Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10980

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-12-2018
Datum publicatie
21-12-2018
Zaaknummer
17/01103 en 17/01104
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof staat vorming van een herinvesteringsreserve niet toe omdat het gehele akkerbouwbedrijf is gestaakt. Kennis en kunde van een agrariër bepalen niet uitsluitend de identiteit van een onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-12-2018
FutD 2018-3370
V-N Vandaag 2018/2819
V-N 2019/15.22.2
NTFR 2019/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummers 17/01103 en 17/01104

uitspraakdatum: 18 december 2018

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 21 september 2017, nummers LEE 17/648 en 17/649, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2012 en 2013 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2018. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.7.

Op 9 november 2018 is van de zijde van belanghebbende een machtiging ingezonden, die mede is ondertekend door belanghebbendes bewindvoerder.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende dreef sinds 1 mei 1990 met zijn vader in maatschapsverband een akkerbouwbedrijf en heeft dit bedrijf vanaf 1 mei 1999 voortgezet in de vorm van een eenmanszaak. Belanghebbende bepaalde zijn winst over een gebroken boekjaar dat loopt van 1 mei tot en met 30 april.

2.2.

In 2006 is belanghebbende veroordeeld tot een gevangenisstraf en gedetineerd geraakt.

2.3.

Belanghebbende heeft op 11 oktober 2007 aan zijn vader algehele volmacht verleend, zodat zijn vader voor de continuering van het bedrijf tijdens zijn detentie kon zorgdragen.

2.4.

In 2008 is belanghebbende vrijgekomen en heeft hij zijn bedrijf zelfstandig voortgezet.

2.5.

Eind 2009 is belanghebbende weer in hechtenis genomen. Bij vonnis van 23 april 2010 heeft (de strafkamer van) de rechtbank Groningen aan belanghebbende een gevangenisstraf van 135 dagen met vooraftrek en de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden opgelegd. Belanghebbende kwam vervolgens vrij.

2.6.

Op 4 juli 2010 is belanghebbende wederom aangehouden en in hechtenis genomen. Bij vonnis van 25 juli 2011 is belanghebbende veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 voorwaardelijk, en is de maatregel van tbs met dwangverpleging opgelegd. Belanghebbende verblijft nog steeds in een tbs-kliniek.

2.7.

In 2010 heeft belanghebbende aan een makelaar de opdracht gegeven zijn bedrijf te koop te zetten. De buurman van belanghebbende (hierna: de buurman) heeft daarop interesse getoond om het bedrijf te kopen en er heeft diverse keren overleg plaatsgevonden met de buurman over een (mogelijke) aan- en verkoop van het bedrijf. De buurman heeft op enig moment bij de civiele rechter gevorderd dat belanghebbende zijn medewerking verleent aan de levering van – kort gezegd – de boerderij met de bijbehorende landerijen, toeslagrechten en het recht op levering van een bepaalde basisreferentiehoeveelheid polsuiker (hierna: de onroerende zaken en rechten) voor een koopprijs van € 2.500.000, omdat volgens hem een (mondelinge) overeenkomst tot verkoop tot stand was gekomen op grond waarvan belanghebbende dient mee te werken aan de levering. Belanghebbende heeft – onder meer – betwist dat er een geldige koopovereenkomst tot stand is gekomen. Bij vonnis van 16 februari 2011 heeft (de civiele kamer van) de rechtbank Groningen belanghebbende geboden om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan de levering aan de buurman. Nadat belanghebbende in verzet was gekomen tegen dit vonnis, heeft de rechtbank Groningen bij vonnis in verzet van 22 februari 2012 het vonnis bekrachtigd.

2.8.

Bij beschikking van 27 juli 2011 heeft de kantonrechter belanghebbende onder curatele gesteld en de broer van belanghebbende benoemd tot curator, welke ondercuratelestelling op 5 augustus 2011 is gepubliceerd in de Staatscourant.

2.9.

