Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:11242

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
21-000844-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:1021, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:39
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

“Culemborgse jeugdbende”.

1. NFI-rapportage over de betrouwbaarheid van stemherkenningen van OVC-gesprekken;

2. anders dan de rechtbank (ECLI:NL:RBGEL:2014:1021) heeft het hof verdachte bestraft volgens het jeugdstrafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000844-14

Uitspraak d.d.: 27 november 2018

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 4 februari 2014 met parketnummer 05-901452-12 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis (beperkt) hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep richt zich volgens de appelakte niet tegen de feiten waarvan verdachte door de rechtbank is vrijgesproken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 11 september 2014 en 26 oktober 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De vordering van de advocaat-generaal is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.S. van der Biezen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

In eerste aanleg is verdachte door de meervoudige kamer -kort gezegd- veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest, wegens een tiental woninginbraken, een heling, twee keer witwassen en het lidmaatschap van een criminele organisatie. Ten aanzien van de overige tenlastegelegde feiten is verdachte vrijgesproken. Ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen is beslist dat deze dienen te worden teruggegeven aan verdachte en aan de rechthebbende. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is toegewezen, de overige benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep -voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen- vernietigen omdat het bij de feiten 16 en 22 tot een (gedeeltelijk) andere bewijsbeslissing komt. Ook komt het hof tot een andere strafoplegging. Het hof zal daarom opnieuw recht doen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen- tenlastegelegd dat:

(…tenlastelegging feiten 1,3,6,7,9,10, 12-17, 21 en 22)

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Evenals in eerste aanleg is door de verdediging in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het hof verwerpt het verweer op dezelfde gronden als de rechtbank. De overgenomen overweging is cursief weergegeven.

De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat sprake is van een dermate onzorgvuldig en onvolledig opsporingsonderzoek dat het gebruik van de resultaten daarvan zou leiden tot een ernstige schending van beginselen van een goede procesorde.

De rechtbank overweegt dat een zo ver gaande sanctie als niet-ontvankelijkheid slechts kan volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op die beginselen, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De rechtbank is van oordeel dat in het “Robar”-onderzoek niet is gebleken van dergelijke ernstige inbreuken.

De rechtbank wijst het verzoek tot niet-ontvankelijk verklaren van de officier van justitie dan ook af.

Bewijs

Evenals in eerste aanleg is door de verdediging in hoger beroep een aantal algemene bewijsverweren gevoerd, welke betrekking hebben op
(1) het ontbreken van de voor opsporing vereiste verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering, en:
(2) de rechtmatigheid van inzet en toepassing van de bevoegdheid tot de opname van vertrouwelijke communicatie (ovc).

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot verwerping van deze verweren.

1. Verdenking

Het hof stelt voorop dat voor de start van een opsporingsonderzoek niet is vereist dat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een gepleegd strafbaar feit ten aanzien van een verdachte of meer verdachten. Dat vloeit voort uit artikel 132a van het Wetboek van Strafvordering alsmede uit de rechtspraak van de Hoge Raad. Voor het overige verwerpt het hof het verweer op dezelfde gronden als de rechtbank, zoals hierna weergegeven.

De overwegingen die van de rechtbank in het hierna volgende worden overgenomen, zijn cursief weergegeven.

Voor beantwoording van de eerste vraag is van belang hetgeen is vermeld in de ten aanzien van een aantal verdachten in het Robar-onderzoek opgemaakte ‘processen-verbaal van verdenking (art. 27)’, in het relaasproces-verbaal onder de kopjes ‘Aanleiding onderzoek’ en ‘Dadergroep’ en in het naar aanleiding van de terechtzitting van 11 oktober 2013 opgestelde (nader) proces-verbaal van bevindingen van 8 november 2013 met bijbehorende stukken. Uit deze stukken blijkt, samengevat, dat sinds oktober 2011 op relatief grote schaal inbraken werden gepleegd in en nabij de wijk Terweijde te Culemborg, hetgeen voor ernstige maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid van de bewoners zorgde. Op grond van de waarnemingen in de gevallen waarin de daders zijn overlopen is de politie ervan uitgegaan dat er (meestal) meer dan één dader bij betrokken was, dat het om jonge mannen ging en dat die voornamelijk een Marokkaans uiterlijk hadden. Vanaf eind maart 2012 tot aan 13 augustus 2012 hebben in en nabij de wijk Terweijde weer meer dan 30 woninginbraken en pogingen daartoe plaatsgevonden. Daarop is het Robar-onderzoek gestart. Dit onderzoek heeft zich gericht op (aanvankelijk) acht verdachten van wie de namen bleken (of leken) voor te komen in verscheidene BVH-mutaties, CIE-informatie en MMA-meldingen die verband houden met eerdere inbraken in en nabij de wijk Terweijde. Op grond van die stukken is bij de politie de verdenking gerezen dat deze verdachten mogelijk deel uitmaakten van een groep Nederlands-Marokkaanse jongeren die zich schuldig maakten aan het plegen van woninginbraken in en nabij de wijk Terweijde te Culemborg.

De verdenkingen zijn in concreto gestoeld op verschillende bronnen, waaronder:

  • -

    een herkenning van een persoon ( [medeverdachte 2] ) door een getuige van een woninginbraak,

  • -

    camerabeelden van diezelfde inbraak (kennelijk met geluid) waarbij dezelfde voornaam als die van een verdachte ( [medeverdachte 1] ) werd genoemd,

  • -

    aanwezigheid van de identiteitsbewijzen van twee verdachten in een mogelijk als vluchtauto bij een inbraak gebruikte auto ( [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] ),

  • -

    betrouwbaar geachte CIE-informatie dat met name genoemde personen zich bezig zouden houden met onder meer woninginbraken (waaronder medeverdachte [medeverdachte 6] ),

  • -

    meermalen gerapporteerde betrokkenheid van een verdachte bij een woninginbraak begin augustus 2012 ( [medeverdachte 6] , die daarbij een schotwond zou hebben opgelopen),

  • -

    anonieme informatie dat bij die inbraak nog twee verdachten betrokken zouden zijn (waaronder [medeverdachte 2] ),

  • -

    een registratie waaruit volgt dat de broers van een verdachte twee van woninginbraak afkomstige telefoons zouden hebben gekocht respectievelijk gebruikt ( [medeverdachte 1] ),

  • -

    de aanwezigheid van diverse identiteitspasjes van één van de verdachten in de slaapkamer van een door inbraak getroffen woning ( [medeverdachte 5] ).

Het staat de politie vrij deze bronnen (BVH-registraties, CIE-processen-verbaal en MMA-meldingen) te raadplegen en de daaruit verkregen informatie te gebruiken als startinformatie voor een onderzoek naar gepleegde strafbare feiten en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Naar het oordeel van de rechtbank bood de hiervoor weergegeven informatie voldoende grondslag voor de destijds bij de politie gerezen verdenking van betrokkenheid bij woninginbraken ten aanzien van de destijds door de politie genoemde acht personen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen grond is voor de stelling dat het opsporingsonderzoek is gestart op basis van onvoldoende mate van verdenking. Deze stelling kan dan ook niet leiden tot de processuele sanctie van bewijsuitsluiting.

2) OVC

Artikel 126l van het Wetboek van Strafvordering luidt voor zover van belang als volgt:

1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0001903/2018-10-16), dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdelen b, c en d (https://wetten.overheid.nl/BWBR0001903/2018-10-16), vertrouwelijke communicatie opneemt met een technisch hulpmiddel.

2. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden zonder toestemming van de rechthebbende. Hij kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel een woning zonder toestemming van de rechthebbende wordt betreden, indien het onderzoek dit dringend vordert en de verdenking een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. Artikel 2, eerste lid, laatste volzin van de Algemene wet op het binnentreden (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2&g=2018-11-19&z=2018-11-19)is niet van toepassing.

3. Het bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie is schriftelijk en vermeldt:

o a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte;

o b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid en, in geval van toepassing van de tweede volzin van het tweede lid, de voorwaarden bedoeld in het tweede lid, zijn vervuld;

o c. ten minste een van de personen die aan de communicatie deelnemen, dan wel, indien het bevel communicatie betreft op een besloten plaats of in een vervoermiddel, een van de personen die aan de communicatie deelnemen of een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van die plaats of dat vervoermiddel;

o d. bij toepassing van het tweede lid, de plaats die zal worden betreden;

o e. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, en

o f. de geldigheidsduur van het bevel.

4. Het bevel kan slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. De machtiging betreft alle onderdelen van het bevel. Indien ter uitvoering van het bevel een woning mag worden betreden, wordt dat uitdrukkelijk in de machtiging vermeld.

Het hof verwerpt de verweren op dezelfde gronden als de rechtbank, zoals hierna weergegeven.

(…)

Ten aanzien van de vraag of de rechter-commissaris, gelet op de toen bestaande mate van verdenking, machtiging mocht verlenen voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie in de voertuigen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] – stelt de rechtbank voorop dat het aan te leggen criterium voor deze toets volgens vaste jurisprudentie neerkomt op beantwoording van de vraag of de rechter-commissaris destijds in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent die machtiging heeft kunnen komen.

In de aanvragen op grond waarvan de rechter-commissaris de machtiging heeft verleend tot het mogen opnemen van vertrouwelijke communicatie ten aanzien van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] (in de op de naam van [medeverdachte 1] en daarna op de naam van [medeverdachte 5] geregistreerde Suzuki Alto met kenteken [kenteken] en de op naam van [medeverdachte 1] geregistreerde Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] ) staat in aanvulling op het voorgaande – samengevat – het navolgende vermeld.

Na de start van het Robar-onderzoek is op grond van nader onderzoek de verdenking ten aanzien van een aantal aanvankelijke verdachten komen te vervallen en zijn er nieuwe verdachten bij gekomen.

Op 17 oktober 2012 vond tussen 20.30 en 21.15 uur een woninginbraak plaats aan de [adres] . Toen politieagenten ter plaatse gingen, troffen zij nabij de getroffen woning een Volkswagen Passat aan met kenteken [kenteken] . [medeverdachte 2] zat achter het stuur. Tot de overige vier inzittenden behoorden [betrokkene] en [medeverdachte 5] .

Voorts leerde navraag bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer dat [medeverdachte 5] op 7 november 2012 de Suzuki Alto met kenteken [kenteken] van [medeverdachte 1] had overgenomen.

Er is vervolgens een contact geregistreerd tussen agenten van het Veilig Wijkteam en een aantal Marokkaanse jongeren in de wijk Terweijde te Culemborg, dat plaatsvond op 20 oktober 2012 omstreeks 21.00 uur. Van die groep jongeren maakten onder meer deel uit de al als verdachten aangemerkte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , maar ook [verdachte] en – mogelijk – [medeverdachte 3] . Deze personen trokken de aandacht van de politie. Een van de aanwezigen heeft toen geroepen: ‘Jongens, kijken welke huizen er leeg staan, geld verdienen vanavond’.

Later die dag, omstreeks 22.30 uur ontving de politie een melding dat de bestuurder van een Suzuki Alto met kenteken [kenteken] uit de brandgang achter zijn woning een groen breekijzer had gepakt en in zijn auto had gelegd. De melder vermeldt daarbij dat het zijn achterbuurjongen, [medeverdachte 1] , betreft en dat hij denkt dat het breekijzer ergens verstopt lag in de brandgang. Ook noemt melder dat dit breekijzer volgens hem ook door anderen werd gebruikt.

Op 21 oktober 2012 ontving de politie een melding van een verdachte situatie waarbij een Suzuki Alto met kenteken [kenteken] langzaam zou rijden over de [locatie] en waarbij zou zijn gebleken dat de inzittenden geïnteresseerd waren in de woningen, met name die met [adres] . Op diezelfde avond is omstreeks 23.00 uur een inbraak gemeld bij de politie aan de [adres] . Vanaf het bureau aan de Triosingel vertrokken politieagenten in die richting. Zij zagen toen nabij het politiebureau het hiervoor genoemde voertuig op de parkeerplaats staan met [medeverdachte 1] op de bestuurdersplaats. Desgevraagd gaf deze aan te staan ‘chillen’, maar de politie had het vermoeden dat hij de gedragingen van de politie in de gaten hield. Diezelfde avond, omstreeks 23.41 uur, is diezelfde auto gecontroleerd en toen zaten daarin [medeverdachte 1] als bestuurder en [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] als passagiers. Deze personen zouden veelvuldig gezamenlijk worden gezien.

Op 3 november 2012 omstreeks 18.35 uur heeft de politie een melding ontvangen van een ‘heterdaad woninginbraak’ aan de [adres] . Politieagenten parkeerden hun auto op enige afstand van die woning en gingen daar te voet heen. Zij zagen toen wederom [medeverdachte 1] in de bekende Suzuki Alto langsrijden met nog drie inzittenden.

Voorts heeft onderzoek plaatsgevonden van opkoopregisters van juweliers te Utrecht, waarvan ambtshalve bij de politie bekend is dat die goud opkopen. [verdachte] bleek in de maanden juni en oktober 2012 verscheidene malen tegen ontvangst van vaak aanzienlijke geldbedragen sieraden te hebben ingeleverd.

Kennelijk heeft de rechter-commissaris op grond van het voorgaande geoordeeld dat ten aanzien van (mede)verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] een voldoende mate van verdenking bestond dat zij behoorden tot de groep personen die zich schuldig maakte aan woninginbraken en dat zij zich verplaatsten in diverse auto’s. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de rechter-commissaris in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen, en derhalve in redelijkheid kunnen beslissen tot verlening van de machtigingen.

