (flexibel stamrecht)' d.d. 12 oktober 2001 tussen [C] en de man. Het hof is van oordeel dat de man - gelet op het gemotiveerde verweer van de vrouw op dit punt - onvoldoende heeft onderbouwd dat de stamrechtaanspraken uitsluitend betrekking hebben op gederfd of te derven loon. Uit de considerans van de stamrechtovereenkomst leidt het hof af dat de door [B] betaalde schadeloosstelling mede bedoeld was voor de opbouw van pensioenaanspraken. De keuze van de man om de stamrechtaanspraken op een fiscaal gezien zo gunstig mogelijke manier in te richten door deze aan te merken als vervanging van gederfd of te derven loon, leidt niet tot een ander oordeel.

5.6

Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad is het hof van oordeel dat de stamrechtaanspraken voor zover deze betrekking hebben op gelden die dienen te worden toegerekend aan de huwelijkse periode in de huwelijksgemeenschap van partijen vallen en derhalve bij helfte tussen partijen dienen te worden gedeeld. Omdat gesteld noch gebleken is in hoeverre de stamrechtaanspraken betrekking hebben op een inkomens- en/of een pensioencomponent, acht het hof het - in navolging van de rechtbank - redelijk om de stamrechtaanspraken lineair te verdelen. Weliswaar heeft de man daartegen bezwaar gemaakt, maar omdat door hem niet een andere berekeningswijze is voorgesteld, zal het hof aan dit bezwaar voorbijgaan. Voor zover de man heeft willen betogen dat dient te worden uitgegaan van de werkelijke uitkeringen, volgt het hof de man daarin niet nu het blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad gaat om de strekking van de aanspraak en niet van belang is in hoeverre de rechthebbende deze daadwerkelijk heeft verzilverd. Aangezien partijen 31 december 2013 als peildatum zijn overeengekomen, zullen naar het oordeel van het hof de aanspraken tot die datum in de huwelijksgemeenschap van partijen vallen en daarom als zodanig in de beoordeling dienen te worden betrokken.

5.7

Als beginpunt heeft te gelden 1 oktober 2001 (datum einde dienstverband van de man bij [B] ) en als eindpunt heeft te gelden 7 december 2019 (de datum waarop de man de 65-jarige leeftijd bereikt). Hoewel de man heeft aangevoerd dat de AOW-gerechtigde leeftijd thans hoger ligt dan waarvan bij het sluiten van de stamrechtovereenkomst werd uitgegaan, ziet het hof geen aanleiding om van een van de stamrechtovereenkomst afwijkende datum uit te gaan. De man stelt weliswaar - onder verwijzing naar het rapport van 24 april 2017 van drs. [F] - dat bij een uitkering wegens gederfd loon de theoretische looptijd tot 22 juni 2033 loopt, doch nu enige toelichting op dit punt ontbreekt zal het hof ook aan deze stelling van de man voorbijgaan.

5.8

Uitgaande van het voorgaande hebben de stamrechtaanspraken met betrekking tot de ontslagvergoeding van [B] betrekking op de periode van 1 oktober 2001 tot 7 december 2019, derhalve in totaal 218,23 maanden. Daarvan vallen 147 maanden voor de peildatum (31 december 2013) en 71,23 maanden na de peildatum. Dit betekent dat 147/218,23e deel van de stamrechtaanspraken bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen dienen te worden betrokken. 71,23/218,23e deel van de stamrechtaanspraken dienen als aan de man verknocht te worden aangemerkt. Dit betekent dat de vrouw een bruto aanspraak heeft op de helft van 147/218,23e deel van de stamrechtaanspraken (dit komt neer op afgerond 34%), te vermeerderen met het op haar aanspraak betrekking hebbende deel van het rendement.

