Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:11184

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-12-2018
Datum publicatie
03-01-2019
Zaaknummer
200.240.089/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einde gezamenlijk gezag. Sinds relatiebreuk in 2013 is het ouders, ook met hulpverlening, niet gelukt om in gezamenlijkheid op behoorlijke wijze uitvoering te geven aan het gedeelde ouderschap. Door onderling strijd kunnen zij het belang van het kind niet voorop stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.240.089/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/131227 / FA RK 13-2131)

beschikking van 18 december 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen te Valkenburg aan de Geul,

en

[verweerster] ,

wonende op een geheim adres,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.J.H.M. Achten te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 12 maart 2014, 6 augustus 2014, 8 oktober 2014, 26 november 2014, 7 oktober 2015, 29 juni 2016 en 25 april 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 4 juni 2018;

- het verweerschrift;

- een brief van mr. Stassen van 12 juni 2018 met productie(s);

- een brief van mr. Stassen van 25 juni 2018 met productie(s);

- een brief van mr. Stassen van 12 juli 2018 met productie(s);

- een brief van mr. Stassen van 16 juli 2018 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 7 november 2018 plaatsgevonden. De vader is verschenen, bijgestaan door mr. E.T. van Dalen (waarnemer van mr. Stassen). Ook de moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

3 De feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken relatie tussen de vader en de moeder is [in]
2011 [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ) geboren.

De ouders waren tot de bestreden beschikking gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de moeder.

3.2

De moeder heeft op 5 december 2013 een verzoekschrift ingediend en de rechtbank verzocht, voor zover hier van belang, haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .

3.3

Na indiening van voornoemd verzoek tot de bestreden beschikking van 25 april 2018 heeft de rechtbank zes (tussen)beschikkingen gewezen en (telkens) haar (eind)beslissing aangehouden in afwachting van advies van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) en om de mogelijkheden tot verbetering van de onderlinge verhouding tussen de ouders (via bemiddelingstrajecten) en het contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] te onderzoeken.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen de ouders is in geschil het gezag ten aanzien van [de minderjarige] . Bij de bestreden beschikking van 25 april 2018 is, voor zover hier van belang, bepaald dat de moeder voortaan alleen met de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] zal zijn belast.

4.2

De vader is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de beëindiging van zijn gezag over [de minderjarige] . De vader verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking op dit punt te vernietigen en de moeder alsnog niet-ontvankelijk in haar verzoek te verklaren, althans haar verzoek af te wijzen en/of ongegrond en/of onbewezen te verklaren.

4.3

De moeder voert verweer en zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.2

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en haar alleen met het gezag over [de minderjarige] te belasten, moet worden toegewezen. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank in de bestreden beschikking over, maakt die tot de zijne en verwijst daar kortheidshalve naar. In aanvulling daarop overweegt het hof het volgende.

5.3

Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn om vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen en wel op een wijze die niet belastend is voor het kind en die zijn (emotionele en fysieke) veiligheid niet in gevaar brengt.

5.4

Uit de stukken en wat op de zitting is besproken is gebleken dat de verhouding tussen de ouders al sinds hun relatiebreuk in 2013 ernstig verstoord is en dat constructief overleg en een normale communicatie tussen hen sindsdien nauwelijks heeft plaatsgevonden. Na het uiteengaan van de ouders is er geen structurele omgang tussen de vader en [de minderjarige] geweest. In het hulpverleningstraject via [B] is - in het kader van onderhavige juridische procedure(s) - aandacht voor de rol en positie van de vader in het leven van [de minderjarige] gekomen. Eind augustus 2016 is onder professionele begeleiding van mevrouw [C] , verbonden aan [B] , omgang tussen de vader en [de minderjarige] opgestart. Uit het plan van aanpak van [B] van 1 september 2017 blijkt weliswaar dat deze omgangsmomenten steeds beter verlopen, maar ook dat een aantal factoren onbegeleide omgang lastig maakt. Dit betreft het wederzijds wantrouwen tussen de ouders, de eigengereidheid van de vader, de gevoeligheid van de moeder voor de bepalende houding van de vader, de angst van de moeder dat de vader [de minderjarige] zal ontvoeren naar het buitenland en het zelfbepalende karakter van [de minderjarige] . De vader heeft aangegeven de moeder tijdens de overdrachten liever niet te zien omdat hij het contact emotioneel belastend vindt.

5.5

De afgelopen vijf jaar hebben de ouders verschillende gerechtelijke procedures gevoerd en ook met hulp en inzet van verschillende hulpverlenende instanties is het hen tot op heden niet gelukt om - als ouders van [de minderjarige] - in gezamenlijkheid op behoorlijke wijze uitvoering te geven aan het gedeelde ouderschap. Het hof constateert dat de situatie tussen de ouders nog steeds gespannen is. De hardnekkige problematiek vanuit het verleden en het gebrek aan vertrouwen over en weer maken dat de ouders niet in staat zijn (gebleken) tot de voor de uitoefening van gezamenlijk gezag noodzakelijke communicatie. Dit blijkt ook uit de onderzoeksbevindingen van de raad, die in zijn rapport van 4 april 2014 al heeft geconcludeerd dat de onderlinge strijd tussen de ouders zo heftig is dat zij niet het belang van [de minderjarige] voorop kunnen stellen en dat toekenning van het eenhoofdig gezag aan de moeder voor [de minderjarige] het meest wenselijk is. Ook uit de door de advocaat van de moeder ter zitting genoemde (recente) bevindingen van [B] volgt dat de regie (over de omgangsregeling) het beste bij de moeder kan blijven. Voor zover de vader heeft aangevoerd dat de situatie tussen de ouders inmiddels is verbeterd of dat daar althans zicht op bestaat wordt dit door de moeder betwist. Zij vindt de vader (nog steeds) onvoorspelbaar en grillig in zijn gedrag. Weliswaar zijn er stappen gezet in het contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] , maar het hof signaleert dat het de ouders nog grote moeite kost om afspraken te maken over relatief kleine dingen als de invulling en uitvoering van de omgangsregeling. Intensieve betrokkenheid en begeleiding van mevrouw [C] hierbij, alsook haar fysieke aanwezigheid bij de overdrachtsmomenten en gedurende de omgang, is tot nu toe onverkort nodig geweest. De vader en de moeder hebben niet laten zien dat zij ook zelfstandig in staat zijn met elkaar in overleg te treden, waardoor het hof er onvoldoende vertrouwen in heeft dat zij gezamenlijk gezagsbeslissingen kunnen nemen.

5.6

Nu in hoge mate te verwachten valt dat bij handhaving van het gezamenlijk gezag de communicatieproblemen en meningsverschillen tussen de ouders ook in de toekomst strijd, onrust en spanningen voor [de minderjarige] zullen opleveren, is het hof van oordeel dat bij gezamenlijk gezag van de ouders een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders, terwijl - gelet op het verloop tot nu toe - niet valt te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen.

5.7

Het hof merkt tot slot op dat het feit dat de vader niet langer het gezag heeft, niet weg neemt dat hij de vader van [de minderjarige] blijft. De beslissing over het gezag staat los van de thans lopende omgangsregeling en mits niet strijdig met de belangen van [de minderjarige] is het de taak van de moeder om er voor te zorgen dat de vader de nodige informatie over [de minderjarige] krijgt en op de hoogte wordt gehouden van zijn gezondheid en ontwikkeling.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

Het hof zal de proceskosten compenseren nu het een procedure betreft over het kind van partijen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

25 april 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, J.G. Idsardi en F. Kleefmann, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 18 december 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.