Bij akte van levering van 19 april 2012 heeft belanghebbende, ter uitvoering van de onder 2.7 genoemde vonnissen, de onroerende zaken en rechten geleverd aan de buurman.

2.10.

Op 18 juni 2012 heeft belanghebbende zijn complete machinepark verkocht aan een machinebedrijf. Op 8 augustus 2012 zijn de aardappelkisten en pallets verkocht. Op 1 oktober 2012 zijn de opstallen (inclusief de woning) opgeleverd aan de buurman. Vanaf dat moment bezit belanghebbende van de tot het onder 2.1 genoemde akkerbouwbedrijf behorende bedrijfsmiddelen de bedrijfsauto en de bedrijfsspaarrekening.

2.11.

In zijn aangifte IB/PVV 2012, waarin belanghebbende de winst heeft bepaald over het boekjaar 1 mei 2011 tot en met 30 april 2012, is, voor zover hier van belang, een herinvesteringsreserve (HIR) gevormd van € 42.000 ter zake van de boekwinst bij de verkoop van het suikerquotum (€ 40.000) en de bunker sorteerinstallatie (€ 2.000). Belanghebbende heeft een belastbare winst uit onderneming berekend van € 87.618 en heeft aldus aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 87.618.

2.12.

In zijn aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2013, waarin belanghebbende de winst heeft bepaald over het boekjaar 1 mei 2012 tot en met 30 april 2013, is een HIR van € 128.250 gevormd ter zake van de boekwinst bij de verkoop van het machinepark en de aardappelkisten en is de HIR voor een bedrag van € 40.000 ter zake van het suikerquotum vrijgevallen ten bate van de winst. Belanghebbende heeft een belastbare winst uit onderneming berekend van € 5.855 en heeft aldus aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.855.

2.13.

Bij het vaststellen van de aanslagen in de IB/PVV voor de jaren 2012 en 2013 is de Inspecteur ervan uitgegaan dat belanghebbende zijn onderneming per 1 oktober 2012 heeft gestaakt. In verband hiermee heeft de Inspecteur de aangifte IB/PVV 2012 gecorrigeerd op het punt van de HIR, waarbij het gehele bedrag van € 130.250 (= € 42.000 + € 128.250 -/- € 40.000) is gecorrigeerd, en de in het verleden gevormde oudedagsreserve, door deze ten bedrage van € 37.693 belast te laten afnemen. Rekening houdend met de stakingsvrijstelling en een hogere MKB-winstvrijstelling, en daarnaast met nog een aantal correcties die niet ter discussie staan, is de belastbare winst uit onderneming door de Inspecteur berekend op € 273.353. De aanslag is aldus berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, na verrekening met een bedrag van € 76.788 aan voorwaarts te verrekenen verliezen, van € 196.565.

2.14.

De aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2013 heeft de Inspecteur berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 72.079. De door belanghebbende in zijn aangifte als bedrijfsvermogen aangemerkte bankrekeningen heeft de Inspecteur aangemerkt als tot het box 3-vermogen behorende bankrekeningen.

3 Geschil

3.1.

In geschil is de vraag of de onderhavige aanslagen op de juiste bedragen zijn vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende zijn onderneming in 2012 heeft gestaakt.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn (subsidiaire) standpunt inzake de toepassing van de doorschuiffaciliteit van artikel 3.64 van de Wet IB 2001 laten varen. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur, en tot vermindering van de bestreden aanslagen.

3.3.

De Inspecteur beantwoordt de onder 3.1 vermelde vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De Inspecteur heeft in de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2012 naast de winst over het boekjaar 1 mei 2011 tot en met 30 april 2012 mede begrepen het resultaat over het resterende (korte) boekjaar dat loopt van 1 mei 2012 tot het moment van beëindiging van de onderneming, naar de Inspecteur stelt 1 oktober 2012. Belanghebbende heeft bestreden dat de onderneming in 2012 is gestaakt.

4.2.