(…)

Inzet OVC-opsporingsmiddel

Een volgend vereiste voor het mogen opnemen van vertrouwelijke communicatie in de zin van artikel 126 l van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv.)is dat het onderzoek deze opname dringend vordert.

Bij deze toetsing spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol.

proportionaliteit

Ten aanzien van de vraag of de inzet van het OVC-opsporingsmiddel proportioneel is ten opzichte van de bestaande verdenking, overweegt de rechtbank allereerst dat art. 126l Sv. geen andere eis aan de (graad van) verdenking stelt dan het redelijke, op feiten en omstandigheden gebaseerde vermoeden van schuld aan een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv. Hieraan is in het geval van woninginbraak op zichzelf voldaan. Daarnaast kunnen ook minder ernstige misdrijven een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, doordat zij in combinatie met andere misdrijven worden gepleegd. Het dient te gaan om samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven.

In de onderhavige situatie was sprake van een omvangrijke reeks woninginbraken in een relatief kleine woonomgeving, waardoor grote maatschappelijke onrust was ontstaan. Nadat tussen maart 2012 en augustus 2012 meer dan 30 incidenten plaatsvonden, kon naar het oordeel van de rechtbank gesproken worden van een zeer ernstige inbreuk op de rechtsorde, die de inzet van het OVC-opsporingsmiddel zonder meer kon rechtvaardigen.

subsidiariteit

Gelet op het subsidiariteitsvereiste mag slechts gebruik worden gemaakt van de bevoegdheden van artikel 126l Sv. indien andere (minder ingrijpende) bevoegdheden (zoals het opnemen van telecommunicatie op grond van artikel 126m Sv.) niet tot een zelfde resultaat kunnen leiden.

In de ‘aanvragen bevel opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel’ staat verwoord dat was gebleken dat de leden uit de vermoedelijke dadergroep nauwelijks over de telefoon met elkaar communiceren. Ten aanzien van [medeverdachte 1] wordt hier nog aan toegevoegd dat de communicatie die plaatsvindt veelal via PING en Whatsapp-berichten plaatsvindt en deze (laatstgenoemde) berichten op dat moment niet konden worden ontsleuteld, waardoor veel informatie werd gemist.

In het dossier bevinden zich ook aanvragen en bevelen ex artikel 126m Sv. op naam van diverse (gewezen) verdachten in dit onderzoek, aanvangend eind augustus 2012. Ten aanzien van [medeverdachte 5] werd in voornoemde aanvraag nog toegevoegd dat het stelselmatig observeren van (jeugd)groepen in Culemborg en met name in de wijk Terweijde nagenoeg onmogelijk is. Als mogelijke verklaring voor het ontbreken van bruikbare informatie uit de opgenomen telecommunicatie wordt genoemd dat verdachten elkaar veelal in persoon treffen in de wijk en met meerdere personen in een auto rondrijden in de wijk en daarbuiten.

Op basis hiervan is door de officier van justitie, na aanvraag hiertoe en machtiging van de rechter-commissaris, een bevel OVC met betrekking tot de plek van samenkomst afgegeven op 29 oktober 2012. Deze inzet van opsporingsmiddelen heeft niet het gewenste resultaat opgeleverd.

Op grond van het vorenstaande valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat voor het bereiken van het doel (waarheidsvinding) met de inzet van een minder ingrijpend middel kon worden volstaan.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan en dat de rechter-commissaris in redelijkheid een machtiging ex artikel 126l Sv. heeft kunnen afgeven. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de OVC-apparatuur is geplaatst in de auto’s van (twee van) de verdachten en het ook de verdachten zijn die aan de gesprekken hebben deelgenomen.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat dit geen grond oplevert voor toepassing van een processuele sanctie als bewijsuitsluiting.

Bijnamen

Door de verdediging is in hoger beroep evenals in eerste aanleg een verweer gevoerd ten aanzien van de in het opsporingsproces-verbaal voorkomende bijnamen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de bewijsmiddelen voldoende blijkt dat ‘ [alias 1 verdachte] ’ de bijnaam van verdachte is.

Ook dit verweer wordt door het hof op dezelfde gronden verworpen als door de rechtbank zijn gebruikt, zoals hierna weergegeven.

Gebruik bijnamen

In het dossier en met name in de OVC-gesprekken worden op verschillende momenten bijnamen genoemd. Verdachte heeft aangevoerd dat de bijnaam waarmee volgens de verbalisanten naar hem wordt verwezen niet op hem betrekking heeft, dan wel heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen toen hem de vraag werd gesteld of hij een bijnaam heeft.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij sinds een jaar werkzaam is als wijkagent in de wijk Terweijde in Culemborg, dat hij daarvoor twee jaar werkzaam is geweest als coördinator van het Veiliger Wijkteam Terweijde, dat hij in die hoedanigheid intensief betrokken was bij de wijk Terweijde en dat hij vanuit beide functies ambtshalve zeer bekend is met de doelgroepleden gespecificeerd op de shortlist criminele jeugdgroep Terweijde. Hij verklaarde verder dat hem vanuit het ROBAR-recherche-onderzoek werd gevraagd een overzicht te maken van de doelgroepleden waarvan hem bekend was dat zij op straat worden aangesproken en benoemd met hun bijnaam. Hij maakte daarop (samengevat en voorzover hier relevant) onderstaand overzicht en merkt daarbij op dat veel van deze bijnamen ook uitgesproken worden in contacten die hij heeft (gehad) met de doelgroepleden. [verbalisant 1] heeft als volgt gerelateerd:

Bijnaam: ' [alias 1 medeverdachte 1] ' of ' [alias 2 medeverdachte 1] ':

De Nederlandse vertaling van het Marokkaanse woord [alias 1 medeverdachte 1] is [alias 2 medeverdachte 1] .

Het is mij, verbalisant, bekend dat deze bijnaam wordt gebruikt voor en door [medeverdachte 1] , geboren [geboortedag] -1994 te [geboorteplaats] .

Bijnaam: ' [alias medeverdachte 5] '

Het is mij, verbalisant, bekend dat deze bijnaam wordt gebruikt voor en door [medeverdachte 5] , geboren [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] .

Bijnaam: ' [alias medeverdachte 2] '

Het is mij, verbalisant, bekend dat deze bijnaam wordt gebruikt voor en door [medeverdachte 2] , geboren [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] .

Bijnaam: ' [alias 1 verdachte] ' of ' [alias 1 verdachte] '

Het is mij, verbalisant, bekend dat deze bijnaam wordt gebruikt voor en door [verdachte] , geboren [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] .

Bijnaam: ' [alias medeverdachte 4] '

Het is mij, verbalisant, bekend dat deze bijnaam wordt gebruikt voor en door [medeverdachte 4] , geboren [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] .

Verbalisant [verbalisant 2] heeft in een proces-verbaal van bevindingen verklaard dat zij als surveillant van politie in Culemborg veelvuldig contact had met jongeren uit Culemborg en met name uit de wijk Terweijde. Zij verklaarde dat zij de jongeren frequent sprak en zag. In haar verklaring over de stemherkenningen heeft zij bij verschillende verdachten de volgende bijnamen vermeld: [medeverdachte 1] (bijnaam [alias 1 medeverdachte 1] ), [verdachte] (bijnaam [alias 1 verdachte] ), [medeverdachte 2] (bijnaam [alias medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (bijnaam [alias 1 medeverdachte 3] / [alias 2 medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] (bijnaam [alias medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (bijnaam [alias medeverdachte 5] ).

Verbalisant [verbalisant 3] heeft eveneens verklaard dat ambtshalve bekend is dat ‘ [alias 2 verdachte] ’ de bijnaam is voor [verdachte] .

Verbalisant [verbalisant 4] heeft verder verklaard dat hem bekend is dat ‘ [alias medeverdachte 2] ’ de bijnaam is van [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag] -1993, wonende op de [adres] .

Naast bovengenoemde verbalisanten hebben ook derden zich uitgelaten over mogelijke bijnamen van verdachten. Zo heeft getuige [getuige 1] over een door hem bekeken kopie van een legitimatiebewijs van [medeverdachte 1] verklaard: ‘Ik zag op het A4-tje een kopie van een legitimatiebewijs van een voor mij bekende persoon uit Culemborg. Deze persoon woont bij mij in de straat. Deze persoon heet [medeverdachte 1] . Ik zie hem vaak in zijn blauwe Volkswagen Polo rijden. Volgens mij noemt iedereen hem [alias 1 medeverdachte 1] . [alias 1 medeverdachte 1] in het Nederlands is [alias 2 medeverdachte 1] . Ik weet niet waarom hij die bijnaam heeft’.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] hem op de vraag ‘wie is er nu eigenlijk [alias 1 medeverdachte 1] ?’ zelf antwoordde dat hij dat was.

De rechtbank overweegt op grond van het bovenstaande dat hetgeen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gemotiveerd in op ambtseed opgemaakte processen-verbaal over bijnamen hebben verklaard wordt ondersteund door de inhoud van verschillende andere bewijsmiddelen. De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande dan ook vanuit dat waar in de bewijsmiddelen in deze zaak bijnamen voorkomen, op de hieronder vermelde personen wordt gedoeld:

[alias 1 medeverdachte 1] : [medeverdachte 1] ;

[alias 1 verdachte] of [alias 2 verdachte] : [verdachte] ;

[alias medeverdachte 2] : [medeverdachte 2] ;

[alias 1 medeverdachte 3] of [alias 2 medeverdachte 3] : [medeverdachte 3] ;

[alias medeverdachte 4] : [medeverdachte 4] ;

[alias medeverdachte 5] : [medeverdachte 5] .

Stemvergelijking en stemherkenning

Door de verdediging is -kort gezegd- aangevoerd dat de stemherkenningen in het opsporingsonderzoek onjuist zouden zijn.

De advocaat-generaal heeft -kort gezegd- aangevoerd dat de stemherkenningen betrouwbaar zijn.

In het tussenarrest van 25 september 2014 heeft het hof het volgende beslist en overwogen:

“Het verzoek tot het laten verrichten van stemvergelijkend onderzoek wordt toegewezen. Dit onderzoek moet worden verricht door het NFI. Voor de vergelijking dient gebruik te worden gemaakt van geluidsfragmenten van de OVC gesprekken die voor het bewijs zijn gebruikt en waarvan de herkenning afkomstig is van de verschillende verbalisanten die de stemherkenning van verdachte hebben verricht. Deze geluidsfragmenten moeten worden vergeleken met de stem op een door verdachte, binnen een door de raadsheer-commissaris te stellen termijn, aan te wijzen geluidsfragment(en) van OVC-gesprekken waarin hij naar eigen zeggen is te horen. Het spreekt vanzelf dat bij de verdere opzet van het onderzoek door het NFI rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat verdachte een verkeerde stem of verkeerd fragment aanwijst. Als het NFI daartoe aanleiding ziet, zouden de door de verbalisanten geïdentificeerde stemmen op bepaalde fragmenten onderling kunnen worden vergeleken. Het NFI wordt in ieder geval verzocht zulks voor zoveel nodig te doen, waar verdachte betwist dat het zijn stem is die door verbalisanten is geïdentificeerd als de zijne.

Het hof verzoekt het NFI om de uitkomsten van het stemvergelijkend onderzoek van verdachte en zijn medeverdachten in hoger beroep in één rapport op te nemen.

Het verzoek van de advocaat-generaal om het rapport van ing. J.R. ten Hove van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau aan het NFI voor te leggen, teneinde een schriftelijke reactie te verkrijgen op de inhoud daarvan, wordt eveneens toegewezen.”

In een aantal brieven is door het NFI aangegeven dat en waarom het materiaal niet geschikt zou zijn voor een stemvergelijkend onderzoek. Die houden deels verband met de slechte kwaliteit van de door het NFI beluisterde gedeelten, ‘vaak ver van de microfoon, en de spraakuitingen zijn korte fragmenten van maximaal een paar seconden. Tevens wordt in de brief het volgende gesteld:

“In veel opnames praten verschillende sprekers door elkaar. Voor zover wij een beeld hebben van het betwiste materiaal (voor het bewijs gebruikte materiaal), is het niet geschikt voor een vergelijkend spraakonderzoek. Wij hebben echter geen inzicht in het volledige materiaal, noch in de specifieke delen die van belang zijn voor het onderzoek.’(…). Voor drie van de vier sprekers is onderzocht of het opgegeven referentiemateriaal geschikt was voor een vergelijkend spraakonderzoek. Dit bleek niet het geval.”

In de brief van 15 oktober 2015 van het NFI is in rapportvorm gereageerd op de onderzoeksrapportage van het NFO d.d. 16 mei 2014. De rapportage bevat een uitgebreide en diepgaande bespreking van de door de politie in het Robar-onderzoek gebruikte methode. Daarvan wordt samenvattend (p. 7 en 8) gezegd:

“De coördinator van het Robar-onderzoek heeft in deze zaak extra maatregelen genomen, door de stemherkenningen apart te laten doen door verbalisanten van buiten het onderzoek, die de groep verdachten goed kennen. Daarbij kan worden overwogen dat het niet mogelijk is om een deskundige vele tientallen gesprekken te laten onderzoeken. Het is vooralsnog evenmin mogelijk om met automatische methodes betere resultaten te verkrijgen dan het menselijk oordeel, als het gaat om spontaan spraakmateriaal in suboptimale opnamecondities zoals hier het geval is. De stemherkenningsprocedure in het Robar-onderzoek is dan ook als ‘fit for purpose’ aan te merken, met de kanttekening dat de gedane stemherkenningen geen deskundigenoordeel betreft, maar een persoonlijke herkenning die niet objectief toetsbaar is.”

