Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:11271

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
200.228.440
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling partneralimentatie. Personeelslening; afschaffing nihilwaardering, rentevoordeel gerekend tot loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.228.440

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 422524 en 428071)

beschikking van 6 september 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. N.J. Hos te Amersfoort,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 augustus 2017, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 30 november 2017.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 18 mei 2018 plaatsgevonden. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De man is niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn op [trouwdatum] te [plaats] met elkaar gehuwd.

Bij beschikking van [scheidingsdatum] heeft de rechtbank Midden-Nederland de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Met de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in december 2017 in de registers van de burgerlijke stand is het huwelijk ontbonden. Ten tijde van de inschrijving woonden partijen beiden nog in de echtelijke woning.

3.2

Partijen zijn de ouders van de inmiddels meerderjarige kinderen:

- [kind 1] , geboren op [geboortedatum 1] te [plaats] en

- [kind 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [plaats] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – bestreden beschikking van 30 augustus 2017 is, voor zover thans van belang, de door de vrouw aan de man te betalen uitkering in

de kosten van levensonderhoud van de man (hierna ook: partneralimentatie) bepaald op

€ 1.322,- per maand, dit met ingang van de dag waarop de man de echtelijke woning zal hebben verlaten en is uitgeschreven van het adres van de vrouw, maar niet eerder dan de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4.2

De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 30 augustus 2017. De grieven 1 en 2 zien op de behoefte van de man. Grief 3 ziet op de draagkracht van de vrouw. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze betrekking heeft op de onder 4.1 genoemde beslissing en in zoverre opnieuw beschikkende te beslissen dat de door de vrouw aan de man te betalen partneralimentatie, met ingang van de dag waarop de man de echtelijke woning zal hebben verlaten en is uitgeschreven van het adres van de vrouw, maar niet eerder dan de dag van de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, wordt vastgesteld primair op € 600,- bruto per maand, subsidiair op een bedrag dat het hof juist oordeelt.

4.3

De man heeft geen verweer gevoerd.

4.4

Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

IPR-overweging

5.1

Nu partijen allebei in Nederland wonen is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het alimentatieverzoek.

5.2

Op grond van artikel 3 van het Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 23 november 2007 zal het hof het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie, nu de onderhoudsgerechtigde de gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

ingangsdatum

5.3

De ingangsdatum is niet in geschil. Het hof zal daarom evenals de rechtbank heeft gedaan de partneralimentatie vaststellen met ingang van de dag waarop de man de echtelijke woning zal hebben verlaten en is uitgeschreven van het adres van de vrouw.

hoogte van de behoefte man

5.4

De vrouw stelt in de grieven 1 en 2 de hoogte van de huwelijksgerelateerde behoefte van de man ter discussie. Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw meegedeeld dat voor de berekening van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen tijdens hun huwelijk aangesloten kan worden bij het door de rechtbank gehanteerde netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen van € 3.200,- per maand. Het hof zal daarom uitgaan van dat netto besteedbaar gezinsinkomen. De vrouw heeft gesteld dat de man feitelijk niet of nauwelijks uitgaven deed tijdens het huwelijk omdat partijen heel zuinig leefden, mede omdat hun meerderjarige kinderen gedeeltelijk financieel afhankelijk van partijen waren. De vrouw heeft gesteld dat daarom voor de behoefte van de man aangesloten dient te worden bij de normen voor een alleenstaande AOW-er. Het hof is van oordeel dat deze normen voor het bepalen van de mate van welstand waarin partijen tijdens het huwelijk hebben geleefd en de reële of met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde niet bepalend zijn.

De rechtbank is op grond van de door de man overgelegde behoeftelijst tot een huwelijksgerelateerde behoefte van de man gekomen van € 1.386,- per maand. Het hof is van oordeel dat bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 3.200,- (en zelfs bij het door de vrouw in haar beroepschrift genoemde netto besteedbaar gezinsinkomen van
€ 3.148,-, bestaande uit een bedrag van € 2.768,- aan inkomsten van de vrouw en een bedrag van € 380,- aan inkomsten van de man) een huwelijksgerelateerde behoefte van € 1.386,- niet onredelijk voorkomt en stelt de netto behoefte van de man vast op € 1.386,- per maand. De grieven 1 en 2 worden in zoverre verworpen.

behoeftigheid

5.5

De man stelt dat hij niet in die behoefte kan voorzien. Van behoeftigheid is sprake als de man niet voldoende inkomsten heeft tot zijn levensonderhoud, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.

