Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:108

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-01-2018
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
21-002023-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:2038, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een 21-jarige man is in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar voor twee maal poging doodslag en het medeplegen van mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0043
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002023-17

Uitspraak d.d.: 3 januari 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 7 april 2017 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 05-720141-16 en 05-800059-16, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende in [detentie] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 december 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van het hem onder parketnummer 05-720141-16 primair ten laste gelegde en het hem onder parketnummer 05-800059-16 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht en toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. S. Weening, naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van zijn betrokkenheid bij het ten laste gelegde ten aanzien van [betrokkene 1] . Gelet op de wijze van ten laste leggen en de ‘en/of-constructie’ in die tenlastelegging is sprake van een impliciet cumulatieve wijze van ten laste leggen. Het hof is van oordeel dat daarmee sprake is van een onherroepelijke deelvrijspraak ten aanzien van [betrokkene 1] waartegen het integraal ingestelde hoger beroep zich niet kan richten. Het hof zal verdachte daarom in zoverre partieel niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

In eerste aanleg is verdachte – kort gezegd en zakelijk weergegeven – veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. In de zaak met parketnummer 05-720141-16 is verdachte veroordeeld wegens poging doodslag, meermalen gepleegd (primair ten laste gelegde) en in de zaak met parketnummer 05-800059-16 is verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van mishandeling.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 05-720141-16:

primair:
hij op of omstreeks 27 april 2016 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft verdachte, die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , meermalen althans eenmaal, (met kracht) met een mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp, (links) in de buik en/of in de (linker)flank en/of (links) onder in de rug, althans het bovenlichaam(linker(voor en/of achter) zijde), gestoken/geprikt/gesneden (door wild/woest/onverhoeds met voornoemd mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp, om zich heen te steken/prikken/snijden (bij gelegenheid van een ruzie in een (drukke) kroeg/bar/dancing)) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
hij op of omstreeks 27 april 2016 te Nijmegen aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

- met betrekking tot [slachtoffer 2] , een geperforeerde long en/of een geperforeerde/gescheurde mild (mild is verwijderd in ziekenhuis) en/of

- met betrekking tot [slachtoffer 1] ,(een) geperforeerde darm(en) en/of een geperforeerde nier, - die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] , meermalen althans eenmaal, (met kracht) met een mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp (links) in de buik en/of de (linker)flank en/of (linksonder) in de rug, althans het bovenlichaam(linker(voor en/of achter)zijde), gestoken/geprikt/gesneden (door wild/woest/onverhoeds met voornoemd mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp, om zich heen te steken/prikken/snijden (bij gelegenheid van een ruzie in een (drukke) kroeg/bar/dancing));


meer subsidiair:
hij op of omstreeks 27 april 2016 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft verdachte, die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , meermalen althans eenmaal, (met kracht) met een mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp (links) in de buik en/of in de (linker)flank(richting rug) en/of in de (linker)(boven)arm en/of (linksonder) in de rug, althans het bovenlichaam(linker(voor en/of achter)zijde), gestoken/geprikt/gesneden, door wild/woest/onverhoeds met voornoemd mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp, om zich heen te steken/prikken/snijden (bij gelegenheid van een ruzie in een (drukke) kroeg/bar/dancing) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak met parketnummer 05-800059-16 (gevoegd):
hij op of omstreeks 15 november 2015 te Wijchen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door

- meerdere malen, althans éénmaal, (met gebalde vuist) op/tegen het hoofd, en/of op/in het gezicht te slaan en/of

- meerdere malen, althans éénmaal, (terwijl deze [slachtoffer 3] op de grond lag) (met gebalde vuist) op/tegen het lichaam te slaan en/of

- meerdere malen, althans éénmaal, (terwijl deze [slachtoffer 3] op de grond lag) (met geschoeide voet) op/tegen het lichaam te schoppen/trappen;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een bekennende verklaring afgelegd over de feiten die hem in de zaak met parketnummer 05-720141-16 thans nog worden verweten. Hij heeft bekend op 27 april 2016 te Nijmegen opzettelijk meerdere personen met een mes te hebben gestoken. De verdediging heeft wat betreft deze feiten dan ook geen bewijsverweer gevoerd. Het hof acht – met de advocaat-generaal – het primair ten laste gelegde voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde wettig en overtuigend bewezen.

In de zaak met parketnummer 05-800059-16 verklaart verdachte dat hij verhaal ging halen, omdat [slachtoffer 3] zijn vriendin eerder die avond had lastig gevallen. De twee medeverdachten waren met hem meegelopen naar de parkeerplaats waar hij [slachtoffer 3] aansprak. Daarbij heeft hij [slachtoffer 3] één vuistslag gegeven en is daarna weggelopen. Verdachte stelt dat hij niet verantwoordelijk is voor wat er daarna is gebeurd.

