Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1123

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
200.215.552/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging van het gezamenlijk gezag. Op ouders rust zware inspanningsplicht om hun gedrag te veranderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.215.552/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/157873 / FA RK 15-1759)

beschikking van 1 februari 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A. Atema te Groningen,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in principaal appel,
verzoeker in (voorwaardelijk) incidenteel appel,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. Helmantel te Sappemeer.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 18 augustus 2015 en 7 februari 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van het geding in hoger beroep blijkt uit:
- het beroepschrift tevens schorsingsverzoek en verzoek tot het treffen van voorlopige
voorzieningen, met productie(s), ingekomen op 5 mei 2017;
- het verweerschrift tevens (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met productie(s);
- het verweerschrift tegen het (voorwaardelijk) incidenteel appel met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Atema van 24 mei 2017 met productie(s);
- twee brieven van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van 24 mei en 22
augustus 2017;

- een journaalbericht van mr. Atema van 10 november 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Helmantel van 5 december 2017 met productie(s).

2.2

Het hof heeft bij beschikking van 13 juni 2017 het schorsingsverzoek en verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen van de moeder afgewezen (200.215.552/02 en 200.215.727/01)).

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 7 december 2017 plaatsgevonden. Partijen en hun advocaten zijn daarbij verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de - in 2011 verbroken - affectieve relatie tussen partijen is [in] 2010 de nu zevenjarige [de minderjarige] geboren (verder te noemen: [de minderjarige] ), die door de vader is erkend. De minderjarige heeft van 24 december 2013 tot 24 juni 2016 onder toezicht gestaan. Hij heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder.

3.2

Bij beschikking van 19 februari 2014 is bepaald dat de vader naast de moeder is belast met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] . Daarnaast is een contactregeling tussen de vader en [de minderjarige] bepaald van drie weekenden per maand van zaterdag (na het middagslaapje) tot zondag 19.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen.

3.3

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 30 juni 2015, heeft de moeder verzocht haar alleen te belasten met het gezag over [de minderjarige] en te bepalen dat tussen de vader en [de minderjarige] geen contactregeling zal gelden, dan wel een professioneel begeleide contactregeling, de omvang naar redelijkheid en billijkheid door de rechtbank vast te stellen.

3.4

Bij (tussen)beschikking van 18 augustus 2015 heeft de rechtbank partijen verwezen naar het hulpverleningstraject Ouderschap na Scheiding (hierna: ONS-traject), een voorlopige contactregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige] , de raad (voorwaardelijk) verzocht een onderzoek in te stellen en advies uit te brengen aan de rechtbank en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.5

De raad heeft in de verslagen van het ONS-traject aanleiding gezien een onderzoek in te stellen. In zijn rapport van bevindingen van 12 september 2016 heeft de raad geconcludeerd en geadviseerd tot afwijzing van het verzoek van de moeder om alleen te worden belast met het gezag over [de minderjarige] . Daarnaast heeft de raad geadviseerd een definitieve contactregeling tussen de vader en [de minderjarige] vast te leggen van één weekend per twee weken van vrijdagmiddag na schooltijd tot zondag 17.00 uur, waarbij de vakanties en feestdagen (onveranderd) bij helfte worden verdeeld, met uitzondering van de zomervakantie waarin [de minderjarige] twee keer één week bij de vader verblijft.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking van 7 februari 2017 heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad (naar het hof begrijpt: onder wijziging van de beschikking van 19 februari 2014)
- de door de raad geadviseerde contactregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld (inhoudend één weekend per twee weken van vrijdagmiddag na schooltijd tot zondag 17.00 uur en de helft van de vakanties en feestdagen met uitzondering van de zomervakantie waarin [de minderjarige] twee keer één week bij de vader verblijft) en het meer of anders verzochte afgewezen waaronder het verzoek van de moeder om alleen te worden belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

4.2

De moeder is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 7 februari 2017. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof, na wijziging ter zitting, om de bestreden beschikking te vernietigen en primair partijen op te dragen in forensische mediation te gaan, subsidiair haar verzoeken in eerste aanleg (eenhoofdig gezag en primair geen contactregeling dan wel een begeleide contactregeling in goede justitie te bepalen) alsnog toe te wijzen.

