Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10775

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-12-2018
Datum publicatie
18-12-2018
Zaaknummer
200.237.247
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kopje: vernietiging pachtovereenkomst wegens misbruik van omstandigheden

3:44 lid 4 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvAR 2021/8049, UDH:TvAR/16624 met annotatie van D.W. Bruil
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.237.247/01

(zaaknummer rechtbank Gelderland 5650023)

arrest van de pachtkamer van 11 december 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E.H.M. Harbers.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
26 april 2017 en 15 november 2017 die de pachtkamer te Zutphen, rechtbank Gelderland, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 14 december 2017,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] vordert in het principaal hoger beroep - kort samengevat - het vonnis van 15 november 2017 te vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen.

2.4

[geïntimeerde] vordert in het incidenteel hoger beroep - kort samengevat - onderdeel 5.4 van het dictum van het vonnis van 15 november 2017 te vernietigen en [appellant] te veroordelen in de toekomstige en mogelijk door [geïntimeerde] te betalen boetes, schade voortvloeiend uit en als gevolg van de onjuiste opgave van bedrijfsgegevens in de Gecombineerde Opgave bij RVO.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten:

3.1

[A] (hierna: [A] ) heeft met haar echtgenoot, [B] , een agrarische onderneming in [woonplaats] gehad. Na het overlijden van haar man in 2003 heeft zij het bedrijf voortgezet. Het bedrijf had zoogkoeien, jongvee en paarden en beschikte over ruim 13 hectare grond.

3.2

Vanaf 2004 heeft landbouwmaatschap [C] (hierna: [C] ) 4 hectare in gebruik gekregen, vergroot tot 7,16 hectare in 2006.

3.3

[appellant] heeft een varkensbedrijf. In het najaar van 2006 heeft hij mais van [A] gekocht toen een andere koper afhaakte. In de jaren vanaf 2007 heeft [appellant] loonwerkzaamheden voor [A] verricht, mais gekocht en mest geplaatst op percelen van [A] .

3.4

Op enig moment heeft [D] , een agrarisch handelaar, [A] benaderd en is hij enkele keren bij haar geweest.

3.5

Bij notariële geliberaliseerde pachtovereenkomst van 20 november 2009heeft [A] aan [C] 7,16 ha verpacht tegen een pachtprijs van € 3.000 per jaar tot 31 december 2014. De overeenkomst is door de Grondkamer goedgekeurd.

3.6

In 2010 is de stiefmoeder van [A] overleden. Zij beschikte over 9,5 hectare cultuurgrond. [A] heeft van haar broers en zuster uit de nalatenschap in mei 2012 een perceel van 1,1 hectare gekocht.

3.7

Eind 2011/begin 2012 heeft [A] de pachtovereenkomst met [C] beëindigd. De persoonlijke contacten tussen [A] en [C] zijn bekoeld. [A] heeft in die tijd ook haar betrekkingen met [E] , de landbouwvoorlichter/adviseur, beëindigd.

3.8

Op 10 augustus 2012 heeft [A] bij de notaris haar broer [geïntimeerde] , geïntimeerde, gevolmachtigd. Zij heeft op die datum bij de notaris ook een testament opgesteld en daarbij het uit de nalatenschap gekochte perceel van 1,1 hectare aan [appellant] gelegateerd tegen betaling aan de erven van de verkoopwaarde.

3.9

Op 20 augustus 2013 hebben [A] en [appellant] een regulier pachtcontract ondertekend met betrekking tot 7,16 hectare tegen een pachtsom van € 4.296 per jaar, ingaande
1 november 2013. Blijkens de overgelegde grondkamerstukken heeft [A] daarna verzocht de pachtovereenkomst goed te keuren, welke goedkeuring op 31 oktober 2013 is gevolgd, zij het dat de Grondkamer de pachtprijs neerwaarts heeft bijgesteld.

3.10

In maart 2014, kort na haar 80ste verjaardag, heeft [A] aangifte gedaan van oplichting in de periode mei 2013-maart 2014. Het betrof oplichting door een installateur die [A] telkens heeft overgehaald contante betalingen aan hem te doen voor reparaties aan apparaten.

3.11

In maart 2016 is [A] gevallen. Zij is opgenomen in een verzorgingshuis. Op 16 april 2016 heeft [F] , specialist ouderengeneeskunde, een geneeskundige verklaring ten behoeve van een verzoek tot onderbewindstelling opgesteld over de geestestoestand van [A] . Zijn conclusie was dat [A] niet in staat was haar materiële belangen naar behoren te behartigen.

3.12

Op 13 mei 2016 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] , zijn dochter, de gemachtigde van [geïntimeerde] in eerste aanleg, [D] en [appellant] .

3.13

Op 27 juni 2016 heeft [G] , specialist ouderengeneeskunde, een verwijzingsbrief geschreven, waarin de medische voorgeschiedenis van [A] summier is vermeld.