Vervolgens wordt in de rapportage ingegaan op de gebreken van het NFO-rapport ten aanzien van stemherkenning. Er is onder meer sprake van een foutieve omschrijving van begrippen in het NFO-rapport, een handmatig gemaakte vertaling die gemaakt is door iemand zonder kennis van zaken, een bewerking van een stuk door iemand zonder kennis van zaken en een fout die iemand met kennis van zaken niet zou mogen maken. Als reactie op de Beschouwing stemherkenningsprocedure verbalisanten in het NFO- rapport wordt in de NFI-rapportage het volgende opgemerkt (p. 9):

“4.2.2 Reactie op NFO-rapport, ‘6. Beschouwing stemherkenningsprocedure verbalisanten’

In deze paragraaf wordt door Ten Hove aangegeven dat de stemherkenningsprocedure in het Robar-onderzoek niet voldoet aan de eisen die worden gesteld bij een vergelijkend spraakonderzoek door deskundigen. Zoals hierboven al is aangegeven, zijn deze eisen ook niet van toepassing.

Ten Hove stelt later in deze paragraaf stemherkenning door verbalisanten gelijk aan een ‘voice line-up’, en geeft daarbij (halve) referenties uit de vakliteratuur (zonder de vindplek van bedoelde artikelen). Zoals hierboven al is aangegeven, is deze gelijkstelling niet correct.

Kort gezegd komt het erop neer dat Ten Hove de stemherkenningsprocedure in het Robar-onderzoek langs de verkeerde lat legt, alsof het een stemvergelijkend onderzoek door een deskundige of een ‘voice line-up’ betreft.”

In de eerder vermelde brief van 7 december 2016 wordt door de NFI-onderzoeker nog het volgende opgemerkt:

“Stemherkenningen in het Robar-onderzoek

Op 15 oktober 2015 heb ik in rapportvorm gereageerd op de onderzoeksrapportage van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (NFO). Ik heb hierin benadrukt dat het herkennen van een bekende stem niet hetzelfde is als een vergelijkend spraakonderzoek door een deskundige. Ook staat in dit rapport een reflectie op de gedane stemherkenningen door verbalisanten in het Robar-onderzoek.

Ik hecht eraan te benadrukken dat ik het materiaal beoordeel op geschiktheid voor een vergelijkend spraakonderzoek door een deskundige. Mijn negatieve oordeel op dit punt, mag niet geïnterpreteerd worden als een negatief oordeel ten aanzien van de gedane stemherkenningen door verbalisanten die de verdachten goed kennen. Ik kan daaraan toevoegen dat ik de overwegingen van de rechtbank op het punt van de gedane stemherkenningen, zoals aangetroffen in de overgelegde vonnissen van de rechtbank Gelderland d.d. 4 februari 2014, correct en zorgvuldig acht.”

Het hof ziet geen termen aan de rapportages van het NFI te twijfelen.

Het hof verwerpt het verweer op de hiervoor vermelde gronden en op dezelfde gronden als de rechtbank, zoals hierna weergegeven.

Betrouwbaarheid van stemherkenningen

1.- algemene overwegingen

In het opsporingsonderzoek "08Robar" is veelvuldig gebruik gemaakt van het opsporingsmiddel "opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel" (hierna kortweg aangeduid met “OVC”). Bij de weergave van de aldus opgenomen en afgeluisterde communicatie heeft de politie tevens beschreven welke stemmen zouden zijn herkend door opsporingsambtenaren. Ten aanzien van deze stemherkenningen zijn ambtsedige processen-verbaal opgemaakt.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze stemherkenningen in beginsel kunnen bijdragen tot het bewijs.

De verdediging heeft aangevoerd dat deze stemherkenningen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, bovendien niet betrouwbaar zijn en derhalve van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt allereerst dat het bij stemherkenningen als deze gaat om auditieve, zintuiglijke en derhalve meer of minder subjectieve waarnemingen van de desbetreffende verbalisanten. De rechtbank trekt ter verduidelijking een vergelijking met visuele waarnemingen, zoals herkenning van een gezicht of van een signalement. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke waarnemingen in zijn algemeenheid worden gekenmerkt door een sterk subjectief element. Zulk een herkenning is immers een persoonlijke ervaring van de waarnemer en is derhalve als zodanig niet objectief toetsbaar. Het doen van dergelijke zintuiglijke waarnemingen is in beginsel ieder mens gegeven, uitzonderingen (zoals blinden en doven) daargelaten, en een op wetenschappelijke basis gefundeerde opleiding daartoe acht de rechtbank dan ook niet goed voorstelbaar. Wel is denkbaar dat in specifieke waarnemingen de ene mens meer getraind is dan een ander. Vanwege dat subjectieve karakter is in zijn algemeenheid behoedzaamheid geboden en moet nadrukkelijk rekening worden gehouden met de kwetsbaarheid van zintuiglijke waarnemingen; een vergissing is immers mogelijk.

De rechtbank maakt bij haar beoordeling onderscheid tussen de wijze van totstandkoming van de stemherkenning en de weergave ervan in een proces-verbaal enerzijds, en de mogelijkheid van een vergissing anderzijds.

a. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de inhoud van een proces-verbaal dient onder omstandigheden rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat bij de totstandkoming ervan sprake is van bewuste of grove onzorgvuldigheid of zelfs een opzettelijk onjuiste weergave door verbalisanten. Weliswaar is dit laatste niet uitdrukkelijk door de verdediging aangevoerd, maar gelet op de grote twijfels die de verdediging heeft uitgesproken ten aanzien van de totstandkoming van de stemherkenningen, wenst de rechtbank aan deze mogelijkheid toch mede aandacht te besteden. Immers, en dit betreft een overweging in algemene zin, indien zich een dergelijke bewuste of grove onzorgvuldigheid, dan wel een opzettelijk onjuiste weergave in een ambtsedig proces-verbaal zou voordoen, dan raakt dit in de ernstigst denkbare mate het vertrouwen dat in het Nederlandse strafrechtsysteem wordt toegekend aan een in de wettelijke vorm door een opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal. Dit levert dan een zeer ernstige schending van de integriteit van de opsporing en de beginselen van een goede strafprocesorde op. Indien desondanks de (onjuiste) inhoud van het proces-verbaal zou worden gebezigd tot het bewijs, levert dat een schending van het recht op een eerlijk proces op.

Ook in de onderhavige zaak is aangevoerd dat sprake kan zijn van door de politie onjuist weergegeven OVC-gesprekken. De vraag of zich bij de weergave van die gesprekken een schending van de integriteit van de opsporing kan hebben voorgedaan, dient vanzelfsprekend toetsbaar te zijn.

Zeker in gevallen waarin het gaat om subjectieve waarnemingen, ongeacht of dit visueel, auditief of anderszins zintuiglijk is, dient de rechter behoedzaamheid te betrachten. De rechter zal immers rekening moeten houden met de mogelijkheid dat sprake is geweest van een vergissing door de verbalisant(en). Daartoe dient de rechter de redelijkerwijs bestaande kans op vergissing te beoordelen. Dit oordeel dient te worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden van het specifieke geval, zoals deze naar voren komen uit het gehele dossier en het onderzoek ter terechtzitting.

2a.- beoordeling ‘bewijsuitsluiting’

Ten aanzien van het eerstgenoemde punt a) overweegt de rechtbank dat de stemherkenningen door drie opsporingsambtenaren zijn geverbaliseerd: [verbalisant 2] , [verbalisant 5] en [verbalisant 1] . De coördinatie van de stemherkenningen, alsmede de totstandkoming van de processen-verbaal vond plaats onder (mede-) verantwoordelijkheid van tactisch rechercheur [naam] . Al deze vier opsporingsambtenaren zijn als getuige verhoord bij de rechter-commissaris en de verdediging heeft alle vier opsporingsambtenaren kunnen bevragen over de wijze waarop de stemherkenningen zijn gedaan en de wijze waarop de uitkomst daarvan in het dossier is opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat hiermee afdoende mogelijkheid tot toetsing is geboden. Voorts komt de rechtbank tot het oordeel dat uit deze toetsing niet is gebleken van twijfels aan de integriteit van de opsporing. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van onherstelbare vormverzuimen bij de totstandkoming van de stemherkenningen en de weergave daarvan bij proces-verbaal. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om vanwege die redenen over te gaan tot bewijsuitsluiting van de stemherkenningen.

2b.- beoordeling ‘betrouwbaarheid’

Ten aanzien van het tweede punt b) overweegt de rechtbank dat bij de beoordeling - hierna - van de bewijsbaarheid van de ten laste gelegde feiten telkens per feit zal worden beoordeeld of de geverbaliseerde stemherkenningen voldoende betrouwbaar kunnen worden geacht. Hierbij zal de inhoud van het dossier in onderling verband en samenhang in beschouwing worden genomen. Voorts zal de rechtbank, mede, de navolgende uitgangspunten met betrekking tot auditieve waarnemingen in acht nemen:

  • -

    om een stem te kunnen herkennen zal op grond van wettige bewijsmiddelen in voldoende mate aannemelijk moeten zijn dat de desbetreffende verbalisant(en) de stem ook kent/kennen;

  • -

    zelfs als een stem bekend is bij de verbalisant(en), moet rekening worden gehouden met bijzondere omstandigheden waaronder de stem anders kan klinken. Daarbij valt te denken aan situaties dat bijvoorbeeld wordt gefluisterd of gelachen. In dergelijke gevallen past een nog grotere mate van behoedzaamheid;

  • -

    aan een stemherkenning die door twee of meer verschillende verbalisant(en) wordt beschreven, kan meer bewijswaarde worden toegekend dan aan een enkelvoudige stemherkenning;

  • -

    aan een stemherkenning die wordt bevestigd door één of meer andere geverbaliseerde waarnemingen of bevindingen, kan meer bewijswaarde worden toegekend dan aan een enkele stemherkenning;

  • -

    aan herkenning van een stem, die in andere gesprekken door dezelfde verbalisant(en) wordt herkend en welke herkenning in die gesprekken wordt bevestigd door overige geverbaliseerde waarnemingen, kan meer bewijswaarde worden toegekend dan aan een eenmalige stemherkenning.

De rechtbank zal derhalve geen zelfstandige bewijswaarde toekennen aan een niet concreet ondersteunde stemherkenning.

Ten aanzien het eerstgenoemde punt overweegt de rechtbank nog dat de stemherkenningen alle zijn uitgevoerd door slechts drie verbalisanten, te weten [verbalisant 5] , [verbalisant 2] en [verbalisant 1] . Zowel [verbalisant 5] (met, blijkens de ondertekening, nummer 4510) en [verbalisant 2] (met ‘prigemnummer’ 2663) als [verbalisant 1] (met nummer 6191) heeft bij proces-verbaal gerelateerd regelmatig contact te hebben gehad met verdachte (en zijn medeverdachten) en zij hebben alle drie als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat - waar zij een stemherkenning hebben gerelateerd - zij de stem van verdachte (en die van zijn medeverdachten) kennen en 100% herkend hebben.

De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om over te gaan tot bewijsuitsluiting van de OVC-gesprekken.

Waardering van de peilbakengegevens

Door de verdediging is in hoger beroep evenals in eerste aanleg een verweer gevoerd ten aanzien van de waardering van de peilbakengegevens. Ook dit verweer wordt door het hof op dezelfde gronden verworpen als door de rechtbank zijn gebruikt, zoals hierna weergegeven.

Er zijn peilbakens geplaatst op de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] (hierna ook kortweg ‘de VW Polo’ genoemd) en de Suzuki Alto met kenteken [kenteken] (hierna ook kortweg ‘de Suzuki Alto’ genoemd). Uit de processen-verbaal peilbakengegevens die zijn opgemaakt behorende bij de verschillende zaaksdossiers en, in de zaaksdossiers waarin een dergelijke proces-verbaal ontbreekt, uit de relaasprocessen-verbaal van die zaaksdossiers, volgt dat deze auto’s rijdend dan wel stilstaand zijn gesignaleerd in de ‘nabije’ omgeving van de volgens de tenlastelegging door inbraak getroffen woningen.

De officier van justitie heeft zich in beginsel op het standpunt gesteld dat de peilbakengegevens als steunbewijs zouden kunnen dienen. In zijn requisitoir heeft de officier van justitie zich per ten laste gelegd feit uitgelaten over de bewijswaarde van deze gegevens. In de gevallen waarin de door inbraak getroffen woning zich bevond in de zeer nabije omgeving van (één van) de woning(en) van (één van) de verdachte(n), heeft hij veelal geen bewijswaarde toegekend aan deze gegevens.

Door de verdediging is aangevoerd dat deze gegevens in geen enkel geval enige bewijswaarde kunnen hebben. Verdachten woonden immers allen in de directe omgeving van de buurt – soms zelfs in dezelfde straat – waarin de door de inbraken getroffen woningen zich bevinden.

Ten aanzien van de bewijswaarde van de peilbakengegevens in het algemeen overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is zich er terdege van bewust dat de meeste woninginbraken zijn gepleegd in de zeer nabije omgeving van de woningen van de verdachten. De woninginbraken zijn immers veelal gepleegd in de buurt Terweijde te Culemborg, waar de verdachten wonen. Deze buurt beslaat volgens het dossier ongeveer 1 km² aan oppervlakte. Het gegeven dat de bovengenoemde VW Polo en/of de Suzuki Alto zich rijdend en/of stilstaand bevonden op een bepaalde locatie gedurende de periode waarin de ten laste gelegde woninginbraken moeten zijn gepleegd, terwijl de getroffen woningen tevens gelegen waren in de woonomgeving van de verdachten, zegt op zichzelf dan ook niet veel. De rechtbank zal daarom in algemene zin geen bewijswaarde aan dergelijke gegevens ontlenen. Wel zal de rechtbank bij de bewijsbaarheid van de ten laste gelegde feiten telkens per feit beoordelen of niettemin enige bewijswaarde, in de zin van steunbewijs, aan de peilbakengegevens kan worden toegekend. Hierbij zal de rechtbank de inhoud van de verschillende bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang in beschouwing nemen.