4.3

De vader verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in het principaal hoger beroep dan wel die verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Hij heeft daarbij voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld aldus dat hij verzoekt, in het geval het hof van oordeel is dat grond bestaat voor wijziging van het gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag, te bepalen:
(1) dat het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vader zal zijn;
(2) dat de vader wordt belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] en
(3) dat in goede justitie een contactregeling wordt vastgesteld tussen de moeder en [de minderjarige] .

4.4

De moeder heeft in het verweerschrift met betrekking tot de verzoeken van de vader in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vader in die verzoeken.

5 De motivering van de beslissing
Het gezag

5.1

Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW), gelezen in samenhang met artikel 1:251a lid 1, kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.2

Uit het raadsrapport van 12 september 2016 blijkt onder meer dat [de minderjarige] vanaf jonge leeftijd veelvuldig getuige is geweest van spanningen en ruzies tussen zijn ouders en dat hij zich desondanks ten tijde van het raadsonderzoek goed leek te ontwikkelen, waarbij de raad heeft aangetekend dat als deze situatie voortduurt het op de lange termijn wel schadelijke gevolgen kan hebben voor de sociale en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] . De conflictueuze relatie tussen zijn ouders tast zijn gevoel van veiligheid en zelfvertrouwen aan en heeft ook gevolgen voor de manier waarop hijzelf als kind, en later als volwassene, met conflicten omgaat. Daarnaast kan het allerlei gedragsproblemen geven. De raad heeft daarom destijds wederom het opstarten van een hulpverleningstraject voor de ouders aangewezen geacht (ONS-traject), waarbij de raad de vader heeft meegegeven zijn afwijzende standpunt tot het opnieuw aangaan van het ONS-traject te heroverwegen omdat het in het belang van [de minderjarige] is dat de ouders op constructieve wijze met elkaar communiceren en samenwerken om zo de risico's op ontwikkelingsschade voor [de minderjarige] te beperken. De vader moet volgens de raad leren om te gaan met zijn frustraties, adequaat te reageren op de moeder en haar gezag te ondersteunen. De samenwerking tussen de ouders verloopt volgens de raad wisselend; vanaf uiteengaan gaat het met perioden goed en minder goed. Met name het overdrachtsmoment is een terugkerende aanleiding tot conflicten tussen de ouders. De moeder vindt vader onvoorspelbaar en grillig en de vader heeft het gevoel dat de moeder alles bepaalt. Over en weer ontbreekt vertrouwen in elkaar. [de minderjarige] zelf heeft het bij beide ouders naar de zin. Alles afwegende heeft de raad geadviseerd het gezamenlijk gezag in stand te laten, daarbij mede in aanmerking nemend dat vaders houding weliswaar enigszins wisselend is maar hij uiteindelijk geen beslissingen heeft geblokkeerd die door de moeder zijn genomen. De raad heeft de ouders tevens geadviseerd om met een mediator in gesprek te gaan.

5.3

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, mede op basis van voormeld advies van de raad, geoordeeld dat de communicatieproblemen tussen partijen niet zodanig ernstig zijn dat sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige] klem komt te zitten of verloren zou raken tussen de ouders. Wel heeft de rechtbank geconstateerd dat het door partijen ingezette ONS-traject geen verbetering heeft gebracht en dat de situatie waarin de ouders gebrekkig communiceren en samenwerken al jaren bestaat.

