Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1125

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
200.216.336/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Limitering partneralimentatie. Geen wijziging van omstandigheden ten aanzien van de alimentatieovereenkomst. De door de man gestelde omstandigheden waren toen ook bekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0044
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.216.336/01

(zaaknummer rechtbank C/18/170742 / FA RK 16-2842)

beschikking van 1 februari 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E. Henkelman-de Mooy te Groningen,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.S. Özsaran te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 2 mei 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 23 mei 2017;

- het verweerschrift tevens (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep;

- het verweerschrift in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep;

- een journaalbericht van mr. Henkelman-de Mooy van 15 juni 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Henkelman-de Mooy van 8 november 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Henkelman-de Mooy van 9 november 2017 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 6 december 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2012 ontbonden door echtscheiding. Partijen hebben drie minderjarige kinderen, die hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw.

3.2

Bij beschikking van 13 november 2012 heeft de rechtbank Groningen onder meer de overeenkomst van partijen over de kinder- en partneralimentatie vastgelegd en bepaald dat de man met ingang van 1 november 2012 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 200,- per kind per maand en, voor zover hier van belang, in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van
€ 435,- bruto per maand.

3.3

Bij inleidend verzoek, ingekomen bij de griffie van de rechtbank op 10 oktober 2016, heeft de vrouw de rechtbank verzocht de beschikking van de rechtbank Groningen van
13 november 2012 te wijzigen voor zover het de daarin vastgestelde kinder- en partneralimentatie betreft en te bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 982,- per maand en dat hij dient bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van
€ 444,- per maand, zulks met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans een zodanige bijdrage vast te stellen met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

3.4

Bij verweerschrift, ingekomen bij de griffie van de rechtbank op 5 december 2016, heeft de man hiertegen verweer gevoerd en zelfstandig verzocht te bepalen dat de verplichting van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken eindigt op 23 november 2017, althans per een in goede justitie te bepalen einddatum. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.5

Partijen hebben na de zitting in eerste aanleg gedeeltelijk overeenstemming bereikt. Zij zijn overeengekomen dat de man met ingang van 10 oktober 2016 zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 982,- per maand en zij zijn het ook eens geworden over de hoogte van de partneralimentatie, in die zin dat deze € 259,- bruto per maand dient te bedragen. Partijen waren het echter nog niet eens over het verzoek van de man om zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw te beëindigen per 23 november 2017, althans per een in goede justitie te bepalen datum, en hebben de rechtbank verzocht daarover te beslissen.

3.6

De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking de beschikking van 13 november 2012 gewijzigd in die zin dat de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 982,-per maand en dat hij met ingang van 10 oktober 2016 dient bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 259,- bruto per maand. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de verplichting van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken in ieder geval eindigt op 1 november 2019 als gevolg van een beperking in de duur van de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw.

4 De omvang van het geschil

4.1

De vrouw is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de limitering door de rechtbank van de duur van de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw. De vrouw heeft het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze ziet op de beperking van de alimentatieduur/limitering per
1 november 2019, alsmede, voor zover mocht blijken dat de man formeel samenwoont, in de draagkracht van de man hier rekening mee te houden en over te gaan tot het vaststellen van een nadere bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, naar het hof begrijpt: onder afwijzing van het inleidend verzoek van de man in zoverre.

4.2

De man heeft hiertegen verweer gevoerd en het hof verzocht het door de vrouw ingestelde hoger beroep te verwerpen, dan wel het door de vrouw verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.3

De man heeft voorts voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld en daartoe één grief opgeworpen voor het geval het hof tot het oordeel zou komen dat de rechtbank de partneralimentatie ten onrechte met ingang van 1 november 2019 heeft gelimiteerd. De man heeft het hof in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep verzocht voor zover de beslissing van de rechtbank d.d. 2 mei 2017 (naar het hof begrijpt: tot limitering van de duur van de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw) wordt vernietigd, te bepalen dat de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van
1 november 2019 op nihil wordt gesteld.

4.4

De vrouw heeft het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep bestreden en het hof verzocht de man hierin niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem dit te ontzeggen.