Vrijspraak ten aanzien van het onder feit 16 primair en subsidiair tenlastegelegde

Het hof is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring van het onder feit 16 primair of subsidiair tenlastegelegde te komen, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Tijdens een doorzoeking in de woning aan de [adres] (de voormalige woning van verdachte) is op 28 mei 2013 op de slaapkamer van verdachte een Toshiba laptop aangetroffen (die in beslag is genomen en werd geregistreerd onder nummer G.07.01.001), die van een woninginbraak op 20 januari 2013 afkomstig bleek. Verdachte ontkent dat hij de laptop heeft gestolen of geheeld. Het dossier bevat onvoldoende concrete aanwijzingen om te kunnen vaststellen dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen wist, dan wel redelijkerwijs kon vermoeden, dat de laptop van diefstal afkomstig was, of om vast te stellen dat verdachte zichzelf schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van die laptop. Daarom wordt verdachte van dit feit vrijgesproken.

Wettig en overtuigend bewijs?

De raadsman heeft ten aanzien van elk feit -kort gezegd en zakelijk weergegeven- aangevoerd dat daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Tevens ontbreekt volgens hem omtrent de precieze gedragingen van verdachte ondersteunend bewijs, zodat niet kan worden vastgesteld of sprake is van medeplegen dan wel medeplichtigheid. De schakelbewijsconstructie, zoals deze door de advocaat-generaal wordt gebruikt, kan niet worden gevolgd.

Het hof is van oordeel dat de door de raadsman gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft -mede gelet op het vorenstaande- geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank ten aanzien van de feiten heeft overwogen, zodat het hof in het hiernavolgende -met uitzondering van feit 1- deze overwegingen overneemt en deze tot de zijne maakt. De overgenomen overwegingen zijn cursief weergegeven. Waar de overweging van de rechtbank aanvulling behoeft, is dit aangegeven. Indien in de overwegingen van de rechtbank taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

Medeplegen of medeplichtigheid

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat niet kan worden vastgesteld wat de gedragingen van verdachte zijn geweest bij het hem tenlastegelegde, zodat medeplegen dan wel medeplichtigheid niet kan worden vastgesteld, overweegt het hof in het bijzonder nog het volgende. Uit de bewijsmiddelen en het hierna overwogene valt telkens -met uitzondering van het bewijs voor feit 22- af te leiden dat de feiten zijn gepleegd door ‘verenigde personen’. Hoewel niet altijd kan worden vastgesteld wat precies door wie is gedaan, is wel duidelijk geworden dat verdachte met een of meer anderen kort voor en/of na de strafbare feiten gesprekken voert die duiden op zijn directe betrokkenheid bij de inbraken. Hierover legt verdachte geen dan wel geen aannemelijke verklaring af.

Voorts bestaan er geen contra-indicaties met betrekking tot het medeplegen van verdachte.

Het hof is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die hierna per feit zullen worden besproken -waaruit de betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten bij de feiten volgt-, het ontbreken van een aannemelijke verklaring daarover van verdachte en het niet bestaan van contra-indicaties, voldoende opleveren om te kunnen aannemen dat de bijdrage van verdachte telkens van voldoende gewicht is geweest om van medeplegen te kunnen speken. Het hof verwijst daarbij tevens naar de overwegingen genoemd bij de bespreking van feit 1 (art. 140 Sr).

Gelet op het voorgaande, komt het hof ten aanzien van verdachte tot een bewezenverklaring van medeplegen bij de bewezenverklaarde feiten, op feit 22 na.

Het hof zal in het hiernavolgende de feiten achtereenvolgens bespreken. Het onder feit 1 tenlastegelegde (artikel 140 Sr) zal echter als laatste worden besproken.

Feit 3

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 20 december 2012, tussen (omstreeks) 16.00 uur en (omstreeks) 20.30 uur zijn uit een woning gelegen aan de [adres] onder meer de volgende goederen weggenomen:

een hoeveelheid sieraden;

diverse horloges;

twee laptops, merk HP.

Deze goederen behoren geheel of gedeeltelijk toe aan [benadeelde 2] .

Men heeft zich de toegang tot de woning verschaft door een deur aan de achterzijde open te breken.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank neemt allereerst in aanmerking dat de weggenomen goederen, voor zover relevant voor de tenlastelegging, nader zijn omschreven als volgt:

  • -

    tot de weggenomen sieraden behoort een zegelring; dit betreft een ‘ouderwetse gouden heren zegelring’;

  • -

    tot de weggenomen horloges behoort een zilveren zakhorloge met zilveren ketting;

  • -

    beide weggenomen laptop-computers zijn van het merk HP..

De rechtbank is van oordeel dat in een aantal afgeluisterde OVC-gesprekken deze drievoudige nadere omschrijving valt te herkennen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze combinatie van gegevens dermate uniek dat het niet anders kan dan dat de hierna te vermelden gesprekken betrekking hebben op de onderhavige inbraak, die aan de achterzijde van de woning plaatsvond. Deze gesprekken zijn - onder de werknaam “03 OVC” - in de Volkswagen Polo opgenomen op bevel van de officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris, op de wijze zoals hierboven omschreven. In het bijzonder hecht de rechtbank belang aan een aantal gesprekken, gevoerd op 20 december 2012 vanaf omstreeks 19.46 uur. In het begin wordt gesproken over ‘breken’, hetgeen de rechtbank gelet op de context van de gesprekken, uitlegt als “inbreken” of “openbreken van een woning”. In het verloop van die gesprekken wordt achtereenvolgens het navolgende gezegd.

(….opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier…)

De stemmen van [verdachte] en van [medeverdachte 1] worden herkend. Deze stemherkenningen vinden steun in verschillende overige feiten en omstandigheden.

Ten aanzien van verdachte merkt de rechtbank allereerst op dat zijn stem wordt herkend door twee verbalisanten, te weten 2663 en 4510 (verbalisanten [verbalisant 2] resp. [verbalisant 5] ). Voorts vindt de rechtbank bevestiging van de stemherkenning in het aanspreken van een inzittende met de bijnaam ‘ [alias 1 verdachte] ’, welke bijnaam naar het oordeel van de rechtbank hoort bij verdachte.

Conclusie

Het hof acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Feiten 6 en 7

De feiten (ten aanzien van feit 6)

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 25 december 2012, tussen (omstreeks) 14.00 uur en (omstreeks) 20.45 uur zijn uit een woning gelegen aan de [adres] onder meer de volgende goederen weggenomen:

een kluis (onder meer inhoudende een geldbedrag);

een geldpotje (inhoudende ongeveer € 30,-);

parfum (merk Dark Blue);

[supermarkt 1] spaarzegels .

Deze goederen behoren geheel of gedeeltelijk toe aan [benadeelde 3] .

Men heeft zich de toegang tot de woning verschaft door een raam aan de voorzijde te forceren.

De feiten (ten aanzien van feit 7)

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 25 december 2012, tussen (omstreeks) 14.05 uur en (omstreeks) 22.10 uur zijn uit een woning gelegen aan de [adres] te Culemborg onder meer de volgende goederen weggenomen:

een geldbedrag (10 euro);

sieraden;

een horloge, merk Miller.

Deze goederen behoren geheel of gedeeltelijk toe aan [benadeelde 4] .

Men heeft zich de toegang tot de woning verschaft door met behulp van een breekijzer, een draairaam aan de achterzijde van de woning te forceren en in te klimmen.

De beoordeling door de rechtbank

Met betrekking tot feit 6 ( [adres] ) neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat met betrekking tot deze inbraak de navolgende kenmerken zijn vermeld:

  • -

    de voornaam van aangeefster is [naam] en zij werkte bij de [supermarkt 1] te Culemborg ;

  • -

    de kluis bevond zich vastgemaakt in een inbouwkast op de eerste verdieping;

  • -

    in de kluis bevond zich een hoeveelheid contant geld, voornamelijk bestaande uit briefjes van € 20 en € 50;

  • -

    weggenomen zijn twee geldpotjes met kleingeld: een ronde glazen snoeppot en een kleine ronde pot met drukdeksel;

  • -

    op het kozijn zijn handschoensporen achter gebleven;

  • -

    bij de inbraak is vermoedelijk gebruik gemaakt van een breekijzer van ongeveer 33 millimeter en van een schroevendraaier van ongeveer 13 millimeter;

  • -

    aan de zijkant van de woning aan de [adres] was een airconditioning geïnstalleerd.

Met betrekking tot feit 7 ( [adres] ) neemt de rechtbank in aanmerking dat met betrekking tot deze inbraak de navolgende kenmerken zijn vermeld:

  • -

    aangeefster [benadeelde 4] is geboren in 1932 en was in 2012 derhalve 80 jaar oud;

  • -

    bij deze inbraak is een klein geldbedrag weggenomen uit een metalen kistje;

  • -

    bij de inbraak is vermoedelijk gebruik gemaakt van een breekijzer van ongeveer 35 millimeter;

  • -

    de buurvrouw van [adres] heeft op Eerste Kerstdag 2012 waargenomen dat het licht bij [adres] omstreeks 18.10 is aangegaan en alweer uit was toen de bewoonster van nummer 14 rond 22.00 uur thuis kwam.

OVC-gesprekken

De rechtbank is van oordeel dat in een aantal afgeluisterde OVC-gesprekken de hiervoor genoemde kenmerken alle zijn te herkennen. Naar het oordeel van de rechtbank is, ten aanzien van beide feiten, de combinatie van deze kenmerken dermate uniek dat het niet anders kan dan dat de hierna te vermelden gesprekken betrekking hebben gehad op de onderhavige inbraken.Deze gesprekken zijn - onder de werknaam “03 OVC” - in de Volkswagen Polo en - onder de werknaam “02 OVC” - in de Suzuki Alto opgenomen op bevel van de officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris, op de wijze zoals hierboven omschreven. In het bijzonder hecht de rechtbank belang aan een aantal gesprekken, gevoerd op 25 december 2012 vanaf omstreeks 16.47 uur. In het begin wordt gesproken over ‘breken’, hetgeen de rechtbank gelet op de context van de gesprekken, waarin ook over 'stelen' en 'huizen pakken' wordt gesproken, uitlegt als “inbreken” of “openbreken van een woning”.

In het verloop van die gesprekken wordt achtereenvolgens het navolgende gezegd.

(….opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier…)

De rechtbank neemt in overweging dat van deelnemers aan deze gesprekken (meermalen) de stem wordt herkend. Voor zover die stemherkenning wordt bevestigd door hetzij het aangesproken worden met de bijbehorende voornaam of bijnaam, hetzij een waarneming, overweegt de rechtbank dat daarmee in voldoende mate de deelnemers aan de gesprekken kunnen worden geïdentificeerd.

Aldus komt de rechtbank tot het oordeel dat aan deze gesprekken wordt deelgenomen door:

  • -

    [medeverdachte 1] , bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn bijnaam “ [alias 1 medeverdachte 1] ” en doordat hij met zijn voornaam “ [voornaam medeverdachte 1] ” wordt aangesproken tijdens een politiecontrole. Bij deze controle is waargenomen dat hij op 25 december 2012 bestuurder van de auto was; daarbij heeft hij gezegd afdelingschef bij [supermarkt 1] te worden.

  • -

    [verdachte] , bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn bijnaam “ [alias 1 verdachte] ”.

  • -

    [medeverdachte 2] , bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn bijnaam “ [alias medeverdachte 2] ”.

  • -

    [medeverdachte 3] , bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn voornaam [medeverdachte 3] en met zijn bijnaam “ [alias 1 medeverdachte 3] ”.

  • -

    [medeverdachte 4] , bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn bijnaam “ [alias medeverdachte 4] ” en doordat hij tijdens politiecontrole op 25 december 2012 omstreeks 20.15 uur is waargenomen als passagier in de auto waarin de OVC-gesprekken zijn gevoerd.

De rechtbank herhaalt haar overweging dat uit de hierboven weergegeven OVC-gesprekken overtuigend voortvloeit dat de gesprekken betrekking hebben gehad op zowel de woninginbraak bij [adres] als de woninginbraak bij [adres] . Op grond van de weergegeven OVC-gesprekken acht de rechtbank voorts overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de genoemde verdachten.

Conclusie

Het hof acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde in de feiten 6 en 7 heeft begaan.

Feit 9

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

In de tijdspanne tussen 6 januari 2013 om 13.00 uur en 7 januari 2013 om 0.10 uur zijn uit een woning gelegen aan de [adres] onder meer de volgende goederen weggenomen:

500 euro aan cash geld;

een gouden ring met een pareltje erop;

een zilveren zegelring;

een gouden ketting met een hanger;

een scheermesje met batterij en bijbehorende mesjes.

Deze goederen behoren toe aan [benadeelde 5] .

Men heeft zich de toegang tot de woning verschaft door de achterdeur en de deur tussen de bijkeuken en de keuken open te breken. De achterdeur, die evenals het kozijn van kunststof was en van een driepuntsluiting was voorzien, vertoonde zowel boven als beneden aan de zijkant moeten van een breekvoorwerp. De deur van de bijkeuken naar de keuken was ook op slot en is met grof geweld open gebroken: het slot was er helemaal uitgebroken.