Het hof is van oordeel dat het door de verdachte gevoerde verweer wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof wijst daarbij in het bijzonder op de aangifte, de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en het proces-verbaal van bevindingen waarin WhatsApp-berichten zijn uitgewerkt. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof acht – evenals de rechtbank – wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mishandeling.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05-720141-16 primair en het in de zaak met parketnummer 05-800059-16 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 05-720141-16:

primair:
hij op of omstreeks 27 april 2016 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft verdachte, die [slachtoffer 1] éénmaal en/of die [slachtoffer 2] meermalen (met kracht) met een mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp, (links) in de buik en/of in de (linker)flank en/of (links) onder in de rug, althans het bovenlichaam(linker(voor en/of achter) zijde), gestoken/geprikt/gesneden (door wild/woest/onverhoeds met voornoemd mes, althans een daarop gelijkend scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp, om zich heen te steken/prikken/snijden (bij gelegenheid van een ruzie in een (drukke) kroeg/bar/dancing)) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak met parketnummer 05-800059-16 (gevoegd):

hij op of omstreeks 15 november 2015 te Wijchen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door

- meerdere malen, althans éénmaal, (met gebalde vuist) op/tegen het hoofd, en/of op/in het gezicht te slaan en/of

- meerdere malen, althans éénmaal, (terwijl deze [slachtoffer 3] op de grond lag) (met gebalde vuist) op/tegen het lichaam te slaan en/of

- meerdere malen, althans éénmaal, (terwijl deze [slachtoffer 3] op de grond lag) (met geschoeide voet) op/tegen het lichaam te schoppen/trappen;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 05-720141-16 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 05-800059-16 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Beroep op noodweer(exces) in de zaak met parketnummer 05-720141-16

Ter terechtzitting is door de raadsman een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daartoe heeft de raadsman – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte niet betrokken was bij de directe aanleiding tot de vechtpartij. Verdachte zag zijn vriend op de grond liggen en zag mensen daaromheen vechten. Hij wilde zijn vriend helpen en is in de richting van de vechtpartij gelopen. Hij kreeg toen een klap, raakte in paniek en heeft met een mes gestoken in de richting van de klap. Daarna kreeg hij weer een klap en heeft toen gestoken in de richting van die klap.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

Op 27 april 2016 is een groep vrienden, bestaande uit onder meer [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in café [naam] in Nijmegen om te vieren dat [slachtoffer 2] zijn diploma had behaald. Op een gegeven moment staat een getinte jongen die een tatoeage op zijn hand heeft tegen [betrokkene 2] aan te dansen, waarbij hij haar betast. [betrokkene 1] spreekt die jongen aan en zegt op een rustige manier tegen die jongen dat hij zijn vriendin met rust moet laten. De jongen gaat echter niet weg en ook de twee andere jongens van die groep (waaronder verdachte) blijven staan. [slachtoffer 2] komt erbij staan en probeert de boel te sussen. Ineens slaat een van de jongens van de groep waarvan verdachte deel uitmaakt [slachtoffer 2] en [betrokkene 1] , waarop een vechtpartij ontstaat. Verdachte heeft tijdens deze vechtpartij meermalen met een mes gestoken.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging(en) niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. De groep waartoe verdachte behoorde was de agressor van de vechtpartij en verdachte was reeds bij het begin van de vechtpartij betrokken. Het verweer wordt verworpen.

Het hof is voorts van oordeel dat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn en acht verdachte strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden – dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig geweldsmisdrijf. Door zijn gedragingen heeft verdachte welbewust een levensbedreigend gevaar voor de slachtoffers in het leven geroepen. Het handelen van verdachte had fatale gevolgen voor de slachtoffers kunnen hebben. Er is weliswaar geen sprake van voltooide doodslagen, maar dat is eerder dom geluk dan dat dit aan verdachte te danken is. Slechts handelend optreden van anderen heeft – op het nippertje – er voor gezorgd dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet zijn overleden. Door toedoen van verdachte is het lichaam van de slachtoffers onherstelbaar verminkt door grote ontsierende littekens. Bij [slachtoffer 2] is zijn milt noodgedwongen verwijderd, hetgeen betekent dat zijn immuunsysteem onherstelbaar is aangetast. De slachtoffers zullen hun leven lang worden herinnerd aan deze traumatische gebeurtenis. Behalve het gegeven dat dit soort feiten ernstige en traumatische gevolgen voor de slachtoffers veroorzaken, wordt dit soort gewelddadige incidenten tevens binnen de samenleving als bijzonder schokkend ervaren en wakkeren zij een gevoel van onveiligheid aan. Dit geldt eveneens voor de wijze waarop verdachte en zijn medeverdachten in de zaak met parketnummer 05-800059-16 aangever [slachtoffer 3] hebben mishandeld. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel, dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur passend en noodzakelijk is.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft het hof gelet op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 november 2017, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van zes jaren – zoals opgelegd door de rechtbank en geëist door de advocaat-generaal – passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 29.759,68 (bestaande uit € 7259,68 aan materiële schade en € 22.500,00 aan immateriële schade). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 27.211,32 (bestaande uit € 7.211,32 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade). De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, waarbij door mr. P.M. Breukink, advocate van de benadeelde partij is medegedeeld dat in hoger beroep de gevorderde immateriële schadevergoeding wordt gematigd tot een bedrag van € 20.000,00, zoals toegewezen door de rechtbank. Ten aanzien van de materiële schade wordt het bedrag van de oorspronkelijke vordering gevorderd, waarbij de kosten voor het hoger beroep reeds waren meegenomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en het voegingsformulier met bijlagen is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 05-720141-16 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte ernstig letsel heeft opgelopen. Er is sprake van meerdere steekwonden in de linkerzij, beschadigingen aan de nier, een gekneusde alvleesklier en een openliggende dikke darm. Het slachtoffer heeft tweeënhalve liter bloed verloren, hij moest twee operaties ondergaan en hij heeft een groot litteken op het lichaam. Ten gevolge van het incident en de consequenties daarvan ondervindt de benadeelde partij ernstig psychisch leed. In verband met de aard en de ernst van het letsel van de benadeelde partij en rekening houdend met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht het hof het gevorderde bedrag aan smartengeld billijk. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade overweegt het hof dat de gevorderde reis- en parkeerkosten van familieleden – als schade geleden door derden – niet vatbaar zijn voor toewijzing in het kader van deze procedure. Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering in zoverre deze ziet op de door familieleden gemaakte kosten, te weten € 551,20 reiskosten en € 160,00 parkeerkosten. Voor dat deel kan de benadeelde partij in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voor het overige acht het hof de materiële schade voldoende onderbouwd. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 26.548,48.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.674,72 (bestaande uit € 1.674,72 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 21.626,36 (bestaande uit € 1.626,36 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade). De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering

