Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:11243

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-08-2018
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
21-006629-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Het hof deelt het standpunt van de raadsman dat onder de gegeven omstandigheden geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de onderhavige vervolging wegens overtreding van het bepaalde in artikel 11a van de Opiumwet enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Het gaat immers om een vervolging waarvan reeds van meet af aan klip en klaar is dat deze nimmer tot een veroordeling zal kunnen leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006629-16

Uitspraak d.d.: 24 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 25 november 2016 met parketnummer 16-191468-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1985] ,

wonende te [adres 1] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 augustus 2018.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van de verdachte. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman,

mr. J.B. van Faassen, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij in de periode van 1 juli 2015 tot en met 14 november 2015, al dan niet alleen, in haar woning aan de [adres 2] , een ruimte voorhanden heeft gehad waarvan zij en haar mededader wisten dat die bestemd was tot het plegen van een in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet.

Deze tenlastelegging is gebaseerd op het bepaalde in artikel 11a van de Opiumwet en heeft, gelet op het bepaalde in artikel 11, lid 3 van de Opiumwet betrekking op bedrijfsmatige of professionele hennepteelt en voorts, gelet op het bepaalde in artikel 11, lid 5 van de Opiumwet op een grote hoeveelheid hennep en/of hennepplanten.

Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat in het onderhavige geval noch van bedrijfsmatige of professionele hennepteelt, noch van een grote hoeveelheid planten sprake is geweest. De inmiddels onherroepelijk veroordeelde mededader van verdachte had immers op de zolderverdieping van hun gezamenlijke woning in een kweektent met een oppervlakte van ongeveer drie vierkante meter een hennepkwekerij in werking waarin op het moment van de ontdekking daarvan vijfentwintig hennepplanten stonden. Volgens de verklaring van die mededader hadden in diezelfde kweektent eerder in totaal veertig planten gestaan. Aanwijzingen voor bedrijfsmatig of professioneel handelen blijken niet uit het dossier.

De raadsman heeft, op gronden zoals verwoord in zijn ter zitting van het hof overgelegde pleitnota, onder meer aangevoerd dat het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu, gelet op de achtergrond van de invoering van artikel 11a van de opiumwet en het doel dat de wetgever (en het openbaar ministerie) voor ogen stond bij de invoering van dat artikel, met de onderhavige vervolging geen enkel door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.
Op de uitdrukkelijke uitnodiging van de raadsman om op dit punt een nadere toelichting te geven, heeft de advocaat-generaal niet gereageerd.

De advocaat-generaal heeft zich ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging op het standpunt gesteld dat, gelet op het geldende opportuniteitsbeginsel, het aan het openbaar ministerie is om te bepalen waarvoor het vervolgt. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het verweer moet worden verworpen.

Voorop staat, dat krachtens het in artikel 167, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, het aan het openbaar ministerie is om te beslissen of, en zo ja, wie wordt vervolgd. Hierbij heeft het openbaar ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid.

Het hof deelt echter het standpunt van de raadsman dat onder de gegeven omstandigheden geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de onderhavige vervolging wegens overtreding van het bepaalde in artikel 11a van de Opiumwet enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Het gaat immers om een vervolging waarvan reeds van meet af aan helder is dat deze nimmer tot een veroordeling zal kunnen leiden. De omstandigheid dat de politierechter toch tot een bewezenverklaring is gekomen, maakt dit niet anders. Het voorgaande brengt mee dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd en het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Aldus gewezen door

mr. L.J. Hofstra, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. F.A. Hartsuiker, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,

en op 24 augustus 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. F.A. Hartsuiker voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.