Tussen partijen is niet in geschil dat vanaf 17 juni 2017 de man een AOW-uitkering zal ontvangen van € 4.834,11 per jaar, oftewel € 379,31 per maand en een ouderdomspensioen van € 9,53 per jaar, oftewel € 0,74 per maand. In totaal bedragen zijn inkomsten afgerond € 380,- bruto per maand.

De vrouw heeft gesteld dat bij de inkomsten van de man opgeteld dienen te worden zijn aanspraak op huurtoeslag en de zorgtoeslag. Haar grief slaagt ook op dit punt niet omdat de huurtoeslag en de zorgtoeslag overheidsbijdragen zijn van aanvullende aard, waarvan het karakter meebrengt dat die bijdragen buiten beschouwing moeten worden gelaten bij het vaststellen van de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan een uitkering tot levensonderhoud.

5.6

De man is alleenstaand. Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting.

5.7

Gelet op de leeftijd van de man, de inkomsten, het vermogen en de mogelijkheid waarin de man in staat kan worden geacht zich in redelijkheid inkomsten te kunnen verwerven om in het eigen levensonderhoud te voorzien, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de man behoefte heeft aan een door de vrouw te betalen partneralimentatie van € 1.295,- (bruto) per maand (zie berekening I).

draagkracht van de vrouw

5.8

De vrouw stelt in grief 3 dat haar draagkracht niet toereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man te betalen. De rechtbank is uitgegaan van een onjuist inkomen omdat in de jaaropgave 2016 bij het fiscale loon ten onrechte rekening is gehouden met de personeelslening die de vrouw heeft bij haar werkgever, terwijl dit geen inkomen is. De rechtbank is daarom ten onrechte uitgegaan van een belastbaar loon van € 53.860,-. De rechtbank heeft daarnaast ten onrechte rekening gehouden met jaarlijkse huuropbrengsten van € 6.000,- (het hof begrijpt: € 3.000,-) die de vrouw zou ontvangen van twee woningen in [plaats] , terwijl zij van deze woningen geen huur ontvangt en de woningen in verband met heel veel achterstallig onderhoud niet kunnen worden verhuurd. Tot slot heeft de rechtbank ten onrechte het standpunt van de vrouw dat zij ook de twee meerderjarige zonen van partijen in hun levensonderhoud voorziet terzijde geschoven.

5.9

Voor de beoordeling van de stelling van de vrouw over de invloed van de personeelslening die de vrouw bij haar werkgever heeft op het inkomen van de vrouw overweegt het hof het volgende. Tot 1 januari 2016 gold een nihilwaardering voor eigenwoningleningen. Een onderhoudsplichtige die personeelskorting kreeg op de hypotheekrente hoefde hierover geen loonheffing te betalen omdat het als loon te waarderen voordeel van de rentekorting bij de aangifte van de inkomstenbelasting volledig mocht worden afgetrokken als kosten met betrekking tot een eigen woning. Als de verleende rentekorting zou zijn belast als loon, zou daar een even grote aftrek voor de heffing van inkomstenbelasting tegenover hebben gestaan. De overheid heeft per 1 januari 2016 deze nihilwaardering afgeschaft. Gevolg hiervan is dat het rentevoordeel met ingang van 1 januari 2016 tot het loon van de werknemer gerekend moet worden. Het in de salarisspecificatie genoemde belaste rentevoordeel wordt in de draagkrachtberekening bij het inkomen opgeteld en wordt vervolgens bij de aftrekbare hypotheekrente meegenomen.
Gelet op het voorgaande en op basis van de bij het hof beschikbare gegevens faalt de grief van de vrouw dat van een onjuist inkomen is uitgegaan doordat in de jaaropgave 2016 bij het fiscale loon ten onrechte rekening is gehouden met de personeelslening die de vrouw heeft bij haar werkgever, terwijl dit geen inkomen is. Het hof overweegt daarnaast nog het volgende. De vrouw heeft verzocht uit te gaan van het bruto maandsalaris zoals vermeld op de salarisstroken van januari en februari 2017, zonder het daarop opgenomen voordeel personeelslening, en daarbij het vakantiegeld en een dertiende maand op te tellen. Het hof wijst dit verzoek af, nu gelet op het voorgaande wel uitgegaan wordt van het fiscale loon inclusief de personeelslening. Nu er – bij het ontbreken van de jaaropgave 2017 – geen reden is om een ander inkomen te hanteren dan het door de rechtbank gehanteerde bruto jaarinkomen van € 53.860,- overeenkomstig de jaaropgaaf 2016 (immers, het fiscale loon van de salarisstroken van januari 2017 en februari 2017 inclusief dertiende maand en vakantiegeld komt nagenoeg overeen met eerdergenoemd bruto jaarinkomen van € 53.860,-) faalt de derde grief in zoverre.

