Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1170

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
200.159.149/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg hypotheekakte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2018/284 met annotatie van prof. mr. J.W.A. Biemans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.159.149

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad 339635)

arrest van 6 februari 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie/verweerster in reconventie,

hierna: [appellante] ,

advocaat mr. K. Meijer,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie/eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat mr. L.A. van Kooten-Hendriks.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van de rolbeschikking van 25 augustus 2015 hier over.

1.1.

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van antwoord in incidenteel appel;

- de schriftelijke pleidooien van partijen.

1.1.

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

1 De vaststaande feiten

1.1.

[appellante] en [ex-partner] zijn buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Partijen wonen sinds 2009 gescheiden. Op 22 juli 2011 is de beschikking waarin de echtscheiding werd uitgesproken, ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.1.

[ex-partner] is directeur van de rechtspersoon naar buitenlands recht [bedrijf] Ltd.

1.1.

[appellante] is eigenaresse van de voormalige echtelijke woning van [appellante] en [ex-partner] aan [adres] (hierna: de woning).

1.1.

Een brief d.d. 15 september 2009 van [bedrijf] , vertegenwoordigd door [ex-partner] , aan [geïntimeerde] luidt onder meer als volgt:

“Hierbij bevestigen wij met u het volgende te zijn overeengekomen:

1. u zult ons met ingang van heden een zakelijke lening verschaffen tot een bedrag van € 265.000-- (…) ter medefinanciering van ons project (…);

2. op het uitstaande bedrag van de lening zullen wij een rente vergoeden van 1% per maand, waarbij de rente eens in de zes maanden zal worden betaald, derhalve telkens op 15 maart en 15 september;

3. de lening zal een looptijd hebben van drie jaren en dient derhalve geheel afgelost te zijn op 15 september 2012; vervroegde aflossing zal te allen tijde mogelijk zijn zonder boetebeding;

4. (...)

5. ter meerdere zekerheid zal te uwen gunste een hypothecaire zekerheidstelling worden opgemaakt waarbij het woonpand van [ex-partner] en [appellante] aan de [adres] als extra zekerheid voor de lening zal worden gesteld. Zodra de lening door ons aan u zal zijn afgelost, zal deze extra zekerheid komen te vervallen. (…)”

1.1.

Bij notariële akte van 15 september 2009 (hierna: de hypotheekakte) heeft [appellante] ten behoeve van [ex-partner] en ten gunste van [geïntimeerde] een hypotheek op de woning gevestigd. De hypotheek is verleend tot een bedrag van € 265.000 te vermeerderen met rente en kosten, tezamen begroot op 50% van dit bedrag, derhalve tot een totaalbedrag van € 397.500. In de hypotheekakte is, voor zover van belang het volgende opgenomen:

“1. a. de heer [ex-partner] (...)

b. mevrouw [appellante] (…)

- de verschenen persoon sub 1.a hierna te noemen: “schuldenaar” en de verschenen persoon sub 1.b hierna te noemen: “hypotheekgever”

2. de heer [geïntimeerde] (...)

- hierna te noemen: “schuldeiser”.

De verschenen personen verklaarden:

GELDLENING

Tussen schuldeiser en schuldenaar zal een overeenkomst van geldlening worden aangegaan. De voorwaarden en bepalingen van deze overeenkomst van geldlening zullen bij afzonderlijke overeenkomst worden vastgelegd.

Als zekerheid voor de geldlening zal door schuldenaar aan schuldeiser een hypotheekrecht worden verleend.

HYPOTHEEKVERLENING EN VERPANDING

Overeenkomst tot vestiging van hypotheek- en pandrecht.

De schuldenaar en de schuldeiser zijn overeengekomen dat ten behoeve van de schuldeiser het recht van hypotheek en pandrecht worden gevestigd op de in deze akte en in na te melden Algemene Voorwaarden omschreven goederen, tot zekerheid als in deze akte omschreven.

Hypotheekverlening

Ter uitvoering van voormelde overeenkomst verleent de hypotheekgever aan de schuldeiser hypotheek tot het hierna te noemen bedrag op het hierna te noemen onderpand, tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser blijkens zijn administratie van de schuldenaar te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welke andere hoofde dan ook.

(...)

Hypotheekbedrag

Vermelde hypotheek is verleend tot een bedrag van

tweehonderdvijfenzestigduizend euro (€ 265.000,00), te vermeerderen met renten en kosten, welke renten en kosten te zamen worden begroot op vijftig procent (50%) van gemeld bedrag, derhalve tot een totaalbedrag van driehonderdzevenennegentigduizend vijfhonderd euro (€ 397.500,00) op:

Onderpand

het woonhuis met ondergrond, garage, erf, tuin en verder aanbehoren, staande en gelegen te [adres] (…)

Eigendomsverkrijging/voorbelasting

Gemelde onroerende zaak:

- - werd door de verschenen persoon sub 1.b in eigendom verkregen (...)

Toestemming

De verschenen personen sub 1 a en b verlenen elkaar voor zover nodig over en weer tot het vorenstaande toestemming als bedoeld in artikel 88 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. (…)”

1.1.

