Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1091

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
25-06-2018
Zaaknummer
200.216.644
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie. Lager draagkrachtloos inkomen door lagere levensstandaard in Turkije. Aansluiting bij artikel 1 van de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.216.644

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 411472)

beschikking van 1 februari 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] (Turkije),
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A. Kotan te Amsterdam,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Huisman te Amersfoort.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 augustus 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties 1 tot en met 5, ingekomen op 29 mei 2017;

  • -

    het verweerschrift met productie 1;

  • -

    een journaalbericht van mr. Huisman van 4 december 2017 met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. Kotan van 7 december 2017 met producties 6-8.

2.2

De minderjarige zoon van partijen, [kind 1] , is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 15 december 2017 plaatsgevonden. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Hoewel behoorlijk opgeroepen is de man noch zijn advocaat verschenen. Ook [kind 2] , die na het geven van de bestreden beschikking meerderjarig is geworden, is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3. De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is op 9 december 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 2 november 2011 in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben beiden zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

  • -

    [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 1998, en

  • -

    [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2001,

(hierna tezamen: de kinderen). Bij beschikking van 24 december 2014 is de vrouw alleen met het gezag over de kinderen belast. De kinderen wonen beiden bij de vrouw.

3.3

Bij beschikking van 2 november 2011 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 65,- per kind per maand zal voldoen. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2016 ingevolge de wettelijke indexering € 69,- per kind per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 8 augustus 2016 is, met wijziging van de hiervoor onder 3.3 genoemde beschikking van 2 november 2011, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 1 februari 2016 bepaald op € 170,- per kind per maand, de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen.

4.2

De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 8 augustus 2016. De eerste grief ziet op de ontvankelijkheid van het verzoek in eerste aanleg, de tweede op de draagkracht van de man en de derde op de draagkracht van de vrouw.

De man verzoekt het hof (zo begrijpt het hof) de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de vrouw tot wijziging van de beschikking van 2 november 2011 alsnog af te wijzen.

4.3

De vrouw voert verweer en zij verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, dan wel dat verzoek af te wijzen.

4.4

[kind 2] , die meerderjarig is sinds 5 november 2016, is in hoger beroep niet door de man in rechte betrokken voor zover het de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie vanaf 5 november 2016 betreft. Ten aanzien van [kind 2] is enkel de bijdrage in diens kosten van verzorging en opvoeding tot aan die datum in geschil.

4.5

Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Omdat partijen de Nederlandse en de Turkse nationaliteit hebben en de man in Turkije woont, dient het hof ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is.

5.2

Ten aanzien van het geschil, een verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie, acht het hof zich bevoegd op grond van artikel 3 aanhef en sub b van de Verordening (EG) nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (Alimentatieverordening), nu de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Ingevolge artikel 15 van de Alimentatieverordening juncto artikel 3 van het Haagse Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, is het Nederlandse recht van toepassing, nu de gewone verblijfplaats van zowel [kind 2] tot zijn meerderjarigheid als [kind 1] in Nederland is.

5.3

Vervolgens ligt voor de vraag of de man kan worden ontvangen in zijn verzoeken in hoger beroep.

De vrouw betwist dat. De bestreden beschikking dateert van 8 augustus 2016 en het beroepschrift is ingekomen ter griffie van het hof op 29 mei 2017. Anders dan de man stelt heeft hij eerder dan op 1 maart 2016 kennisgenomen van de bestreden beschikking en was hij, althans zijn advocaat, ook op de hoogte van het namens de vrouw ingediende verzoek in eerste aanleg, aldus de vrouw.

De man stelt op zijn beurt dat hij niet eerder dan op 1 maart 2017 op de hoogte is geraakt van de bestreden beschikking door ontvangst per post van een brief van het LBIO van 17 februari 2017 – waarin hem is medegedeeld dat met ingang van 1 maart 2017 beslag op zijn uitkering is gelegd onder het UWV – en dat daarom zijn beroepschrift op 29 mei 2017 tijdig is ingediend.

5.4

Artikel 358 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat hoger beroep door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden moet worden ingesteld binnen drie maanden te rekenen van de dag van de uitspraak en door de andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Op grond van artikel 806 lid 1 Rv kan met betrekking tot de rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht, niet zijnde echtscheidingszaken, in afwijking van het bepaalde in het tweede lid van artikel 358 Rv van een beschikking hoger beroep worden ingesteld:

  1. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

5.5

Het hof is van oordeel dat, ook indien ervan moet worden uitgegaan dat de advocaat van de vrouw de advocaat die de man in de echtscheidingsprocedure heeft bijgestaan heeft geïnformeerd over (het indienen van) het verzoek in eerste aanleg in de onderhavige procedure, dat onvoldoende isom aan te nemen dat de man, die in eerste aanleg niet is verschenen, vóór 1 maart 2017 op de hoogte was van deze procedure en van de inhoud van de bestreden beschikking.