Beoordeling door de rechtbank

Op 6 januari 2013 heeft een getuige tussen 18.30 en 19.00 uur twee maal kort achter elkaar een licht blauwe Volkswagen Polo vrij hard door de straat zien rijden. Enkele minuten later is hij zijn hond gaan uitlaten en kwam datzelfde voertuig weer uit de [locatie] aanrijden, de [locatie] op richting de [locatie] . Er zat alleen een bestuurder in met een Marokkaans uiterlijk en kort haar, tussen de 20 en 25 jaar oud. Toen hij de getuige passeerde, heeft deze zijn kenteken onthouden en na thuiskomst meteen genoteerd: [kenteken] . De volgende dag vernam hij dat rond die tijd was ingebroken in een woning aan de [locatie] en heeft hij daarover de politie gebeld.

Een andere getuige liep op 6 januari 2013 omstreeks 22.00 uur met haar hondje over de [locatie] . Iets verderop zag en hoorde zij twee auto’s staan met draaiende motor. Zij zag daar een jongen van 15 à 16 jaar met een Marokkaans uiterlijk voorzien van een werkende zaklamp de bosjes in duiken. Enige seconden later kwam de jongen rennend uit de bosjes met iets redelijk groots in zijn handen en stapte hij in één van de auto’s. Hierna reden beide auto's weg in de richting van de [naam] (de rechtbank begrijpt: de gelijknamige voetbalvereniging). Eén van beide auto’s was een opvallend licht blauwe Volkswagen en had het kenteken [kenteken] ; de andere was donker blauw of zwart. Getuige heeft het kenteken thuisgekomen direct opgeschreven. Zij heeft de lichtblauwe auto vaker in de wijk gezien in die periode. Er zaten zeker 3 personen in en in de donkerkleurige Volkswagen zeker twee personen. Zij dacht dat er ingebroken zou gaan worden bij haar overbuurman aan de [locatie] en is hem dat gaan vertellen.

Deze overbuurman heeft op 7 januari 2013 en op 24 april 2013 met de politie gesproken. Hij heeft bevestigd dat hij op 6 januari 2013 omstreeks 22.00 uur door zijn overbuurvrouw is benaderd omdat zij dacht dat er bij hem werd ingebroken. Hij bevestigt de inhoud van zijn gesprek met die overbuurvrouw. Hij heeft voorts meegedeeld dat er veel was ingebroken in de buurt en dat meerdere buurtbewoners denken dat de lichtblauwe Volkswagen en de donkerkleurige Volkswagen daarbij betrokken waren omdat die op verdachte tijdstippen veel waren gezien en de inzittenden naar woningen aan het kijken waren.

Op 6 januari 2013 heeft de politie om 17.25 uur gezien dat ‘ [voornaam medeverdachte 1] ’ in zijn auto kwam aanrijden op de parkeerplaats van de [supermarkt 2] te Culemborg en dat daarin als passagiers aanwezig waren: [verdachte] en [medeverdachte 4] .

In het relaasproces-verbaal is opgenomen dat uit peilbakengegevens blijkt dat op 6 januari 2013 de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] vanaf 19.05 uur tot ongeveer 20.30 uur in de straat [locatie] en omliggende straten ( [locatie] , [locatie] , [locatie] , [locatie] ) te Culemborg heeft rond gereden. Ook heeft dat voertuig binnen die tijdspanne af en toe stilgestaan (periodes van duur variërend van ongeveer 1 minuut tot ruim 18 minuten.

Voorts werden op 6 januari 2013 met behulp van OVC-apparatuur onder meer de volgende gesprekken vanuit dit voertuig opgenomen:

(….opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier…)

Naar het oordeel van de rechtbank sluit de inhoud van de weergegeven OVC-gesprekken aan op een aantal specifieke, voldoende unieke kenmerken van deze inbraak, zodat het de daders van de inbraak moeten zijn geweest die deze gesprekken voerden. Immers, volgens de deelnemers aan dat gesprek moesten twee afgesloten deuren (waaronder één van ‘plastic’) worden opengebroken om binnen te komen en was één van die deuren zó moeilijk te openen dat in wezen het hele slot eruit is gebroken. Dit strookt met hetgeen verbalisanten daarover hebben opgetekend uit de mond van de echtgenote van aangever: de achterdeur van kunststof is door de daders opengebroken, waarna men aangekomen in de bijkeuken het slot van de bijkeukendeur, dat ook op slot was, er met grof geweld helemaal is uitgebroken. Verder hebben de gespreksdeelnemers het erover dat een grote zilveren ring is meegenomen, hetgeen strookt met de hiervoor aangehaalde aangifte. Ook zijn hebben de deelnemers aan de weergegeven OVC-gesprekken blikjes 7-up ‘boven’ gezien, hetgeen wederom past bij hetgeen de echtgenote van aangever aan de politie heeft verklaard en de agenten tijdens hun bezoek aan die woning zelf hebben waargenomen.

De rechtbank is ervan overtuigd dat verdachte aan de zojuist aangehaalde gesprekken heeft deelgenomen. Zijn stem is in deze gesprekken herkend. Die stemherkenning wordt bevestigd doordat de gesprekken zijn opgenomen in de auto waarin verdachtes aanwezigheid kort vóór de aanvang van deze gesprekken door agenten is waargenomen, en hij wordt in deze gesprekken met zijn bijnaam ‘ [alias 1 verdachte] ’ aangeroepen. Deze auto is omstreeks de tijdspanne waarin de gesprekken plaatsvonden door een getuige in de directe omgeving van de woning van aangever gezien, hetgeen ook weer aansluit bij de peilbakengegevens.De rechtbank komt hierna (bij de beoordeling van feit 1) tot het oordeel dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die het oogmerk had op (onder meer) het plegen van inbraken. Daarbij is de rechtbank gebleken dat voorafgaand aan de te plegen inbraken door de leden van de groep werd ‘voorverkend’ waar men zou kunnen toeslaan. Dit past bij het gegeven dat ook de dagen vóór deze inbraak de VW Polo door meer getuigen herhaaldelijk in de buurt is gezien.

Conclusie

Het hof acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte tezamen met één of meer anderen het tenlastegelegde onder feit 9 heeft begaan.

Feit 10

De feiten Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Tussen 7 januari 2013 omstreeks 18.15 uur en [geboortedag] 2013 omstreeks 00:20 uur zijn uit een woning gelegen aan de [adres] onder meer diverse sieraden weggenomen. Deze goederen behoren toe aan [benadeelde 6] .

Men heeft zich de toegang tot deze woning verschaft via een raam aan de achterzijde van de woning. Hierbij is een plant in een bloempot van de vensterbank gevallen en zijn diverse spullen verschoven. In de badkamer is een bakje waarin een apneugebit zat, verschoven. Dit raamkozijn, de achterdeur en de deur naar het kantoor zijn opengebroken.

De beoordeling door de rechtbank

Uit peilbakengegevens blijkt dat op 7 januari 2013 van 18.53 tot en met 19:10 uur de VW Polo zich bevond in de [locatie] . Tevens stond de VW Polo om 19.12 uur 20 minuten, om 20.42 uur 41 minuten, en om 21:34 uur 26 minuten stil binnen een straal van 150 meter van de [locatie] .

Tevens is gebleken dat de Suzuki Alto op 7 januari 2013 tussen 19:11 uur en 20:10 uur zich eveneens rijdend bevond op een afstand van nog geen 100 meter van het perceel [adres] .

Voorts werden op deze datum met behulp van OVC-apparatuur onder meer de navolgende gesprekken vanuit deze voertuigen opgenomen. De desbetreffende gesprekken zijn hieronder weergegeven zoals vermeld in het procesdossier.

(….opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier…)

Door vergelijking van de peilbakengegevens en de gesprekken gevoerd in de verschillende auto’s rond met name rond 22:18 uur en 22:19 uur, is de rechtbank ook hier van oordeel dat de auto’s elkaar toen hebben getroffen in de buurt van het pand aan de [adres] en dat de inzittenden van deze auto’s elkaar – ook buiten de auto’s – hebben gesproken. De rechtbank concludeert uit deze ontmoetingen van (de inzittenden van) beide auto's dat de gesprekken die in beide auto's zijn opgenomen betrekking hadden op hetzelfde onderwerp.

Ten aanzien van dat onderwerp overweegt de rechtbank allereerst dat in deze gesprekken wordt verwezen naar een plantenbak die is gevallen, naar de grootte van de woning (met veel deuren) en naar een gebit dat in een bakje is aangetroffen. Deze gespreksonderwerpen komen overeen met de inhoud van de verklaring van aangever. Tevens wordt gesproken over kettingen, een klokje en goud. Ook dit komt overeen met de in de aangifte genoemde voorwerpen die zijn weggenomen. De rechtbank acht deze gespreksonderwerpen - zeker in combinatie met elkaar - dermate uniek dat zij tot het oordeel komt dat alle hiervoor aangehaalde gesprekken betrekking hebben gehad op de onderhavige inbraak. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord wie de personen zijn geweest die aan de hiervoor weergegeven gesprekken hebben deelgenomen.

De rechtbank overweegt daaromtrent allereerst dat in de weergegeven gespreksmomenten de stemmen zijn herkend van [medeverdachte 5] (bijnaam ' [alias medeverdachte 5] '), [verdachte] (bijnaam ' [alias 1 verdachte] '), [medeverdachte 4] (bijnaam ' [alias medeverdachte 4] '), [medeverdachte 2] (bijnaam ' [alias medeverdachte 2] ') en [medeverdachte 1] (bijnaam ' [alias 1 medeverdachte 1] '). Die stemherkenningen worden bevestigd doordat van al deze personen, onder wie verdachte, de bijnaam is gebruikt op een wijze waaruit naar het oordeel van de rechtbank directe betrokkenheid bij en wetenschap van deze inbraak blijkt.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 5] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] tezamen en in vereniging de woninginbraak aan de [adres] hebben gepleegd.

Conclusie

Het hof acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte tezamen met één of meer anderen het tenlastegelegde onder feit 10 heeft begaan.

Feit 12 en 14

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank ten aanzien van de feiten 12 en 14 het navolgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

[adres]

Op 13 januari 2013 zijn er tussen 15.30 uur en 22.30 uur uit een woning aan de [adres] onder meer de volgende goederen weggenomen:

  • -

    een geldkist met daarin een geldbedrag van € 100,-;

  • -

    een portemonnee met daarin een geldbedrag van € 250,-;

  • -

    een geldbedrag van € 215,-;

  • -

    diverse sieraden;

  • -

    twee flessen after shave van het merk Boss;

  • -

    twee windpistolen;

  • -

    een horloge;

  • -

    een fototoestel van het merk Nikon;

  • -

    een muntenverzameling.

Deze goederen behoren toe aan [benadeelde 1] . De windpistolen lagen, in een hoes, in een apart kartonnen doosje op de slaapkamer op de eerste verdieping.

Men heeft zich de toegang van deze woning verschaft door inklimming via een draairaam aan de achterzijde op de eerste verdieping. Tevens heeft men de schuttingdeur opengebroken.

[adres]

Tussen 13 januari 2013 omstreeks 18.00 uur en 14 januari 2013 omstreeks 9.30 uur zijn uit een woning aan de [adres] onder andere de volgende goederen weggenomen:

  • -

    sieraden;

  • -

    een kluis met daarin een geldbedrag van € 4.000,-, reservesleutels en drie kentekenbewijzen van auto’s;

  • -

    een portemonnee met daarin een geldbedrag van € 300,-;

  • -

    vier parfumflessen van de merken Alien, Cavalli, Lolita, 1Million;

  • -

    een potje met sponsorgeld.

Deze goederen behoren toe aan [benadeelde 7] . De kluis stond op de bovenste plank, achter in de hoek, in een kast op de slaapkamer en was – door een groen mandje met badkleding dat voor deze kluis stond – niet direct zichtbaar. Deze kluis stond waarschijnlijk op 1.62 meter hoogte. Aangeefster (met een lengte van 1.70 meter) moest namelijk strekken om bij deze kluis te kunnen komen. Tevens stonden er die dag kappersspullen in de gang van de woning.

Men heeft zich de toegang tot de woning – een huurwoning van de stichting [naam] – verschaft door de kunststofachterdeur open te breken.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat uit peilbakengegevens blijkt dat op 13 januari 2013 de Suzuki Alto zich zowel om 20.44 uur als om 21.17 uur 5 minuten rijdend bevond in de [locatie] .

Voorts werden op deze datum met behulp van OVC-apparatuur onder meer de navolgende gesprekken in dit voertuig opgenomen. De desbetreffende gesprekken zijn hieronder weergegeven zoals vermeld in het procesdossier.

(….opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier…)

De rechtbank overweegt dat in deze gesprekken wordt gesproken over guns/alarmpistolen op een nachtkastje in een slaapkamer en over een man met een vogelhuisje. De rechtbank overweegt voorts dat bij de inbraak aan de [adres] twee alarmpistolen zijn weggenomen uit een slaapkamer, terwijl aangever [benadeelde 1] van de woning aan de [adres] heeft verklaard dat zij in de achtertuin een volière met vogels hebben.

Tevens wordt in deze gesprekken gesproken over een kluis die in een kast stond en die omhoog moest worden getild, alsmede over het pakken van deo en over een spaarpot met afbeeldingen van kinderen erop. Ten slotte wordt gezegd dat er kapperspullen op de gang stonden.

Uit de [adres] is een spaarpot weggenomen met daarop een afbeelding van kleine kinderen, er is parfum weggenomen en tevens stond de kluis in een kast waar aangeefster (1.62 meter lang) enkel bij kon wanneer zij op haar tenen ging staan. En volgens getuige [getuige 3] stonden er die dag kapperspullen in de gang van de woning.