Op 11 juni 2010 is vanaf de bankrekening van [appellante] de geldlening van € 265.000, vermeerderd met rente, afgelost. Hiertoe is een bedrag van € 287.500 op de bankrekening van [geïntimeerde] overgemaakt.

1.1.

[geïntimeerde] heeft na 15 september 2009 driemaal een overeenkomst van geldlening (hierna ook: de drie geldleningsovereenkomsten) met [ex-partner] gesloten op grond waarvan [geïntimeerde] op 20 september 2010 een bedrag van € 25.000, op 15 februari 2011 een bedrag van € 25.000 en op 20 april 2011 een bedrag van € 50.000 aan [ex-partner] heeft geleend. In deze drie, door [ex-partner] voor akkoord getekende geldleningsovereenkomsten is, voor zover van belang, telkens het volgende opgenomen:

“4. ter meerdere zekerheid zal deze leningovereenkomst worden verbonden aan de bestaande hypothecaire zekerheidsstelling die te uwen gunste is opgemaakt waarbij mijn aandeel in het woonpand aan de [adres] als extra zekerheid voor de lening zal worden gesteld. Zodra deze lening door mij aan u zal zijn afgelost, zal deze extra zekerheid komen te vervallen.”

1.1.

Bij brief van 15 november 2011 heeft [appellante] [geïntimeerde] verzocht om over te gaan tot doorhaling van (het recht van) hypotheek. Bij brief van 22 november 2011 heeft [geïntimeerde] [appellante] laten weten daartoe niet over te zullen gaan. In de brief staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(...) De doorhaling kan pas plaatsvinden als de drie openstaande leningen van totaal Euro 100.000 exklusief de lopende rente zijn afgelost. Deze leningen zijn verleend aan de heer [ex-partner] , genoemd als schuldenaar in de akte van hypotheekverlening. Zodra bovengenoemde leningen inklusief rente zijn gestort op rekening (…) zal ik onmiddellijk de op 10 november j.1. door mevrouw [appellante] op mijn woonadres afgegeven volmacht tot opzegging van hypotheek naar notaris de Haas ten Broecke sturen zodat doorhaling van de hypotheek kan plaatsvinden. (...)”

1.1.

Notaris mr. H.C.D. ten Broecke heeft de (toenmalige) advocaat van [appellante] bij brief van 20 februari 2012 onder meer het volgende bericht:

“(…) De meer algemene hypotheekclausule – ook zekerheid voor toekomstige schulden – is uitsluitend ten behoeve van partijen geschreven om in de toekomst, zouden zij toch opnieuw met elkaar zaken willen doen, zonder tussenkomst van de notaris met hypothecaire zekerheid een geldlening aan te gaan. De clausule heeft niet beoogd reeds bij aanvang een algemeen zekerheid aan de heer [geïntimeerde] te verlenen, waar later een beroep op zou kunnen worden gedaan zonder nadere overeenkomst waarbij mevrouw [appellante] partij was. (…) De akte werd destijds ondertekend door alle partijen persoonlijk, na de akte volledig te hebben doorgenomen en toegelicht, zodat de heer [geïntimeerde] uit de toelichting op die akte bekend was met de bijzondere situatie in deze, namelijk dat uitsluitend de heer [ex-partner] debiteur was voor de geldlening terwijl mevrouw [appellante] de volledige eigenaar van het onderpand was. (…)”

1 De motivering van de beslissing

1.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg in conventie, kort gezegd, gevorderd (i) een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door als voorwaarde voor de doorhaling van de hypotheek te eisen dat de drie geldleningen van € 100.000 zijn afgelost, (ii) terugbetaling van het aan [geïntimeerde] betaalde bedrag van € 100.000 met wettelijke rente, (iii) betaling van schade nader op te maken bij staat en (iv) veroordeling van [geïntimeerde] om mee te werken aan doorhaling van de hypothecaire inschrijving op het woonhuis van [appellante] een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de proces- en nakosten. De rechtbank heeft de vordering onder (iv) toegewezen en de overige vorderingen afgewezen. [appellante] vordert het vonnis van 19 maart 2014 te vernietigen voor wat betreft de afwijzing van haar in conventie ingestelde vorderingen en om deze voor het overige te bekrachtigen. Zij heeft haar eis in hoger beroep voorts gewijzigd in die zin dat voor het gevorderde bedrag van € 100.000 wordt gelezen € 126.983,55 te vermeerderen met wettelijke rente van 20 juli 2012. [geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering van eis van in hoger beroep. Nu het hof de wijziging van eis ook niet in strijd acht met een goede procesorde, zal recht worden gedaan met inachtneming van de gewijzigde eis.

1.1.