4.5

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing
De ontvankelijkheid van de man in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

5.1

Het hof is, anders dan de vrouw heeft betoogd, van oordeel dat de man ontvankelijk is in zijn voorwaardelijk incidenteel hoger beroep. Gelet op artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in samenhang met artikel 283 en artikel 130 Rv, heeft de man het recht als oorspronkelijk (zelfstandig) verzoeker in eerste aanleg (de gronden van) zijn verzoek in hoger beroep te veranderen dan wel te vermeerderen. Naar het oordeel van het hof verzetten de eisen van de goede procesorde zich niet tegen deze wijziging respectievelijk vermeerdering van (de gronden van) het verzoek. De vrouw is daardoor niet onredelijk bemoeilijkt in haar verdediging en dit geding wordt daardoor ook niet onredelijk vertraagd.

Inhoudelijk

5.2

De vrouw heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij de hoogte van de door de rechtbank gewijzigde partneralimentatie niet langer ter discussie stelt. Tussen partijen is uitsluitend de limitering dan wel nihilstelling van de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw in de periode vanaf 1 november 2019 in geschil.

Limitering

5.3

Op grond van artikel 1:158 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen echtgenoten vóór of na de beschikking tot echtscheiding bij overeenkomst bepalen of, en zo ja tot welk bedrag, na de echtscheiding de één tegenover de ander tot een uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden. Indien in de overeenkomst geen termijn is opgenomen, is artikel 157, vierde tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing. Lid 4 van artikel 1:157 BW bepaalt dat indien de rechter geen termijn heeft vastgesteld, de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

5.4

In artikel 157 lid 3 BW is bepaald dat de rechter op verzoek van één van de echtgenoten de uitkering tot levensonderhoud kan toekennen onder vaststelling van voorwaarden en van een termijn.

5.5

Een zodanige rechterlijke limitering heeft een definitief karakter in die zin dat het de aanspraken van de onderhoudsgerechtigde - behoudens het in artikel 1:401 lid 2 BW omschreven uitzonderlijke geval - definitief doet eindigen na afloop van de gestelde termijn. Daarom worden hoge eisen gesteld aan de stellingen die een verzoek tot limitering onderbouwen en aan de motivering van een daarop te nemen toewijzende beslissing. In het algemeen is vaststelling van partneralimentatie voor een bepaalde termijn redelijk indien met voldoende zekerheid en op goede gronden mag worden verwacht dat de onderhoudsgerechtigde na afloop van de voor de partneralimentatie bepaalde termijn op voor hem/haar passende wijze in zijn/haar levensonderhoud zal kunnen voorzien.

5.6

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op onjuiste gronden de alimentatieplicht van de man heeft gelimiteerd. Nu partijen eerder een overeenkomst over de partneralimentatie hebben gesloten waarbij geen alimentatieduur is afgesproken, kan wijziging van de overeenkomst op het punt van de alimentatieduur worden gevraagd op grond van wijziging van omstandigheden ex artikel 1: 401 lid 1 BW. (Anders dan de vrouw stelt geldt hier niet de zware toets van artikel 1:401 lid 2 BW, nu hierin geen verwijzing naar artikel 1:157 lid 4 is opgenomen.) Deze toets heeft de rechtbank echter niet verricht. Het hof is van oordeel dat de man geen omstandigheden heeft gesteld die maken dat er op het punt van alimentatieduur ten opzichte van de situatie ten tijde van de alimentatie-overeenkomst sprake is van een wijziging van omstandigheden. Hetgeen hij stelt omtrent opleiding, werkervaring, leeftijd van de vrouw en van de kinderen betreffen niet dergelijke omstandigheden. Deze waren immers ten tijde van de overeenkomst bekend.

5.7

Voor zover het door de man overigens aangevoerde als een wijziging van omstandigheden kan worden opgevat, acht het hof in het licht van de hoge eisen die aan een limiteringsverzoek worden gesteld onvoldoende door de man onderbouwd waarom na
1 november 2019 een definitief einde dient te worden gemaakt aan het recht van de vrouw op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Dit neemt niet weg dat de vrouw zich dient in te spannen om in haar eigen levensonderhoud en haar behoefte te voorzien. Dit bespreekt het hof hieronder onder nihilstelling alimentatie.