5.4

Het hof stelt vast dat de zorgen over de onderlinge communicatie tussen de ouders en de positie van [de minderjarige] hierin vanaf de bestreden beschikking aanmerkelijk zijn toegenomen. De verhouding tussen partijen is al geruime tijd ernstig verstoord en constructief overleg was al moeilijk maar is inmiddels in het geheel niet meer mogelijk. Partijen onderkennen dit ook. Zelfs over kleine dingen zoals de uitleg van de contactregeling die in de bestreden beschikking is bepaald, ontstaat grote onenigheid. Er is veel geprobeerd en geïnvesteerd om de communicatie en verstandhouding tussen de ouders te verbeteren, maar al deze pogingen hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. Integendeel, alle respect en vertrouwen van de ouders jegens elkaar lijkt door de aanhoudende strijd te zijn verdampt. Dat de situatie licht ontvlambaar is, heeft het hof ter zitting zelf kunnen vaststellen. Herhaaldelijk heeft het hof de ouder(s) tot kalmte moeten manen. De vader heeft in dit verband onder meer toegelicht dat hij inmiddels in de Ziektewet zit wegens klachten gerelateerd aan overspannenheid, dat hij 'er klaar mee is' en dat hij niet meer bereid is een traject van forensische mediation of een ander traject te gaan volgen gericht op verbetering van de onderlinge verstandhouding en communicatie tussen de ouders. Hij vindt dat te belastend en heeft geen enkel vertrouwen meer in (de goede intenties van) de moeder. De moeder heeft onder meer toegelicht dat zij zich zorgen maakt over de opvoedingsomgeving van [de minderjarige] bij de vader, bijvoorbeeld over het spelen door [de minderjarige] van computerspelletjes die niet bij zijn leeftijd passen (18+) en middelengebruik door de vader. Naar eigen zeggen lukt het de moeder niet om met de vader over haar zorgen daarover in gesprek te gaan. Beide ouders hebben (psychologische) hulp voor zichzelf ingeschakeld om met de situatie om te gaan maar ook dat heeft niet tot verbetering geleid in de communicatie.

5.5

Bijna zeven jaar na het verbreken van de relatie en bijna anderhalf jaar na het raadsrapport, waarin duidelijk is verwoord wat er van ouders wordt verwacht, moet het hof vaststellen dat partijen nog steeds niet in staat zijn tot de voor de uitoefening van gezamenlijk gezag noodzakelijke communicatie. De vader heeft in dit verband opgemerkt dat het gezamenlijk gezag alleen op papier heeft bestaan. Partijen staan in en buiten rechte lijnrecht tegenover elkaar. In plaats van dat zij hun energie richten op het zoeken van de samenwerking wordt het conflictmodel alleen maar erger. Gebleken is onder meer dat de moeder na de bestreden beschikking met de minderjarige van [C] naar [A] is verhuisd zonder toestemming van de vader en voorts dat partijen elkaar in kort geding hebben getroffen ter zake van naleving van de contactregeling. Verder heeft zich onder meer een conflict voorgedaan rondom de door de moeder van de vader verlangde toestemming voor speltherapie voor [de minderjarige] . Uiteindelijk is de speltherapie in september 2017 van start gegaan. Tot de stukken behoort een schriftelijk verslag van de de behandelaars [D] (speltherapeute) en drs. [E] (orthopedagoog-generalist), verbonden aan orthopedagogisch bureau [F] , van 10 november 2017. Uit dat verslag blijkt dat [de minderjarige] benoemt dat zijn ouders veel ruzie maken en hij dat graag opgelost wil hebben, alsmede dat tijdens de speltherapie chaos en angst bij hem naar voren komt. De angst wordt veroorzaakt door de wijze van communicatie tussen de ouders en [de minderjarige] heeft daar veel last van. Het veroorzaakt bij hem onzekerheid en mogelijk ook schuldgevoelens over de scheiding. De behandelaars geven aan dat het voor [de minderjarige] uitermate belangrijk is dat zijn ouders werken aan hun relatie en leren om op een goede manier afspraken te maken en met elkaar te communiceren. Om die reden adviseren de behandelaars forensische mediation. Het hof heeft vastgesteld dat de vader daar niet aan wil meewerken. Gelet daarop ziet het hof geen aanleiding tot toewijzing van het primaire verzoek van de moeder.

5.6

Gelet op de feiten en omstandigheden zoals het hof die zijn gebleken, is het hof van oordeel dat sprake is van gewijzigde omstandigheden die een gezagswijziging rechtvaardigen. Anders dan in eerste aanleg bestaat inmiddels geen zicht meer op verbetering en zijn er geen aanwijzingen dat de situatie zich op afzienbare termijn in positieve zin zal wijzigen. De vader heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat hij een beslissing wil die nageleefd wordt en verder niets meer. Hij miskent daarmee dat de verplichtingen behorend bij het gezag niet van een dergelijk tijdelijke aard zijn. Hiermee is overigens niet gezegd dat de moeder geen aandeel heeft in de ontstane situatie. Integendeel. Het hof heeft ook grote zorgen over de opstelling van de moeder in dezen. Het gaat hier echter niet om het gelijk van de ouders maar in de eerste plaats om het belang van [de minderjarige] . Dat belang maakt dat nu het moment is aangebroken om het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen. Immers, hulpverlening door diverse professionals in zowel het gedwongen als in het vrijwillige kader heeft niet kunnen voorkomen dat [de minderjarige] inmiddels klem en verloren is geraakt tussen de ouders terwijl ook niet meer te verwachten valt dat hierin binnen afzienbare termijn verbetering zal komen, omdat een gezamenlijke bereidheid tot inzet daartoe niet (meer) bestaat.