[geïntimeerde] vordert na wijziging van de eis (in reconventie) een verklaring voor recht dat (i) de kosten die [geïntimeerde] voor de onderhavige procedure en de procedure in eerste aanleg heeft moeten maken en de kosten voor eventuele andere eerdere en (eventuele) toekomstige procedures die betrekking hebben op het handhaven en/of uitoefenen van zijn recht tot incasso van de vordering van [geïntimeerde] op [ex-partner] op grond van de drie geldleningsovereenkomsten en het daarmee samenhangende (voormalig) hypotheekrecht op de (voormalige) woning van [appellante] , onder de destijds door [appellante] verleende hypothecaire zekerheid vallen en (ii) dat [appellante] gehouden is deze kosten te betalen alsook (iii) veroordeling van [appellante] tot betaling van € 31.000 wegens gemaakte (proces)kosten.

[appellante] heeft zich tegen deze eiswijziging verzet. Bij rolbeschikking van 25 augustus 2015 zijn de bezwaren van [appellante] verworpen en is beslist dat recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis van [geïntimeerde] .

1.1.

Tussen partijen is onder meer in geschil hoe de hypotheekakte moet worden uitgelegd. [appellante] stelt dat het de bedoeling van partijen was dat de hypotheek alleen voor de lening van € 265.000 zou gelden. [geïntimeerde] betwist dit en beroept zich op de tekst van de akte onder het kopje ‘Hypotheekverlening’.

Volgens vaste rechtspraak (HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511) komt het bij de uitleg van een notariële akte (die strekt tot het vestigen van een beperkt recht op een onroerende zaak) aan op de partijbedoeling voor zover die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht en moet deze bedoeling worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Volgens dezelfde vaste rechtspraak geldt dit evenwel niet voor de uitleg van obligatoire afspraken in de hypotheekakte die alleen een rol spelen in de verhouding tussen de oorspronkelijke contractspartijen. In het onderhavige geval ziet het geschil van partijen niet op hetgeen in de hypotheekakte is vermeld ter zake van de vestiging van het hypotheekrecht zelf, maar op de vraag of partijen zijn overeengekomen dat de hypotheek alleen zou gelden voor de geldleningsovereenkomst van € 265.000. Bij de beantwoording van de vraag wat de inhoud is van de op dit punt door partijen gemaakte obligatoire afspraken komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze afspraken mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, zulks in het licht van alle omstandigheden van het geval (de Haviltex-maatstaf). Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen mag worden verwacht. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de gebruikte bewoordingen, gelezen in de context van het geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van de schriftelijke weergave van de afspraken vaak wel van groot belang.

1.1.

In de hypotheekakte is, onder ‘Hypotheekverlening’, vermeld dat [appellante] aan [geïntimeerde] hypotheek verleent op haar woning tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen [geïntimeerde] blijkens zijn administratie van [ex-partner] te vorderen heeft of mocht hebben ‘uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen’. [appellante] stelt daar tegenover dat het de bedoeling van partijen is geweest om de notariële akte slechts als vangnet te laten dienen voor de concrete geldleningsovereenkomst van 15 september 2009 van € 265.000 en dus niet voor latere, aanvullende geldleningen. Zij wijst er daarbij op dat de hypotheekakte van één geldlening spreekt en dat de hypotheeksom € 265.000 bedraagt. Zij beroept zich voorts op de brief van 15 september 2009 van [bedrijf] aan [geïntimeerde] (rov. 2.4) en op een (door [geïntimeerde] betwiste) brief van diezelfde datum van [bedrijf] aan [appellante] waarin staat dat de extra zekerheid van een hypothecaire zekerheidstelling alleen ten behoeve van de lening van € 265.000 wordt verstrekt. [appellante] verwijst in dit verband voorts naar de schriftelijke verklaring van de betrokken notaris van 20 februari 2012 (rov. 2.9).

1.1.

Het hof is van oordeel dat met de verklaring van de notaris in samenhang met de tekst van de hypotheekakte – waarin één geldlening wordt genoemd terwijl de hypotheeksom gelijk is aan het bedrag van die geldlening – alsook de brief van 15 september 2009 aan [geïntimeerde] (2.4) – waaruit blijkt dat de hypotheek volgens [bedrijf] alleen bedoeld was voor de geldlening van € 265.000 – voorshands bewezen is dat de hypotheek alleen zou dienen als zekerheid voor de geldleningsovereenkomst van € 265.000 (met rente en kosten). [geïntimeerde] zal, overeenkomstig zijn bewijsaanbod, worden toegelaten tot tegenbewijslevering.

1.1.

In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

1 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [geïntimeerde] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands bewezen feit dat de hypotheekakte zo moet worden uitgelegd dat die alleen strekt tot zekerheid van de geldlening van € 265.000 (met rente en kosten);

bepaalt dat, indien [geïntimeerde] uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, hij die stukken op de roldatum 6 maart 2018 in het geding dient te brengen,

bepaalt dat, indien [geïntimeerde] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. B.J. Engberts, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [geïntimeerde] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op 20 februari 2018 waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [geïntimeerde] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat, in het geval er getuigen worden voorgebracht, partijen samen met hun advocaten bij het verhoor van de getuigen aanwezig zullen zijn om partijen zelf zo nodig nadere inlichtingen te laten geven over de punten waarover de getuigen zullen worden gehoord en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, F.J.P. Lock en B.J. Engberts en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2018.