5.8

Gelet op het voorgaande slaagt de grief van de vrouw, zal het hof de beschikking van de rechtbank op het punt van de limitering van de alimentatieduur vernietigen en het betreffende verzoek van de man alsnog afwijzen.
Nihilstelling alimentatie

5.9

Nu het hof de bestreden beschikking op het punt van de limitering zal vernietigen, komt het verzoek van de man in incidenteel appel aan de orde. De man heeft verzocht de alimentatie met ingang van 1 november 2019 op nihil te stellen omdat de vrouw dan niet (meer) behoeftig is en in staat is volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

5.10

Van een wijziging van de door partijen gesloten overeenkomst betreffende het levensonderhoud van de vrouw kan naar het oordeel van het hof slechts sprake zijn indien zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW. Het hof begrijpt dat de man met zijn voorwaardelijk incidenteel beroep om de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud per 1 november 2019 op nihil te stellen een beroep heeft gedaan op artikel 1: 401 lid 1 BW.

5.11

De man heeft gesteld dat de leeftijd van de vrouw, alsmede haar opleiding en haar werkervaring, maken dat zij in staat moet worden geacht om al per 1 november 2019 in de kosten van haar eigen levensonderhoud te voorzien. Naar het oordeel van het hof zijn dit echter geen omstandigheden die gewijzigd zijn ten opzichte van de periode waarin partijen hun alimentatieovereenkomst sloten.

5.12

De man heeft verder gesteld dat de vrouw onvoldoende inspanningen verricht om meer inkomsten te verwerven, om aldus op termijn zelf in haar behoefte te kunnen voorzien. Dit kan naar het oordeel van het hof wel een relevante gewijzigde omstandigheid zijn als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW, die kan leiden tot een wijziging van de alimentatie vanaf
1 november 2019, omdat de vrouw mogelijk vanaf die datum niet langer behoeftig is.

5.13

Door de man wordt de behoeftigheid van de vrouw in de periode tot 1 november 2019 niet betwist. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw met ingang van 1 november 2019 in redelijkheid in staat moet worden geacht om voldoende inkomsten te verwerven om zelf volledig in haar behoefte te kunnen voorzien. Per die datum is de vrouw volgens de man niet meer behoeftig.

5.14

Vooropgesteld dient te worden dat van behoeftigheid sprake is als de onderhoudsgerechtigde niet voldoende inkomsten heeft tot haar of zijn levensonderhoud, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven. De onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw bestaat derhalve alleen voor zover de vrouw niet in eigen levensonderhoud kan voorzien, terwijl zij zich wel voldoende heeft ingespannen om daarin te kunnen voorzien. Dit betekent dat de vrouw, die stelt ook na 19 november 2019 nog behoefte te hebben aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud, dient aan te tonen dat zij onvoldoende inkomsten heeft om in haar behoefte te voorzien en evenmin in redelijkheid in staat kan worden geacht (voldoende) inkomsten te verwerven.

5.15

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de vrouw thans 8 uur per week werkzaam is als tandartsassistente en daarmee een brutoloon van € 495,55 per maand, exclusief vakantiegeld en overuren, verdient.

5.16

De vrouw heeft aangevoerd dat zij de volledige zorg draagt voor de kinderen van partijen en dat daarom niet van haar kan worden verlangd dat zij met ingang van 1 november 2019 volledig in haar eigen levensonderhoud voorziet. Nu de kinderen van partijen op
1 november 2019 respectievelijk 17, bijna 15 en bijna 15 jaar oud zijn, vormt de zorg voor hen naar het oordeel van het hof per die datum echter redelijkerwijs geen belemmering meer voor de vrouw om voldoende inkomsten te verwerven om in haar eigen behoefte te kunnen voorzien.

5.17

De vrouw heeft verder aangevoerd dat ook medische gronden haar belemmeren in het uitbreiden van haar werkzaamheden. De vrouw stelt dat zij chronische aangezichtspijnen en problemen aan haar duimen heeft. Nu de vrouw deze stelling niet met (medische) stukken heeft onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen, kan het hof niet vaststellen dat deze medische gronden voor de vrouw vanaf 1 november 2019 daadwerkelijk een belemmering vormen om voldoende inkomsten te verwerven om in haar eigen behoefte te kunnen voorzien. Het hof kan dan ook geen rekening houden met de door de vrouw genoemde medische gronden.