5.7

Het hof ziet zich hiermee gesteld voor de vraag, mede gelet op het verzoek van de vader in het (voorwaardelijk) incidenteel appel, wie van de ouders met het eenhoofdig gezag dient te worden belast. Beide ouders hebben getoond dat zij niet altijd in staat zijn in voldoende mate het belang van de minderjarige voorop te stellen. Dat kan aldus geen doorslaggevende factor zijn. Nu de minderjarige al jaren zijn hoofdverblijf heeft bij de moeder en zij daarmede het merendeel van de zorg- en opvoedingstaken verricht, oordeelt het hof het in het belang van [de minderjarige] dat de moeder met het gezag belast blijft.

5.8

Het hof wijst om die reden de verzoeken van de vader in het (voorwaardelijk) incidenteel beroep af en wijst het subsidiaire verzoek van de moeder in het principaal beroep op het punt van het gezag toe.
De contact-/omgangsregeling

5.9

Ter zitting van het hof is gebleken dat de door de rechtbank in de bestreden beschikking bepaalde contactregeling grotendeels wordt nageleefd, hoewel ook over de uitleg van die regeling conflicten zijn ontstaan tussen de ouders. De vader heeft daarom ter zitting het belang van een zo gedetailleerd mogelijke regeling benadrukt en hij heeft gewezen op de mogelijkheid van een dwangsom. Het hof stelt vast dat van de zijde van de vader geen hoger beroep is ingesteld op dit punt en geen concreet verzoek is verbonden aan de opmerkingen hierover. Namens de moeder is ter zitting toegelicht dat de moeder niet de omgang tussen [de minderjarige] en de vader wil beletten. Het hof ziet in hetgeen partijen naar voren hebben gebracht geen aanleiding om een andere regeling vast te stellen dan door de rechtbank in lijn met het advies van de raad is gedaan. Ook uit de meest recente informatie over [de minderjarige] van zijn behandelaars blijkt dat [de minderjarige] zich bij zijn vader veilig voelt. Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen op het punt van de zorgregeling.
Slotoverweging

5.10

Deze beslissing verandert niets aan het feit dat partijen ieder voor zich de ouder is en derhalve ook in gezamenlijkheid de ouders zijn van [de minderjarige] . Het ligt op de weg van de ouders om de forse belemmeringen en last die [de minderjarige] op dit moment ondervindt door het handelen van zijn ouders, op te lossen. Op partijen rust een zware inspanningsplicht. De oplossing moet door de ouders niet worden gevonden in behandeling van [de minderjarige] maar in het voorkomen van (verdere) behandeling van [de minderjarige] door aanpassing van het gedrag van de ouders zelf. Het hof raadt partijen daarom dringend aan om te (blijven) zoeken naar mogelijkheden om de onderlinge verstandhouding te verbeteren in het zwaarwegende belang van [de minderjarige] zodat hij een positief en onbelast contact met beide ouders kan hebben en schadelijke gevolgen voor zijn ontwikkeling worden voorkomen.
6. De slotsom
Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Het gerechtshof', beschikkende in het principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
7 februari 2017 voor zover aan hoger beroep onderworpen en het de beslissing over het ouderlijk gezag betreft;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

beëindigt, onder wijziging van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 19 februari 2014, het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2010 en bepaalt dat de moeder alleen is belast met het ouderlijk gezag over hem;

draagt de griffier op krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter aantekening van deze beslissing in het openbaar register;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, M.P. den Hollander en
H. Lenters, bijgestaan door mr. A.J. Harkema als griffier en is op 1 februari 2018 in het openbaar uitgesproken.