Uit het onderzoek ter terechtzitting en het voegingsformulier met bijlagen is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 05-720141-16 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte ernstig letsel heeft opgelopen. Er is sprake van drie steekwonden, een doorboord middenrif, een beschadigde milt en een klaplong, waarbij uiteindelijk operatief de milt geheel moest worden verwijderd. Hetgeen heeft geresulteerd in een groot ontsierend litteken op het lichaam. Ten gevolge van het incident en de consequenties daarvan ondervindt de benadeelde partij ernstig psychisch leed. In verband met de aard en de ernst van het letsel van de benadeelde partij en rekening houdend met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht het hof het gevorderde bedrag aan smartengeld billijk. Daarbij weegt ook mee dat door het verwijderen van de milt en de daardoor ontstane gezondheidssituatie van het slachtoffer, zijn (professionele) toekomst zeer onzeker is geworden.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade overweegt het hof dat de gevorderde reis- en parkeerkosten van familieleden – als schade geleden door derden – niet vatbaar zijn voor toewijzing in het kader van deze procedure. Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering in zoverre deze ziet op de door familieleden gemaakte kosten, te weten € 551,20 reiskosten en € 160,00 parkeerkosten. Voor dat deel kan de benadeelde partij in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Voor het overige acht het hof de materiële schade voldoende onderbouwd. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 20.963,52.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 856,80. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 508,80. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 05-800059-16 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart verdacht niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep in de zaak met parketnummer 05-720141-16 voor zover het betreft hetgeen hem ten laste is gelegd ter zake van [betrokkene 1] ;

Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover het is onderworpen aan het oordeel van het hof – en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-720141-16 primair en het in de zaak met parketnummer 05-800059-16 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 05-720141-16 primair en het in de zaak met parketnummer 05-800059-16 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-720141-16 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 26.548,48 (zesentwintigduizend vijfhonderdachtenveertig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 6.548,48 (zesduizend vijfhonderdachtenveertig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 27 april 2016.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-720141-16 primair en in de zaak met parketnummer 05-800059-16 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 26.548,48 (zesentwintigduizend vijfhonderdachtenveertig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 6.548,48 (zesduizend vijfhonderdachtenveertig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 192 (honderdtweeënnegentig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 27 april 2016.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-720141-16 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 20.963,52 (twintigduizend negenhonderddrieënzestig euro en tweeënvijftig cent) bestaande uit € 963,52 (negenhonderddrieënzestig euro en tweeënvijftig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 27 april 2016.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-720141-16 primair en in de zaak met parketnummer 05-800059-16 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 20.963,52 (twintigduizend negenhonderddrieënzestig euro en tweeënvijftig cent) bestaande uit € 963,52 (negenhonderddrieënzestig euro en tweeënvijftig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 163 (honderddrieënzestig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 27 april 2016.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-800059-16 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 508,80 (vijfhonderdacht euro en tachtig cent) bestaande uit € 208,80 (tweehonderdacht euro en tachtig cent) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 november 2015.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-720141-16 primair en in de zaak met parketnummer 05-800059-16 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 508,80 (vijfhonderdacht euro en tachtig cent) bestaande uit € 208,80 (tweehonderdacht euro en tachtig cent) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 november 2015.

Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. E. Venekatte, voorzitter,

mr. A.H. Garos en mr. M. Kuijer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I. Vugs, griffier,

en op 3 januari 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.H. Garos en mr. M. Kuijer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 3 januari 2018.

Tegenwoordig:

mr. A.W.M. Elders, voorzitter,

mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit, advocaat-generaal,

M. van Daalen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.