De combinatie van deze gespreksonderwerpen acht de rechtbank dermate uniek dat zij concludeert dat in deze gesprekken is gesproken over beide inbraken, aan de [adres] en de [adres] .

De rechtbank komt op grond van alle bovenstaande gesprekken voorts tot het oordeel dat [medeverdachte 5] (bijnaam ' [alias medeverdachte 5] '), [verdachte] (bijnaam ' [alias 1 verdachte] '), [medeverdachte 2] (bijnaam ' [alias medeverdachte 2] '), [medeverdachte 4] (bijnaam ' [alias medeverdachte 4] ') en [medeverdachte 3] (bijnaam ‘ [alias 1 medeverdachte 3] ’ of ‘ [alias 2 medeverdachte 3] ’) op 13 januari 2013 en op 14 januari 2013 op de vermelde tijdstippen zich in de Suzuki Alto van [medeverdachte 5] bevonden en aan deze gesprekken deelnamen. Immers, hun stemmen worden op de verschillende tijdstippen in die periode herkend. Die stemherkenning wordt naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate bevestigd doordat allen in die periode bij hun bijnamen worden aangesproken.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 5] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] in nauwe en bewuste samenwerking de woninginbraken aan de [adres] en [adres] hebben gepleegd.

Conclusie

Het hof acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder de feiten 12 en 14 heeft begaan.

Feit 13

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 13 januari 2013 zijn uit de woning aan de [adres] sieraden van [benadeelde 8] weggenomen. Men heeft zich de toegang tot de woning verschaft door middel van het forceren/openbreken van een deur.

De beoordeling door de rechtbank

Aangever heeft verklaard dat hij op 13 januari 2013 rond 16.00 uur zijn woning aan de [adres] verliet en dat hij rond 19:00 uur weer terug was.

In het proces-verbaal van Bakengegevens staat geschreven dat de Suzuki Alto van [medeverdachte 5] zich op 13 januari 2013 tussen 17.36 en 17.40 en tussen 17.53 en 18.06 uur stilstaand bevond op en rondom de [locatie] op een afstand van ongeveer 75 meter van [adres] .

Op 13 januari 2013 werden vanaf 16:59:07 uur in voornoemde Suzuki Alto – onder meer – de volgende gesprekken opgenomen (weergave overeenkomstig het dossier)

(….opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier…)

:

De rechtbank overweegt dat in bovenstaande gesprekken wordt gesproken over ‘breken’, ‘spullen pakken’, ‘handschoenen', ‘die slot gaat kankermakkelijk open’, waaruit de rechtbank afleidt dat deze gesprekken over een inbraak gaan. De rechtbank stelt vast dat in bovenstaande gesprekken bovendien wordt gesproken over ‘die witte huis daar in die hoek’, een ‘rooie eco auto’ en ‘een poort’.

Verbalisant [verbalisant 6] heeft geverbaliseerd dat het huis aan de [adres] een wit huis betreft dat zich op de hoek van twee straten bevindt en dat de tuin te bereiken is via een houten poort. Daarbij is voorts geverbaliseerd dat tijdens zijn bezoek aan aangever op 17 april 2013 op de oprit van het huis aan de [adres] een rode Toyota Prius stond, dat dit een type betreft met een elektrisch/benzine aangedreven motor en dat aangevers hebben verklaard dat zij deze auto sinds 7 februari 2011 in hun bezit hebben.

De rechtbank overweegt dat bovenstaande details uit de gesprekken passen bij de bijzonderheden van (de inbraak in) de woning aan de [adres] .

De rechtbank overweegt voorts dat in bovenstaande gesprekken de stemmen zijn herkend van [verdachte] en [medeverdachte 4] .

De stemherkenningen van [verdachte] worden naar het oordeel van de rechtbank bevestigd doordat een deelnemer aan deze gesprekken is aangesproken met de bijnaam ' [alias 1 verdachte] ', de bijnaam van [verdachte] .

De stemherkenningen van [medeverdachte 4] worden naar het oordeel van de rechtbank bevestigd doordat [medeverdachte 4] zijn eigen naam noemt in het Frans. In dat deel van het gesprek wordt tevens gesproken over "een huis overhoop halen", terwijl slechts enkele minuten later wordt gesproken over "deze witte" en een "rooie". Dit betreft begrippen waarvan de rechtbank hierboven al heeft overwogen dat deze betrekking hebben op de witte kleur van het huis van aangever en de rode kleur van de Toyota Prius van aangever.

Tot slot overweegt dat rechtbank dat de stemherkenningen met betrekking tot [medeverdachte 5] – beide van kort vóór respectievelijk kort na het gesprek dat concreet gaat over de inbraak aan de [adres] en het moment dat die inbraak moet zijn gepleegd – worden bevestigd doordat een deelnemer aan deze gesprekken met de voornaam " [voornaam medeverdachte 5] " is aangesproken. Nu deze gesprekken ook nog zijn opgenomen in de auto van [medeverdachte 5] , heeft de rechtbank de overtuiging dat het [medeverdachte 5] is geweest die mede aan deze gesprekken heeft deelgenomen.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] zich samen schuldig hebben gemaakt aan de woninginbraak aan de [adres] .

Conclusie

Het hof acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 13 heeft begaan.

Feit 15

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Tussen 11 januari 2013 en 15 januari 2013 (omstreeks 16:00 uur) is er ingebroken bij de woning aan de [adres] .

Bij de inbraak zijn – onder meer – de volgende goederen weggenomen:

een kluis met inhoud, te weten:

o een aantal sieraden;

o waardepapieren;

o een dvd met opnamen van de kleinkinderen;

o autosleutel(s);

o een herdenkingsmunt.

Deze goederen behoren toe aan [benadeelde 9] .

Men heeft zich de toegang tot de woning en de goederen verschaft door het openbreken van de schuifpui en het forceren van de kluis.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat uit de bakengegevens van de Suzuki Alto van [medeverdachte 5] blijkt dat dit voertuig zich op 14 januari 2013 tussen 20.34 en 20.55 uur stilstaand en in de onmiddellijke omgeving van de wijk Terweijde beweegt. De [locatie] ligt in deze wijk.

Op 14 januari 2013 werden voorts met behulp van OVC apparatuur verschillende gesprekken vanuit deze Suzuki Alto opgenomen. De rechtbank overweegt dat de hierna weergegeven gesprekken lijken te duiden op de voorbereiding van een inbraak, met name gelet op woordgebruik als: ‘breken’, ‘Luister stel je voor he, we pakken in een keer een kluis met drie ton’, ‘koevoet’ en ‘je klimt zo erin toch’. De desbetreffende gesprekken zijn hieronder weergegeven zoals vermeld in het procesdossier.

(….opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier…)

De rechtbank overweegt dat in de kluis die is weggenomen uit de woning aan de [adres] een DVD, een autosleutel en een kentekenbewijs van een auto lagen alsmede een USB-stick met daarop het manuscript van een oorlogsverhaal. Deze elementen komen terug in het OVC-gesprek van 13.32 uur.

De rechtbank overweegt daarnaast dat in deze gesprekken wordt gesproken over goud, witgoud en certificaten en dat zich in de kluis van de woning aan de [adres] goud, witgoud en certificaten bevonden. De rechtbank overweegt voorts dat in de kluis aan de [adres] geen geld zat en dat de kluis die is weggenomen bij de inbraak was bevestigd achter in een kledingkast in een kamer op de begane grond. Deze elementen komen alle terug in het gesprek van 21.22.58 uur. De rechtbank is van oordeel dat de combinatie van al deze elementen dermate uniek is, dat duidelijk is dat deze gesprekken gaan over de inbraak aan [adres] .

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van bovenstaande gesprekken, het noemen van bijnamen, de stemherkenning, een en ander in combinatie gezien met (details uit) de aangifte van [benadeelde 9] overtuigend kan worden bewezen dat [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 5] zich in nauwe en bewuste samenwerking schuldig hebben gemaakt aan de woninginbraak aan de [adres] .

Conclusie
Het hof acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 15 tenlastegelegde heeft begaan.

Feit 17

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vast.

Op 20 januari 2013 zijn uit een woning aan de [adres] – onder meer – de volgende goederen weggenomen:

twee laptop(s) (merk/type: Acer);

sieraden;

een horloge.

Deze goederen behoren toe aan [benadeelde 10] .

Men heeft zich de toegang tot de woning verschaft door de deur(en) aan de achterzijde van voornoemde woning te forceren/open te breken.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat uit de bakengegevens van de Suzuki Alto van [medeverdachte 5] blijkt dat dit voertuig zich op 20 januari 2013 van 19:55 uur tot 20:01 uur bevond aan de [locatie] . Voorts volgt uit de peilbakengegevens dat de Volkswagen Polo zich tussen 19:01 uur en 19:08 uur en 20:04-20:35 uur en 20:57-21:15 uur rijdend en stilstaand op de [locatie] op afstanden van ongeveer 50 tot 200 meter van perceel [adres] bevond en dat de Suzuki Alto zich in de periode van 19:44 -21:13 uur voornamelijk stilstaand op de [locatie] op ongeveer 50 meter afstand van het politiebureau bevond.

Op die dag vanaf 20:16:10 uur, werden in de Volkswagen Polo (die in die periode op naam stond van [medeverdachte 1] ) verschillende OVC-gesprekken opgenomen.

De desbetreffende gesprekken zijn hieronder weergegeven zoals vermeld in het procesdossier.

(….opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier…)

In het proces-verbaal van bakengegevens staat vermeld dat tussen 21.19 en 21.33 zowel de Suzuki Alto van [medeverdachte 5] als de Volkswagen Polo van [medeverdachte 1] zich eerst op de [locatie] en even later op de [locatie] bevonden. De rechtbank overweegt dat dit past bij de hierboven genoemde gesprekken vanaf 21.23 uur, die in beide auto’s grotendeels overeenkomen.

De rechtbank overweegt vervolgens dat in bovenstaande gesprekken - onder meer - wordt gesproken over ‘inbraak’, ‘buit’, ‘breken’,‘pampers’, ‘blauwe durex condooms die in een la lagen’, ‘strings die in een kastje lagen’ en een ‘Seat leon’.

Aangeefster heeft verklaard dat zij en haar partner om 13:30 uur uit de woning zijn vertrokken en dat zij omstreeks 22:05 uur thuiskwamen. Aangeefster heeft verder verklaard dat ‘zelfs de babykamer helemaal overhoop was gehaald’. Voorts heeft aangeefster verklaard dat zij een Seat rijden, dat zij blauw/groene Durex condooms in een lade van het nachtkastje hebben liggen en dat aangeefster meer strings heeft dan gewone onderbroeken.

De rechtbank overweegt voorts dat in bovenstaande gesprekken de stemmen zijn herkend van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] en dat zij allen in deze gesprekken ook bij hun bijnaam zijn genoemd. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat zij allen bij bovengenoemde gesprekken aanwezig waren.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] zich in nauwe en bewuste samenwerking schuldig hebben gemaakt aan de woninginbraak aan de [adres] .

Conclusie

Het hof acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 17 heeft begaan.

Feit 21

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beoordeling van de feiten 6 en 7 heeft de rechtbank reeds overwogen dat zij op basis van de wettige bewijsmiddelen in het procesdossier de overtuiging heeft bekomen dat verdachte zich, in nauwe en bewuste samenwerking met anderen, heeft schuldig gemaakt aan de inbraken zoals bij genoemde feiten ten laste gelegd, te weten in de woning aan de [adres] en de woning aan de [adres] .

OVC-gesprekken

De rechtbank is van oordeel dat uit een aantal in het procesdossier gevoegde OVC-gesprekken overtuigend blijkt dat verdachte, samen met degenen met wie hij genoemde inbraken heeft gepleegd, de buit in de vorm van een geldbedrag heeft geteld en vervolgens verdeeld.

Die OVC-gesprekken zijn - voor zover - hier relevant, hieronder kort weergegeven, overeenkomstig het procesdossier.

Deze gesprekken zijn - onder de werknaam “03 OVC” - in de Volkswagen Polo opgenomen op bevel van de officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris, op de wijze zoals hierboven omschreven. In het bijzonder hecht de rechtbank belang aan een aantal gesprekken, gevoerd op 25 december 2012 vanaf omstreeks 16.47 uur.

In het verloop van die gesprekken wordt achtereenvolgens het navolgende gezegd.

(….opsomming OVC-gesprekken overeenkomstig het procesdossier…)

De rechtbank neemt, evenals bij de overwegingen met betrekking tot de genoemde inbraken, in overweging dat van de deelnemers aan deze gesprekken (meermalen) de stem wordt herkend. Voor zover die stemherkenning wordt bevestigd door het aangesproken worden met de bijbehorende voornaam of met de bijnaam, overweegt de rechtbank dat daarmee in voldoende mate de deelnemers aan de gesprekken kunnen worden geïdentificeerd.

Aldus komt de rechtbank tot het oordeel dat aan deze gesprekken wordt deelgenomen door:

  • -

    [medeverdachte 1] , bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn bijnaam “ [alias 1 medeverdachte 1] ” en doordat hij met zijn voornaam “ [voornaam medeverdachte 1] ” wordt aangesproken tijdens een politiecontrole op 25 december 2012.

  • -

    [verdachte] , bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn bijnaam “ [alias 1 verdachte] ”.

  • -

    [medeverdachte 2] , bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn bijnaam “ [alias medeverdachte 2] ”.

  • -

    [medeverdachte 3] , bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn voornaam [medeverdachte 3] en met zijn bijnaam “ [alias 1 medeverdachte 3] ”.