Vaststaat dat belanghebbende op 19 april 2012 de onroerende zaken en de rechten van het akkerbouwbedrijf aan de buurman heeft geleverd. Op 1 oktober 2012 zijn de opstallen (inclusief de woning) opgeleverd aan de buurman. Deze levering heeft plaatsgevonden ter uitvoering van een tweetal vonnissen van de (civiele kamer van) de rechtbank, waartegen belanghebbende geen verdere rechtsmiddelen heeft aangewend. De kans dat belanghebbende de geleverde onroerende zaken en rechten terugkrijgt, is gelet daarop te verwaarlozen. Voorts zijn op 8 augustus 2012 de aardappelkisten en pallets verkocht.

4.3.

Gelet op het voorgaande staat vast dat op 1 oktober 2012 van het door en voor rekening van belanghebbende uitgeoefende akkerbouwbedrijf, behoudens de bedrijfsauto en de bedrijfsspaarrekening, die naar het oordeel van het Hof niet kunnen worden beschouwd als voor de bedrijfsuitoefening wezenlijke bestanddelen van dit bedrijf, geen bedrijfsmiddelen resteren die verplaatst kunnen worden.

4.4.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de onderneming niettemin kan worden verplaatst. Naar het oordeel van het Hof kan dit bezwaarlijk anders worden opgevat dan dat belanghebbende stelt dat de kennis van de gewassen en landbouwtechnieken en het persoonlijke vakmanschap van belanghebbende de identiteit van de desbetreffende onderneming bepalen. Belanghebbende heeft zich daarbij beroepen op een uitspraak van dit Hof van 8 januari 2013, nr. 12/00424, ECLI:NL:GHARL:2013:BY8832, inzake de tijdelijke stillegging van de werkzaamheden door een advocaat. Het Hof volgt belanghebbende daarin niet. Anders dan bij een zelfstandig uitgeoefend beroep, zoals dat van advocaat, in welk geval door wetsduiding sprake is van een onderneming, dient in het geval van een agrarische onderneming voor het drijven van een onderneming sprake te zijn van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid waarmee wordt beoogd door deelname aan het maatschappelijke productieproces opbrengst te verkrijgen. De identiteit van een onderneming, zoals door de Hoge Raad bedoeld in zijn arrest van 19 maart 2010, nr. 08/01448, ECLI:NL:HR:2010:BK4523, wordt in een geval als het onderhavige niet uitsluitend bepaald door de kennis en kunde van de agrariër (vgl. HR 27 april 2012, nr. 11/03880, ECLI:NL:HR:2012:BW4186). Voor het overige heeft belanghebbende niets concreets gesteld over de factoren die de identiteit van de onderhavige onderneming bepalen noch omtrent de identiteit van de onderneming na een eventuele vervangende investering.

4.5.

Gelet op het voorgaande is, naar het oordeel van het Hof, bij gebreke van voor de bedrijfsuitoefening wezenlijke bestanddelen van het akkerbouwbedrijf, vanaf 1 oktober 2012 sprake van staking van de onderneming. Dat belanghebbende op dat moment de intentie had om na vrijlating weer te gaan ‘boeren’, wat daar verder van zij, doet aan het voorgaande niet af. Het enkele voornemen om een vervangende investering te doen in een andere onderneming, is immers onvoldoende om te concluderen dat de voordien voor zijn rekening gedreven onderneming niet is gestaakt. Daar komt in dit geval bij dat het Hof, mede gelet op alle bijzondere omstandigheden van het geval, niet op voorhand aannemelijk acht dat belanghebbende binnen een redelijke termijn uitvoering zou hebben kunnen geven aan de gestelde intentie.

4.6.

Het gelijk is aan de Inspecteur. Voor dat geval heeft belanghebbende ter zitting van het Hof verklaard dat de cijfermatige uitwerkingen van de Inspecteur juist zijn. Dit betekent dat de aanslagen in de IB/PVV voor de jaren 2012 en 2013 juist zijn vastgesteld.

4.7.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 18 december 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma) (G.B.A. Brummer)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 december 2018

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.