Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1273

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
WAHV 200.189.770
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verzoek van de gemachtigde aan de officier van justitie om terug te komen op zijn beslissing op het administratief, is niet een verzoek om een besluit te nemen als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb. Het verzoek is daarom niet een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, Awb. De reactie van de Minister op dat verzoek is daarom geen besluit, zodat

daartegen geen rechtsmiddelen openstaan. De kantonrechter had zich daarom onbevoegd moeten verklaren om kennis te nemen van het beroep dat de gemachtigde daartegen heeft ingediend. De beslissing van de kantonrechter wordt daarom vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.189.770

8 februari 2018

CJIB 173261633

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel

van 8 maart 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de minister van veiligheid en justitie van 15 april 2014 en de beslissing van de officier van justitie van

24 april 2015 ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

  1. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking van 2 juli 2013 een administratieve sanctie opgelegd. Daartegen heeft de gemachtigde van de betrokkene op 11 augustus 2013 administratief beroep ingesteld. De officier van justitie heeft dat beroep bij beslissing van 13 december 2013 ongegrond verklaard. De gemachtigde heeft bij schrijven van 24 december 2013 beroep ingesteld bij de kantonrechter tegen die beslissing van de officier van justitie.

  2. Bij brief van 13 januari 2014 heeft de gemachtigde de officier van justitie verzocht om vernietiging van de beschikking, omdat het ingediende beroepschrift nog niet aan de kantonrechter is doorgezonden. De officier van justitie heeft bij brief van 31 januari 2014 meegedeeld dat hij geen reden ziet om op zijn beslissing op het administratief beroep terug te komen. Op 3 februari 2014 heeft de gemachtigde daartegen bezwaar ingediend. De Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) heeft dat bezwaar bij beslissing van 15 april 2014 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De gemachtigde heeft op 29 april 2014 beroep ingesteld bij de kantonrechter tegen dat besluit en verzocht om een proceskostenveroordeling. Na de zitting van 26 juni 2014 bij de kantonrechter heeft de officier van justitie op 3 november 2014 een verweerschrift ingediend. Bij brief van 6 maart 2015 heeft de gemachtigde hierop gereageerd. Op 24 april 2015 heeft de officier van justitie de beslissing van 15 april 2014 herroepen.

  3. De kantonrechter heeft bij de beslissing van 8 maart 2016, waarvan thans beroep, geconcludeerd dat hij bevoegd is om over het beroep te oordelen. Voorts heeft hij overwogen dat, dat doende, noch tegen de reactie van de minister op het verzoek tot heroverweging noch tegen de reactie van de officier van justitie op dat verzoek een rechtsmiddel open stond, zodat de betrokkene terecht kennelijk door hen niet ontvangen werd in zijn bezwaar en het beroep tegen beide beslissingen ongegrond moet worden verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek tot het toekennen van een proceskostenvergoeding afgewezen.

  4. De gemachtigde is van mening dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. Hij voert daartoe aan dat beroep bij de kantonrechter is ingesteld en dat hangende dit beroep de beslissing van de minister van 15 april 2014 is herroepen en dat daarom sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, hetgeen een proceskostenvergoeding met zich mee had behoren te brengen. Voorts stelt de gemachtigde dat de kantonrechter ten onrechte de beslissingen van 15 april 2014 en 24 april 2015 in stand heeft gelaten, omdat de herroeping en vervanging van het besluit van 15 april 2014 van de minister door de beslissing van de officier van justitie van 24 april 2015 onbevoegd is geschied. Gelet hierop bestaan er twee beslissingen ten aanzien van hetzelfde bezwaarschrift. Daarnaast is de motivering van de beslissing van de officier van justitie van 24 april 2015, dat tegemoetkoming aan het bezwaar in strijd zou zijn met de wet, onjuist.

  5. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat onder beschikking wordt verstaan een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. Onder aanvraag wordt, ingevolge het derde lid van dit artikel, verstaan een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld met een besluit. Artikel 6:12 Awb geeft regels omtrent het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

6. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat het verzoek van de gemachtigde met betrekking tot het vernietigen van de inleidende beschikking, in zijn brief van 13 januari 2014, moet worden aangemerkt als een verzoek aan de officier van justitie om terug te komen op zijn beslissing op het administratief beroep. De officier van justitie heeft, hangende de behandeling van het beroep bij de kantonrechter, in het kader van de herbeoordeling de ambtshalve bevoegdheid om terug te komen op zijn beslissing op het administratief beroep. De Wahv kent echter niet de mogelijkheid voor een betrokkene om de officier van justitie te verzoeken van die bevoegdheid gebruik te maken. Het verzoek van de gemachtigde betreft derhalve niet een verzoek om een besluit te nemen, zodat geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb (vgl. het arrest van het hof d.d.
24 november 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL: 2016:9413).

7. Een en ander brengt mee dat de reactie van de minister op dat verzoek van de gemachtigde, zoals verwoord in de brief van 3 februari 2014, ook niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden gekwalificeerd, en dat tegen een dergelijke reactie geen rechtsmiddelen openstaan. De kantonrechter had zich daarom onbevoegd moeten verklaren om kennis te nemen van het beroep dat de gemachtigde naar aanleiding van het schrijven van de minister van 15 april 2014 heeft ingediend.

8. Gelet op het vorenstaande kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven en zal het hof die beslissing vernietigen.

9. Nu de beslissing van de kantonrechter op grond van het voorgaande wordt vernietigd, behoeven de door de gemachtigde naar voren gebrachte bezwaren ten aanzien van die beslissing, inhoudende dat de kantonrechter ten onrechte de beslissingen van 15 april 2014 en 24 april 2015 in stand heeft gelaten, geen bespreking meer. Voorts is er, gelet op het oordeel dat de kantonrechter zich in deze onbevoegd had moeten verklaren, geen aanleiding om te oordelen dat de gemachtigde in de fase bij de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekomt. Dit verweer van de gemachtigde wordt derhalve verworpen.

10. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft in hoger beroep de volgende proceshandeling verricht: het indienen van hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt per 1 januari 2018 € 501,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 250,50 (= 1 x € 501,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter van 8 maart 2016;

verklaart de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van het beroep dat de gemachtigde naar aanleiding van de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 15 april 2014 heeft ingesteld;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten in hoger beroep van de betrokkene tot een bedrag van € 250,50,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.