  • -

    [medeverdachte 4] , bevestigd doordat hij wordt aangesproken met zijn bijnaam “ [alias medeverdachte 4] ” en doordat hij tijdens politiecontrole op 25 december 2012 omstreeks 20.15 uur is waargenomen als passagier in de auto waarin de OVC-gesprekken zijn gevoerd.

De rechtbank herhaalt haar overweging, hierboven, dat uit de hierboven weergegeven OVC-gesprekken overtuigend voortvloeit dat de gesprekken betrekking hebben gehad op de verdeling van een geldbedrag dat is weggenomen bij een inbraak, en wel die in de woning aan de [adres] .

Deze gesprekken bieden naar het oordeel evenwel onvoldoende redengevende feiten en omstandigheden voor de conclusie dat er ook sieraden zijn verdeeld. Voorts heeft de rechtbank niet de overtuiging bekomen dat er meer dan het in de gesprekken genoemde totaalbedrag (ad € 2.045,-) is verdeeld.

Witwassen

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen, en in het bijzonder de hiervoor aangehaalde OVC-gesprekken, vast dat verdachte, samen met anderen, in de avond van 25 december 2012 daadwerkelijk een geldbedrag van 2.045 euro voorhanden heeft gehad, welk bedrag is verdeeld in vijf porties. Ook heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat dit geldbedrag afkomstig is van een woninginbraak aan de [adres] , welke woninginbraak door verdachte is gepleegd te zamen en in vereniging met anderen. Verdachte wist derhalve dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig was.

Voorts overweegt de rechtbank dat door de verdeling van het geldbedrag, in vier porties van € 340,-- en één portie van € 345,--, de herkomst van het geldbedrag daadwerkelijk is verhuld. Ten slotte neemt de rechtbank nog in overweging dat dit geldbedrag tijdens de doorzoekingen noch op enig ander moment is teruggevonden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte aldus handelend, in nauwe en bewuste samenwerking met anderen, de illegale herkomst van dit geldbedrag heeft verhuld, terwijl hij wist dat dit van diefstal afkomstig waren.

De rechtbank heeft nog geconstateerd dat in de tenlastelegging van dit feit is vermeld dat de verweten gedragingen betrekking hebben op voorwerpen, te weten een aantal sieraden en een geldbedrag. Echter, ten aanzien van de wetenschap dat deze voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn, wordt slechts “sieraden” vermeld. De rechtbank overweegt dat hier sprake moet zijn van een kennelijke verschrijving, temeer daar het geldbedrag in de tenlastelegging nog nader wordt gespecificeerd. Om die reden zal de rechtbank de tenlastelegging verbeterd lezen en na “die sieraden” inlezen: “en/of dit geldbedrag”.

Conclusie

Het hof acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde in feit 21 heeft begaan.

Feit 22

De beoordeling door de rechtbank

Verdachte wordt verweten gedurende de periode van 19 juni 2012 tot en met 5 april 2013 sieraden, waarvan hij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat deze afkomstig waren van enig misdrijf, te hebben witgewassen.

De rechtbank overweegt allereerst dat verdachte in deze periode niet kon beschikken over legale inkomsten. Bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) waren op 17 april 2013 geen relevante gegevens ten aanzien van uitkeringen of dienstverbanden bekend van verdachte gedurende deze periode en verdachte heeft geen andere relevante informatie verstrekt. De ouders van verdacht hadden in deze periode niet meer dan een bijstandsuitkering WWB.

Door de politie is onderzoek gedaan bij verschillende juweliers in Utrecht. Uit de opkoperregisters van juwelier [naam] blijkt het volgende:

  • -

    op 19 juni 2012 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer] ) diverse sieraden ingeleverd en daarvoor € 1.400,- ontvangen;

  • -

    op 19 juni 2012 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer] ) 1 hanger van 14 karaat goud ingeleverd en daarvoor € 40,- ontvangen;

  • -

    Op 28 september 2012 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer] ) een oorbel ingeleverd en daarvoor € 36,- ontvangen;

  • -

    Op 5 oktober 2012 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer] ) verschillende sieraden ingeleverd en daarvoor € 820,- ontvangen;

  • -

    Op 27 oktober 2012 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer] ) (een) onbekend(e) voorwerp(en) ingeleverd en daarvoor € 1.820,- ontvangen;

  • -

    Op 30 oktober 2012 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer] ) 11 ringen, 5 hangers, 7 kettingen, 1 oorbel en 2 halskettingen ingeleverd en daarvoor € 4.300,- ontvangen;

  • -

    Op 5 november 2012 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer] ) een armband ingeleverd en daarvoor € 1.220,- ontvangen;

  • -

    Op 21 november 2012 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer] ) (een) onbekend(e) voorwerp(en) ingeleverd en daarvoor € 1.004,- ontvangen;

  • -

    Op 5 april 2013 heeft een persoon (gelegitimeerd met ID-nummer [nummer] ) een ring ingeleverd en daarvoor € 100,- ontvangen.

Verdachte heeft ontkend dat hij sieraden of goederen zou hebben ingeleverd en dus hebben witgewassen. Uit het bovenstaande volgt echter dat een persoon met de ID-nummers (danwel van een ID-kaart, zijnde [nummer] , of van een paspoort, zijnde nummer [nummer] ) behorende bij verdachte deze sieraden heeft ingeleverd, acht de rechtbank zijn ontkenning ongeloofwaardig. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het verdachte is geweest die deze voorwerpen bij deze juwelier heeft ingeleverd.

Verdachte heeft aldus in totaal in de periode van 19 juni 2012 tot en met 5 april 2013 een bedrag van € 10.740,- ontvangen door sieraden of soortgelijke voorwerpen in te leveren bij deze juwelier.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de financiële situatie van verdachte het niet anders kan dan dat deze sieraden afkomstig waren uit enig misdrijf. Nu verdachte voorts geen enkele verklaring heeft gegeven over de herkomst van deze sieraden, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten minste redelijkerwijs moest vermoeden dat deze sieraden afkomstig waren van enig misdrijf. Door de sieraden te verkopen heeft hij omzettingshandelingen verricht waardoor de illegale herkomst werd verborgen.

Conclusie

Het hof acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 22 heeft begaan. Het hof merkt daarbij op dat het hof anders dan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van medeplegen komt, maar tot een bewezenverklaring van plegen, nu voor medeplegen naar het oordeel van het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is.

Feit 1

Onder feit 1 is -kort gezegd- deelneming aan een criminele organisatie tenlastegelegd.

Beoordelingskader

Het hof stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van “een organisatie” als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon (vgl. HR 26 oktober 1993, LJN AD1974, NJ 1994, 161). Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie (vgl. HR 9 november 2004, LJN AQ8470) of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (vgl. HR 29 januari 1991, NJ 1991, 50, HR 22 januari 2008, NJ 2008, 72).

Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in de artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht kan slechts dan sprake zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dit artikel bedoelde oogmerk.

Gelet op het voorgaande moet de vraag worden beantwoord of in deze zaak sprake is geweest van een organisatie met het oogmerk tot het plegen van misdrijven en, zo ja, of verdachte van deze organisatie deel heeft uitgemaakt.

Oordeel van het hof

Uit de hiervoor ten aanzien van de afzonderlijk tenlastegelegde feiten gebezigde bewijsmiddelen, in samenhang bezien met de inhoud van de hieronder nader te noemen bewijsmiddelen, volgt naar het oordeel van het hof dat er sprake was van een gestructureerd samenwerkingsverband. Uit het hiervoor overwogene leidt het hof af dat het doel van de organisatie het plegen van inbraken en witwassen was. De organisatie bestond uit verdachte en medeverdachten, met wie hij de hem tenlastegelegde feiten -die veelal zien op de inbraken- heeft gepleegd. Het hof overweegt hierbij in het bijzonder het volgende.

In de vanaf 9 december 2012 tot en met 22 januari 2013 in de VW Polo en Suzuki Alto opgenomen gesprekken zijn frequent de stemmen van verdachte en/of één of meer van de vijf medeverdachten herkend en/of hun (bij-)namen gehoord wanneer er tegen of - in hun bijzijn - over hen werd gesproken. Het betreft vrijwel steeds:

  • -

    [medeverdachte 1] (bijnaam: [alias 1 medeverdachte 1] ) (in 16 van de in totaal 33 uitgewerkte gespreksfragmenten is zijn stem als gespreksdeelnemer herkend; in 22 van de gespreksfragmenten valt zijn (bij-) naam),

  • -

    [medeverdachte 2] (bijnaam: [alias medeverdachte 2] ) (in 21 van de in totaal 33 uitgewerkte gespreksfragmenten is zijn stem als gespreksdeelnemer herkend; in 26 van de gespreksfragmenten valt zijn (bij-) naam),

  • -

    [medeverdachte 3] (bijnaam: [alias 1 medeverdachte 3] of [alias 2 medeverdachte 3] ) (in 14 van de in totaal 33 van de uitgewerkte gespreksfragmenten is zijn stem als gespreksdeelnemer herkend; in 25 van de gespreksfragmenten valt zijn (bij-)naam),

  • -

    [medeverdachte 4] (bijnaam: [alias medeverdachte 4] ) (in 13 van de in totaal 33 uitgewerkte gespreksfragmenten is zijn stem als gespreksdeelnemer herkend; in 21 van de gespreksfragmenten valt zijn (bij-)naam),

  • -

    [medeverdachte 5] (bijnaam: [alias medeverdachte 5] ) (in 16 van de in totaal 33 uitgewerkte gespreksfragmenten is zijn stem als gespreksdeelnemer herkend; in 26 van de gespreksfragmenten valt zijn (bij-) naam) en

  • -

    [verdachte] (bijnaam: [alias 1 verdachte] of [alias 2 verdachte] ) (in 23 van de in totaal 33 uitgewerkte gespreksfragmenten is zijn stem als gespreksdeelnemer herkend; in 21 van de gespreksfragmenten valt zijn (bij-)naam).

Op grond hiervan constateert het hof dat deze gesprekken telkens werden gevoerd tussen en/of in aanwezigheid van verdachte en één of meer van de vijf medeverdachten. Een enkele keer zijn in die gesprekken tevens de stemmen of namen van anderen herkend of gehoord. Naar het oordeel van het hof vormden verdachte en zijn medeverdachten echter de vaste kern van die groep, afgaande op de frequentie waarmee zij (in wisselende samenstelling) aan de gesprekken deelnamen en/of daarbij kennelijk aanwezig waren of tegen en over elkaar spraken. Uit een aantal gesprekken is ook af te leiden dat de groep zich beschouwde als ‘onovertroffen groep’ ‘strijders’. De conclusie van het hof dat verdachte en zijn vijf medeverdachten vaak in elkaars gezelschap verkeerden, wordt bevestigd door registraties van de politie naar aanleiding van surveillances in de periode van 17 oktober 2012 tot en met 13 mei 2013. Daaruit blijkt dat verdachte en genoemde vijf medeverdachten in die periode veelvuldig – in wisselende samenstellingen – met elkaar in of bij de VW Polo en de Suzuki Alto (en af en toe andere voertuigen) zijn aangetroffen. Op grond van dit alles stelt het hof vast dat in ieder geval verdachte en genoemde vijf medeverdachten deel uitmaakten van een vaste groep personen die (in ieder geval) in of bij die voertuigen frequent samen kwam en die weliswaar een wisselende samenstelling had, maar ook een min of meer besloten karakter.

Met betrekking tot de (hiervoor bij de feiten) al genoemde (en opgenomen) opgenomen gesprekken tussen de verdachten constateert het hof dat die nagenoeg alle (mede) gingen over te plegen woninginbraken en/of (de buit van) gepleegde woninginbraken. Er werd in of nabij beide voertuigen vaak letterlijk gesproken over inbreken, met gebruikmaking van woorden en termen als ‘(in- of open-) breken’, ‘open maken’, ‘naar binnen gaan’ en ‘stelen’. Het hof heeft, ook gelet op de context waarbinnen die woorden werden gebruikt, geen twijfel over de betekenis van die woorden. Daarnaast ging een heel aantal gesprekken ook over goud, zilver, diverse soorten sieraden, horloges, kluizen, computers, laptops en geld. Het is een feit van algemene bekendheid dat daders van woninginbraken het juist op dit soort zaken hebben gemunt. Een deel van de door de groepsleden besproken goederen is ook specifiek te koppelen aan in Culemborg gepleegde woninginbraken, zoals uit de hiervoor vermelde bewezenverklaringen ten aanzien van verdachte en de daartoe gebezigde bewijsmiddelen met betrekking tot die feiten blijkt.

Uit de gesprekken tussen de groepsleden blijkt verder dat zij – zoals de meeste inbrekers; ook een feit van algemene bekendheid – inbraken pleegden uit financieel gewin. De buit van de inbraken werd dan ook onder hen verdeeld, al dan niet nadat de gestolen goederen eerst verkocht werden voor geld. Waardevolle (meest: gouden) sieraden waren in elk geval vaak voor de verkoop bedoeld. Gebleken is dat twee van de zes groepsleden eenmaal of meermalen sieraden hebben ingeleverd tegen betaling van contant geld bij verschillende juweliers in Utrecht. Vijf van de zes groepsleden zijn op 9 maart 2013 bij zo’n juwelier geweest om het legitimatiebewijs van één van hen terug te vragen, zodat – naar de overtuiging van het hof – niet uit zou komen dat hij eerder bij die juwelier sieraden had ingeleverd.

Gelet op het voorgaande heeft het hof de overtuiging dat de groep het oogmerk had woninginbraken te plegen en daarnaast witwassen.

Uit de in de VW Polo en Suzuki Alto opgenomen gesprekken leidt het hof af dat de groep bij de beraming en de uitvoering van de inbraken veelal de navolgende werkwijze en taakverdeling hanteerde.