5.18

Het hof stelt vast dat partijen al sinds 2012 gescheiden van elkaar leven. Vanaf dat moment wist de vrouw dan wel behoorde de vrouw te weten dat zij op enig moment in haar eigen levensonderhoud zou moeten gaan voorzien. Het hof is van oordeel dat de vrouw zich tot op heden onvoldoende heeft ingespannen om te komen tot een uitbreiding van de 8 uren die zij werkt, bij haar huidige werkgever, dan wel elders.

5.19

Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat de werkgever van de vrouw recent een vacature heeft opengesteld voor 24-36 uur per week, voor de functie waarin de vrouw werkzaam is. De vrouw stelt dat haar werkgever haar gelet op haar leeftijd te duur vindt om deze uren in te vullen. Deze stelling heeft zij echter niet nader met stukken, bijvoorbeeld een verklaring van haar werkgever, onderbouwd. Dat de vrouw haar 8 uren per week bij haar huidige werkgever niet uit kan breiden is naar het oordeel van het hof dan ook onvoldoende vast komen te staan.

5.20

Het hof neemt bij zijn beoordeling verder in aanmerking dat de vrouw weliswaar stelt dat zij zich ook inspant om elders betaald werk te vinden, maar dat zij deze stelling onvoldoende met stukken heeft onderbouwd. De vrouw heeft weliswaar een aantal sollicitatiebrieven in het geding gebracht, maar het hof volgt de man in zijn stelling dat deze niet zijn te kwalificeren als serieuze inspanningen van de vrouw om meer inkomen te verwerven, gelet op de onjuiste dateringen (“2018” in plaats van “2017”) van een aantal brieven, alsmede de gemaakte stijlfouten. Ook heeft de vrouw geen verdere correspondentie naar aanleiding van de gedane sollicitaties in het geding gebracht, zoals bevestigings- of afwijzingsbrieven. De vrouw heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij ook op lager geschoolde functies solliciteert, en dat zij regelmatig mondeling solliciteert, maar ook deze stellingen heeft zij niet nader met stukken onderbouwd. Van de vrouw had mogen worden verlangd dat zij zich inschrijft bij verschillende uitzendbureaus en zich waar nodig laat bijstaan bij het verrichten van sollicitatieactiviteiten.

5.21

Verder is vast komen te staan dat de man en de vrouw in de jaren 2011 en 2012 geld hebben geïnvesteerd in een door de vrouw te volgen opleiding tot zelfstandig pedicure. De vrouw stelt dat zij deze opleiding wel is gestart, maar vanwege haar medische beperkingen niet heeft kunnen afronden. Ook deze stelling heeft zij echter op geen enkele wijze van onderbouwing voorzien.

5.22

Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de vrouw haar stelling dat zij voldoende inspanningen heeft verricht om haar huidige werkzaamheden uit te breiden onvoldoende heeft onderbouwd gelet op het gemotiveerde verweer van de zijde van de man en hetgeen voorts vast is komen te staan. Dat de vrouw niet in staat zou zijn om (voldoende) inkomsten te verwerven is derhalve niet vast komen te staan. Dit brengt met zich dat de vrouw niet heeft aangetoond dat zij met ingang van 1 november 2019 nog behoeftig is en dat derhalve de bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van
1 november 2019 op nihil dient te worden gesteld.

5.23

Op grond van het vorenstaande slaagt het incidenteel hoger beroep van de man.

5.24

Het hof zal beslissen als na te melden.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 2 mei 2017, voor zover daarbij is bepaald dat de verplichting van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken in ieder geval eindigt op 1 november 2019 als gevolg van een beperking in de duur van de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het inleidend verzoek van de man tot limitering af;

wijzigt de beschikking van de rechtbank Groningen van 13 november 2012, in die zin dat de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van
1 november 2019 op nihil wordt gesteld;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, I.M. Dölle en F. Kleefmann, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 1 februari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.