Bij gebreke van gegevens die op het tegendeel wijzen gaat het hof ervan uit dat de man inderdaad niet eerder dan op 1 maart 2017 kennis heeft genomen van de inhoud van de bestreden beschikking. Dat de – aangetekend verzonden – brief van 17 februari 2017 van het LBIO de man eerder dan 1 maart 2017 heeft bereikt, is niet komen vast te staan.

5.6

Uit het voorgaande volgt dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoeken in hoger beroep. Wel merkt het hof op dat - zoals hiervoor onder 4.4 al is overwogen - wat [kind 2] betreft alleen de bijdrage in zijn kosten van verzorging en opvoeding tot 5 november 2016 in geschil is.

5.7

Met zijn eerste grief betoogt de man dat het verzoekschrift in eerste aanleg niet op juiste wijze is betekend. Het hof overweegt daarover dat, indien als er al sprake is van een verzuim, dit verzuim door het instellen van het hoger beroep en behandeling van de zaak in hoger beroep is hersteld dan wel niet (langer) relevant is. Grief 1 is daarom tevergeefs voorgedragen.

5.8

Dat zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek die een hernieuwde beoordeling van (de behoefte en) de draagkracht rechtvaardigt, staat niet ter discussie.

5.9

Wat betreft de behoefte aan kinderalimentatie overweegt het hof dat namens de vrouw ter mondelinge behandeling in hoger beroep is verklaard dat tussen partijen in de echtscheidingsprocedure (in 2011) niet in geschil was dat de behoefte van de kinderen, ook blijkens een behoefteberekening van de advocaat van de man destijds, € 430,- per maand bedroeg. De behoefte bedraagt in 2017 na indexering € 466,- per maand.

Nu de man in deze procedure niets heeft gesteld over de behoefte van de kinderen, gaat het hof ervan uit dat aan voormeld bedrag (€ 233,- per kind per maand) behoefte bestaat.

5.10

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen. De draagkracht zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 890,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.500,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 890,- aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

5.11

De man, geboren op [geboortedatum] , ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 1.837,63 netto per maand, te vermeerderen met (5%) vakantiegeld. Op basis van de stukken van het geding stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de man in 2017 vast op € 1.929,50 per maand.

5.12

Rekening houdend met een bij dit inkomen behorend redelijk lastenpatroon en een draagkrachtloos inkomen van € 1.468,85, stelt het hof de draagkracht van de man ten behoeve van de betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, conform de aanbeveling in het Rapport Alimentatienormen en de formule in de bijbehorende draagkrachttabel 2016, vast op € 322,46 per maand.

5.13

De vrouw heeft aangevoerd dat de man feitelijk meer draagkracht heeft omdat rekening moet worden met de lagere levensstandaard van de man in Turkije (die 60% van de levensstandaard in Nederland bedraagt op grond van het woonlandbeginsel in de sociale zekerheid) en dat moet worden uitgegaan van een hoger feitelijk inkomen (door het netto-inkomen van de man te verhogen met een factor 10/6).

5.14

Met de vrouw is het hof van oordeel dat voor de bepaling van de draagkracht van de man kan worden aangesloten bij de bijlage als bedoeld in artikel 1 van de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012, waarin de kosten van levensonderhoud in Turkije worden verondersteld 40% lager te zijn dan in Nederland. Het hof gaat echter – anders dan de vrouw – niet uit van een hoger inkomen van de man maar uit van een lager draagkrachtloos inkomen door de overige lasten van de man naar beneden bij te stellen tot 60% van € 890,-, te weten tot € 534,-. De man wordt dan ook geacht voldoende draagkracht te hebben voor de verzochte bijdrage, die met ingang van 1 januari 2018 ingevolge de wettelijke indexering € 176,17 per kind per maand bedraagt.

5.15

De vrouw, geboren op [geboortedatum] , ontving in 2017 uit drie parttime dienstverbanden bij Meander Medisch Centrum te Amersfoort blijkens de salarisspecificaties van augustus tot en met september 2017 een gemiddeld salaris van ongeveer € 1.075,- netto per maand. De dienstverbanden zijn aangegaan voor bepaalde tijd en zijn geëindigd op 31 december 2017. Ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep had de vrouw nog geen nieuw dienstverband met ingang van 1 januari 2018.

5.16

Uit het voorgaande volgt dat de vrouw geen dan wel nauwelijks draagkracht heeft voor een bijdrage in de kosten van de kinderen. De behoefte van de kinderen bedraagt in totaal € 466,- per maand. De draagkracht van beide ouders tezamen bezien, beschikken zij over onvoldoende draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien, zodat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven. Hiermee is ook grief 3 besproken.

5.17

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de man met ingang van 1 februari 2016 draagkracht voor de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 170,- per kind per maand. Grief 2 faalt dus.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen alle grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage ten behoeve van de kinderen betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 augustus 2016;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, A. Smeeïng-van Hees en R. Prakke-Nieuwenhuizen, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 1 februari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.