Er vonden voorverkenningen plaats, vaak door met de auto ‘rondes te maken’ in de wijk in Culemborg waarin zij woonden en de omliggende wijken. Deze voorverkenningen dienden er toe te bekijken in welke woningen zij zouden willen inbreken, waarbij zo nodig meermalen langs de desbetreffende woningen werd gereden. Dit wordt bevestigd door getuigen die de VW Polo meermalen hebben zien rijden door de straat van een door inbraak getroffen woning in de dagen vóór de inbraak en omstreeks het tijdstip dat die inbraak moet zijn gepleegd. De groepsleden maakten dan een inschatting van de feitelijke mogelijkheid om ongestoord en ongezien binnen te komen. In de gaten werd bijvoorbeeld gehouden welk voertuig door de bewoners van een bepaalde woning werd gebruikt. De groepsleden hielden ook de aan- of afwezigheid van de bewoners in de gaten. Ter controle of bewoners thuis waren, werd ook bij woningen aangebeld of geklopt. Afgesproken werd met elkaar wanneer en waar zou worden toegeslagen.

De groep had de beschikking over een (of meer) koevoet(en) en/of bandenlepel(s) en/of andere breekvoorwerpen – door hen ook wel ‘brekie’ genoemd – om deuren of ramen open te breken als dat nodig was om een woning binnen te komen. Deze breekwerktuigen werden bewaard in bijvoorbeeld een brandgang of struiken (’bosjes’) en opgehaald kort vóór de te plegen inbraken.

Verder droegen de leden van de groep tijdens het inbreken handschoenen en/of sokken, naar het hof aanneemt om geen sporen achter te laten. Ook die zaken hadden zij niet steeds bij zich in de auto’s; zij moesten vóór de inbraak ergens vandaan worden gehaald, soms eveneens uit ‘de bosjes’.

Uit gespreksfragmenten volgt verder, dat tijdens de inbraken zelf vaak een min of meer vaste taakverdeling gold, ook al voerde niet ieder groepslid steeds dezelfde taken uit en was niet steeds elk groepslid bij iedere inbraak aanwezig. Eén deel van de groep nam volgens de vaste werkwijze het ‘breken’ voor zijn rekening, een ander deel het ‘naar binnen gaan’. Verder stond geregeld iemand van de groep op de uitkijk. Ook werd in de buurt van de inbraak rondgereden met één of twee auto’s, om de groepsleden in de buurt van de plaats van de inbraak te brengen en/of de politie in de gaten te houden en/of om na het plegen van de inbraak of bij onraad de andere groepsleden snel de omgeving uit te krijgen. Frequent werd daarnaast de politie of het politiebureau in de gaten gehouden.

Voorts overweegt het hof nog dat het kennelijk de afspraak was dat de groepsleden elkaar via ‘pings’ – gratis tekstberichten, te versturen met een mobiele telefoon van het merk BlackBerry – op de hoogte stelden wanneer men zou gaan inbreken. Ook lijkt het erop dat was afgesproken dat degene die op de uitkijk stond de anderen via 'pings' moest waarschuwen bij onraad.

Gelet op het voorgaande -zoals is overwogen bij de bespreking van de andere feiten- en de wettige bewijsmiddelen in onderling verband en in samenhang bezien, acht het hof overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 1 heeft begaan.

Het hof is van oordeel dat niet voldoende is komen vast te staan dat de organisatie tevens heling als oogmerk had, zodat verdachte van dat deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

In de tenlastelegging wordt als tijdstip van het feit de periode van 13 augustus 2012 tot en met 16 mei 2013 vermeld. Het hof meent dat de criminele activiteiten van de groep – gezamenlijk inbreken– zich niet hebben beperkt tot de periode van 9 december 2012 tot en met 22 februari 2013 waarin in de VW Polo en de Suzuki Alto de gesprekken zijn opgenomen. Ook vóór en ná die periode is het merendeel van de verdachten tussen 17 oktober 2012 en 13 mei 2013 veelvuldig in wisselende samenstellingen in elkaars gezelschap gezien. Voor een aantal van hen geldt daarnaast dat zij ook vóór 17 oktober 2012 een aantal malen onder verdachte omstandigheden zijn gezien en/of dat zij in verband worden gebracht met daarvóór gepleegde inbraken. Naar het oordeel van het hof zijn er echter onvoldoende concrete aanwijzingen dat toen al sprake was van de hiervoor besproken, relatief vastomlijnde groep van nauw en structureel – zij het in wisselende samenstelling – samenwerkende personen.

Het deelnemen door verdachte aan deze criminele organisatie acht het hof dan ook -evenals de rechtbank- wettig en overtuigend bewezen voor de periode van 17 oktober 2012 tot en met 13 mei 2013. Het hof zal verdachte vrijspreken voor zover hem een langere periode van deelneming aan een criminele organisatie is tenlastegelegd.

Conclusie

Het hof acht op basis van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 1 heeft begaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 3, 6, 7, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 17, 21 en 22 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

(…. tekst bewezenverklaarde feiten…)

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Het onder 7 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Het onder 9 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 10 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 12 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Het onder 13 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 14 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 15 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 17 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 21 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van witwassen.

Het onder 22 bewezen verklaarde levert op:

schuldwitwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

In eerste aanleg heeft de officier van justitie geëist om verdachte voor 20 feiten te veroordelen en hem daarvoor een straf op te leggen van 21 maanden jeugddetentie. De rechtbank heeft verdachte voor 14 feiten veroordeeld en heeft hem met toepassing van het meerderjarigenstrafrecht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 36 maanden.

Verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep aangetekend.

In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd verdachte in beginsel te veroordelen tot dezelfde straf als die door de rechtbank is opgelegd, maar vanwege de overschrijding van de redelijke termijn tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden. De advocaat-generaal ziet net als de rechtbank in de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de rol van verdachte reden om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen.

De raadsman heeft bepleit om verdachte volgens het jeugdstrafrecht te bestraffen en daarbij een lagere straf op te leggen dan door de rechtbank is gedaan, mede gelet op het enorme tijdsverloop tussen de behandeling in eerste aanleg en die in hoger beroep.

Het hof overweegt het volgende.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De feiten

Het hof veroordeelt de verdachte voor betrokkenheid bij in totaal 13 strafbare feiten. Hij is van één feit (heling) vrijgesproken. Verdachte, ten tijde van de meeste feiten slechts 16 jaar, heeft zich, al dan niet samen met anderen, in een korte periode schuldig gemaakt aan tien woninginbraken, twee maal witwassen en aan deelname aan een criminele organisatie. Woninginbraken zijn ernstige strafbare feiten waarbij inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. In deze zaak zijn woningen door de verdachten volledig overhoop gehaald in de zoektocht naar sieraden, geld, laptops en dergelijke. Veel van de weggenomen sieraden werden gebracht naar juweliers die de gouden en zilveren sieraden gingen omsmelten. Slechts enkele slachtoffers hebben hun sieraden teruggekregen, maar de meeste slachtoffers zijn tevens emotioneel gedupeerd doordat de gestolen sieraden door de omsmelting nooit meer terug kunnen komen. De buit werd witgewassen. Verdachte maakte met anderen deel uit van een criminele organisatie die ten doel had het plegen van misdrijven, met name de woninginbraken en het omzetten van de verkregen buit. Het hoeft geen betoog dat het gaat om een groot aantal ernstige strafbare feiten.

Meerderjarigenstrafrecht of jeugdstrafrecht

Verdachte was 16 jaar ten tijde van het plegen van de meeste strafbare feiten.

Ten aanzien van personen die ten tijde van het begaan van het strafbare feit de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt is de hoofdregel ingevolge artikel 77a van het Wetboek van Strafrecht dat het sanctierecht voor jeugdigen wordt toegepast. Van deze mogelijkheid kan echter op grond van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht worden afgeweken indien de ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader óf de omstandigheden waaronder het feit is begaan hiertoe aanleiding geven.

Over verdachte is pro justitia rapportage uitgebracht. In het rapport van mw. drs. G.C.G.M. Broekman, psychiater en mw. drs. K.T.E. Zászlós, GZ-psycholoog, wordt geadviseerd het minderjarigenstrafrecht toe te passen. Zij vermelden in hun rapportage - onder andere - het volgende over verdachte:

“Bij betrokkene is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. In diagnostische zin kan er bij betrokkene worden gesproken van een gemiddeld tot beneden gemiddeld intelligente man en een oppositioneel opstandige gedragsstoornis. (..) Er is sprake van een krenkbare houding en een beperkt reflectief vermogen.

(…)

Rapporteur is van mening dat het persoonsbeeld zo gekenmerkt wordt door een uitvergroting van adolescente problematiek en dat er zich een zo uitgesproken bedreiging van de sociaal emotionele ontwikkeling voordoet, dat vanuit gedragsdeskundig perspectief beoordeling en begeleiding binnen het jeugdstrafrecht van toepassing zou moeten zijn.”

[..]

Gezien de onrijpe sociaal emotionele aspecten in de persoonlijkheid van betrokkene worden geen argumenten in zijn persoonlijkheid aangetroffen die zouden moeten leiden tot het toepassen van meerderjarigenstrafrecht.”

Al met al concluderen beide deskundigen dat er in de persoonlijkheid van de verdachte geen redenen zijn om het meerderjarigenstrafrecht toe te passen.

Hoewel sprake is van een fors aantal woninginbraken ziet het hof daarin –anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal- geen reden om af te wijken van de hoofdregel dat een ten tijde van de strafbare feiten minderjarige verdachte volgens het sanctierecht voor jeugdigen worden bestraft. Het hof zal dan ook het jeugdstrafrecht toepassen.

De hoogte van de straf

Bij het grote aantal strafbare feiten is naar het oordeel van het hof alleen een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden. Het absolute strafmaximum dat in het kader van het jeugdsanctierecht aan een 16-jarige verdachte kan worden opgelegd is 24 maanden jeugddetentie. Het hof slaat tevens acht op de oriëntatiepunten straftoemeting voor jeugdigen.

Voor tien woninginbraken, twee witwasfeiten en deelname aan een criminele organisatie acht het hof een straf van 24 maanden jeugddetentie in beginsel passend.

Uit het uittreksel justitiële documentatie van 25 september 2018 volgt dat verdachte vóórdat de huidige feiten zijn gepleegd al eens was veroordeeld wegens een fietsendiefstal en na deze feiten nog wel eens met justitie in aanraking is gekomen, zij het niet voor woninginbraken. Verdachte is na zijn vrijlating in 2015 verhuisd, heeft gewerkt en is thans op zoek naar ander werk.

Verder heeft het hof nog rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Tussen het vonnis van de rechtbank (4 februari 2014) en het arrest van het hof (27 november 2018) ligt meer dan 4,5 jaren. Weliswaar is een deel van dit tijdsverloop te verklaren door verricht onderzoek door het NFI, het horen van getuigen en de samenhang met de zaken tegen meerdere medeverdachten, maar niet alle verstreken tijd is daardoor gerechtvaardigd. Een verlaging van de straf met 10 % ligt daarom in de rede.

Alles in aanmerking genomen acht het hof een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 21 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Verdachte heeft deze straf al in zijn geheel in voorarrest ondergaan. De geschorste voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

Beslag

Teruggave

Ten aanzien van de na te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen is het hof van oordeel dat deze terug moeten worden gegeven aan diegene, zijnde verdachte, waaronder de voorwerpen in beslag zijn genomen. Het betreft de volgende voorwerpen:

- G.10.01.009.01 (oorsieraad), G.10.01.010 (sieradendoosje).

Terug rechthebbende:

Ten aanzien van het na te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen is het hof van oordeel dat deze terug moeten worden gegeven aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon. Het betreft het volgende voorwerpen:

- G.07.01.001 (laptop merk Toshiba); en

- G.07.01.001.01 (laptop merk Toshiba, Satellite A200-ltw).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 450,00, bestaande uit € 100,00 aan materiële schade en € 350,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het materiële deel van de vordering wordt toegewezen, hoofdelijk, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in dit deel van de vordering, bij gebrek aan een wettelijke grondslag voor toewijzing van dit deel.

De raadsman heeft de vordering van de benadeelde partij niet gemotiveerd of inhoudelijk betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 12 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 100,00, bestaande uit materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade zoals bedoeld in de wet heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde handelen. Het hof overweegt daartoe dat uit de artikelen 6:95 juncto 6:106 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat uitsluitend in limitatief in de wet opgesomde gevallen aanspraak bestaat op "smartengeld". In geval van vermogensdelicten bestaat die aanspraak niet, tenminste niet zonder meer. In het bijzonder kan in deze zaak, hoezeer ook invoelbaar is dat de woninginbraak voor de benadeelde partij (mede) een inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer vormt en voor gevoelens van angst en onveiligheid heeft gezorgd, niet worden gezegd dat sprake is van enige vorm van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b. van het Burgerlijk Wetboek. Dit houdt in dat een wettelijke grondslag voor de gevorderde immateriële schadevergoeding ontbreekt, zodat dit deel van de vordering moet worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77gg, 140, 311, 420bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep -voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 16 primair en 16 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 6, 7, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 17, 21 en 22 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3, 6, 7, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 17, 21 en 22 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- G.07.01.001 (laptop merk Toshiba);

- G.07.01.001.01 (laptop merk Toshiba, Satellite A200-ltw).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

-G.10.01.009.01 (oorsieraad), G.10.01.010 (sieradendoosje).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 12 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 12 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen jeugddetentie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 13 januari 2013.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. M. Barels, voorzitter,

mr. J.A.W. Lensing en mr. K.A.J.M. Wetzels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Jochems, griffier,

en op 27 november 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.