5.10

Ten aanzien van vermeende huurinkomsten van de vrouw wordt het volgende overwogen. De vrouw heeft nadrukkelijk betwist dat zij uit de woningen in [plaats] huurinkomsten ontvangt. De man heeft geen stukken aangeleverd waaruit deze huurinkomsten zouden blijken. Ter zitting heeft de vrouw gemotiveerd aangevoerd dat het voor haar onmogelijk is om stukken aan te leveren over deze woningen, omdat deze woningen zich in [plaats] bevinden. Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende gemotiveerd betwist heeft dat zij inkomsten uit huur ontvangt van de woningen in [plaats] . Grief 3 slaagt daarom in zoverre. Dit betekent dat het hof bij de berekening van de draagkracht van de vrouw geen inkomsten uit verhuur zal betrekken.

5.11

Ten aanzien van de kosten van de kinderen heeft de rechtbank onder 3.41 op juiste wijze en gronden de stellingen van de vrouw verworpen. Het hof neemt deze overweging na eigen onderzoek over, maakt die tot de zijne en verwerpt dit onderdeel van grief 3.

5.12

Bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw gaat het hof uit van de volgende gegevens.

5.13

De vrouw heeft de volgende inkomsten: een belastbaar loon van € 53.860,- blijkens de jaaropgaaf 2016.

5.14

De vrouw woont op dit moment nog in dezelfde woning als de man. De partneralimentatie zal worden vastgesteld met ingang van de dag waarop de man de echtelijke woning zal hebben verlaten en is uitgeschreven van het adres van de vrouw. Het hof zal daarom bij het berekenen van de draagkracht rekening houden met de volgende heffingskortingen: algemene heffingskorting, arbeidskorting.

5.15

Het hof stelt het netto besteedbaar inkomen van de vrouw vast op € 3.352,- per maand.

5.16

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de draagkracht van de vrouw met het oog op het vaststellen van haar wettelijke verplichting om bij te dragen in het levensonderhoud van haar gewezen echtgenoot in beginsel rekening dient te worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste van de vrouw komen.

5.17

Het hof neemt de volgende onweersproken posten en uitgangspunten in aanmerking.

WOZ-waarde van de woning van € 201.000,- (forfait € 1.407,-).

Woonlasten van de vrouw per maand:

- afgerond € 474,- aan hypotheekrente (€ 5.683,- per jaar);

- afgerond € 214,- aan aflossing op de hypotheek (€ 2.562,- per jaar);

- afgerond € 439,- kostenvoordeel aftrekbare hypotheekrente (in verband met personeelslening);

- € 95,- aan forfait overige eigenaarslasten

minus € 221,- gemiddelde basishuur.

De overige lasten van de vrouw per maand:

- € 130,- premie basisverzekering ZVW,

- € 385,- verplicht eigen risico,

- € 40,- in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW.

5.18

De bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 992,- per maand.

5.19

Nu het de vaststelling van de draagkracht van de vrouw voor partneralimentatie betreft, houdt het hof rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60/45.

5.20

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties hiervan heeft de vrouw met ingang van de dag waarop de man de echtelijke woning zal hebben verlaten en is uitgeschreven van het adres van de vrouw draagkracht voor een partneralimentatie van € 742,- netto per maand, dat is € 1.254,- bruto per maand.

Jusvergelijking

5.21

De vrouw stelt in grief 3 dat bij toekenning van partneralimentatie de man meer vrij te besteden overhoudt dan de vrouw. Het hof ziet hierin aanleiding een zogenaamde jusvergelijking te maken. Daarbij houdt het hof aan de zijde van de vrouw rekening met de norm voor een alleenstaande en het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 60/45 en de hiervoor vermelde financiële gegevens. Uit deze berekening blijkt dat de man bij een partneralimentatie van € 1.254,- per maand niet meer vrij te besteden overhoudt dan de vrouw, zodat er geen reden is deze alimentatie te matigen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als hierna zal worden vermeld.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de man betreft.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening gemaakt van de draagkracht van de man en de vrouw en een jusvergelijking. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 augustus 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag waarop de man de echtelijke woning zal hebben verlaten en is uitgeschreven van het adres van de vrouw als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud € 1.254,- per maand aan de man zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeing-van Hees, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en M.P. den Hollander, bijgestaan door mr. M. Vodegel als griffier, en is op 6 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.