5.9

Daarop dient, naar het oordeel van het hof, in mindering te worden gebracht hetgeen reeds feitelijk is genoten. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de feitelijke samenleving tussen partijen op 2 februari 2013 is verbroken en zij tot die datum een gezamenlijke huishouding voerden. Dit betekent dat de uitkeringen die tot die datum zijn gedaan reeds ten goede zijn gekomen aan de huwelijksgemeenschap van partijen, waarvan de helft op voornoemde aanspraak van de vrouw in mindering dient te worden gebracht. Voorts staat vast dat er in de jaren 2001 tot en met 2010 jaarlijks een bedrag van € 454,- is uitgekeerd, derhalve in totaal € 4.540,-. Vanaf (22 maart) 2011 wordt een bedrag van € 86.000,- per jaar uitgekeerd. Het hof is van oordeel dat slechts de uitkering over de jaren 2011 en 2012 bij de beoordeling dient te worden betrokken, nu de uitkering in 2013 heeft plaatsgevonden na het verbreken van de feitelijke samenleving van partijen en derhalve niet meer ten goede is gekomen aan de huwelijksgemeenschap van partijen. Weliswaar staan deze uitkeringen niet als zodanig op de aangifte inkomstenbelasting van de man vermeld, maar de man heeft ter zitting voldoende toegelicht dat de stamrechtuitkering van € 86.000,- per jaar aan hem met terugwerkende kracht is toegekend vanaf 22 maart 2011. Het vorenstaande brengt met zich dat een bedrag van € 76.503,- (€ 4.540,- + (€ 86.000,- : 365 x 285 = afgerond) € 62.466,- + € 86.000,- = € 153.006,- : 2) op de aanspraak van de vrouw in mindering dient te worden gebracht.

5.10

Voorts ligt ter beoordeling aan het hof voor de stelling van de vrouw dat de man na de peildatum via de stamrecht-bv aandelen in [G] B.V. heeft verworven (te weten: op 28 mei 2014), hetgeen er volgens de vrouw toe heeft geleid dat het verknochte gedeelte van de stamrechtenaanspraken in de stamrecht-bv niet langer als verknocht kunnen worden aangemerkt nu dat voor een ander doel is aangewend dan waarvoor het was bestemd. Zij verwijst in dit kader naar de uitspraak van dit hof van 10 december 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:9886).

5.11

Het hof is - anders dan de rechtbank - van oordeel dat, nog daargelaten het antwoord op de vraag of de investering die heeft plaatsgevonden na de peildatum van 31 december 2013 bij de beoordeling van de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap van partijen dient te worden betrokken, niet valt in te zien waarom de stamrecht-bv vanwege de aankoop van aandelen in [G] B.V. niet meer in staat is c.q. zal zijn aan de verplichtingen op grond van de stamrechtovereenkomst te voldoen. In de door de vrouw aangehaalde zaak van dit hof was de stamrecht-bv juist niet in staat haar verplichtingen na te komen. Anders dan de vrouw heeft betoogd, is niet gebleken dat de onder het stamrecht-bv afgestorte gelden in hun geheel zijn aangewend voor de aankoop van aandelen in [G] B.V. (nu hiermee een bedrag van € 705.885,- was gemoeid) en kan - gelet op het gemotiveerde verweer van de man op dit punt - ook niet worden geconcludeerd dat de ontbindingsvergoeding voor een ander doel is aangewend dan waarvoor deze was bestemd. Zo heeft de man aangegeven dat de stamrecht-bv een beleggingsvrijheid kent en de deelneming in [G] B.V. er op is gericht om door middel van deze investering te bewerkstelligen dat aan de doelstelling van de stamrecht-bv kan worden voldaan (te weten: het behalen van het in artikel 5 van de stamrechtovereenkomst genoemde rendement). Volgens de man is de vermogenspositie van de stamrecht-bv juist verbeterd in de afgelopen jaren. Het hof zal derhalve ook aan deze stelling van de vrouw voorbij gaan.

de rekening-courantschuld

5.12

Partijen zijn het erover eens dat de rekening-courantschuld bij de stamrecht-bv niet is ontstaan door de verwerving van de aandelen in [G] B.V. De bestreden beschikking kan derhalve ook in zoverre niet in stand blijven.

het verzoek tot terugverwijzen

5.13

Mr. Van Dalen heeft ter zitting - onder verwijzing naar de artikelen 355 en 356 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) - verzocht om de zaak, na een beoordeling van de grieven, terug te verwijzen naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, nu de verdeling van de huwelijksgemeenschap, met uitzondering van de onderhavige punten, in zijn geheel aan de rechtbank voorligt. Het hof zal artikel 356 Rv analoog toepassen, gelet op de aard van het geschil en de zaak (inclusief de door partijen gedane verzoeken, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 4.2 en 4.3) terug verwijzen naar de rechtbank voor verdere behandeling met inachtneming van hetgeen door het hof in deze beschikking is overwogen teneinde partijen het recht op twee feitelijke instanties niet te onthouden.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het beslissen als na te melden.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure betrekking heeft op de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden voor verdere behandeling met inachtneming van hetgeen door het hof in deze beschikking is overwogen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G. Jonkman, B.J.H. Hofstee en C. Koopman, bijgestaan door mr. R.J. Krist als griffier, en is op 6 februari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.