3.14

Op 10 januari 2017 is [A] overleden. Haar vier broers en enige zuster zijn haar erfgenamen. [geïntimeerde] is door hen gemachtigd onderhavige procedure te voeren.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg de vernietiging wegens misbruik van omstandigheden subsidiair dwaling gevorderd van de tussen [A] en [appellant] gesloten pachtovereenkomst, met nevenvorderingen.

4.2

De pachtkamer heeft bij vonnis van 15 november 2017 de vorderingen toegewezen.

5 De beoordeling van het hoger beroep

5.1

Bij verzoekschrift van 30 april 2018 heeft [appellant] een voorlopig getuigenverhoor verzocht, welk verzoek bij beschikking van 9 oktober 2018 is toegewezen. De getuigenverhoren zullen plaatsvinden op 31 januari 2019.

5.2

Met zijn hoger beroep legt [appellant] het hele geschil aan het hof voor. Kern van de zaak is of [A] ten tijde van het sluiten van de pachtovereenkomst onder invloed van abnormale geestestoestand dan wel afhankelijkheid is bewogen tot het aangaan van die overeenkomst. [geïntimeerde] doet daarmee een beroep op misbruik van omstandigheden door [appellant] (artikel 3:44 lid 4 BW). Nu [appellant] gemotiveerd betwist dat sprake was van een abnormale geestestoestand dan wel afhankelijkheid, draagt [geïntimeerde] - als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het gestelde misbruik van omstandigheden beroept - de bewijslast van zijn stellingen. Hij zal tot dat bewijs worden toegelaten. Het hof motiveert zijn oordeel hieronder.

5.3

De zaak wordt hierdoor gekenmerkt dat [A] , op bijna 80-jarige leeftijd, in augustus 2013 met [appellant] een reguliere pachtovereenkomst heeft gesloten terwijl zij eerder, met [C] , gebruiksovereenkomsten sloot en na advies daartoe, een geliberaliseerde pachtovereenkomst. [A] heeft geen bedrijfsopvolgers. [A] stond bekend als een eigenzinnige vrouw die het belangrijk vond het bedrijf voort te zetten en wel op een goede, nette manier. Zij kon dat niet zelf meer. Zij handelde naar eigen inzicht bij de keuze waarop het bedrijf moest worden voortgezet. [appellant] heeft bijgedragen aan het onderhoud van de percelen, de boerderij en het erf, de afrasteringen en dergelijke. Niet weersproken is dat hij dat netjes, althans naar genoegen van [A] deed. De geestelijke vermogens van [A] zijn in de loop der tijd achteruitgegaan. In 2015 heeft [appellant] de familie bericht dat het hem verstandig leek om haar onder bewind te laten stellen. Dat is toen nog niet gebeurd. In 2016 is [A] opgenomen in een gesloten afdeling van een verzorgingstehuis en is ernstige dementie bij haar gediagnosticeerd. De reguliere pachtovereenkomst met [appellant] was bij de familie niet bekend.

5.4

Ter onderbouwing van zijn stelling dat in augustus 2013 sprake was van makkelijke beïnvloedbaarheid en afhankelijkheid beroept [geïntimeerde] zich op het proces-verbaal van aangifte (onderwerp van grief I, productie 12 bij inleidende dagvaarding). De aangifte houdt in dat [A] zich in de periode mei 2013 tot maart 2014 heeft laten oplichten door een klusjesman. Volgens zijn verklaring ter zitting in eerste aanleg was [geïntimeerde] aanwezig bij de aangifte en heeft hij het verhaal gedaan; [A] zat erbij maar heeft niets gezegd. Zij was hiertoe niet meer goed in staat. In de memorie van antwoord is deze verklaring afgezwakt, en zou [geïntimeerde] zijn zuster slechts geholpen hebben bij het formuleren. Hij zelf heeft over objectieve gegevens als data van pinopnames verklaard. [A] heeft over de andere feiten verklaard, waaronder het signalement van de verdachte.

5.5

Uit het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal blijkt niet dat [A] is bijgestaan door [geïntimeerde] . Ook blijkt niet dat de politieambtenaar een verklaring namens [A] heeft opgenomen of verklaringen van een ander dan [A] . Dit terwijl een proces-verbaal dient weer te geven wat daadwerkelijk in een verhoor is voorgevallen. Daar komt bij dat de feitelijke weergave in het proces-verbaal gedetailleerd en op onderdelen niet objectiveerbaar is (handelingen verdachte, wijze van betalingen, data van bezoeken). De verklaring is vier pagina’s lang. De stelling van [geïntimeerde] dat zijn zuster geestelijk niet in staat was op 12 maart 2014 de in het proces-verbaal opgenomen verklaring af te leggen, kan dan ook niet zonder meer worden gevolgd. In elk geval zou zij kort voordien alle details aan haar broer moeten hebben verteld en daartoe nog wel in staat geweest zijn. Dat rijmt slecht met de verklaring dat zij tot een dergelijke verklaring niet in staat zou zijn.

5.6

Het feit dat [A] is opgelicht, is voorts op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat zij makkelijk beïnvloedbaar was. De verdachte kende zij als monteur van de firma [H] , die haar vaste installatiebedrijf was. De verdachte is zich nadien blijven presenteren als werkzaam bij [H] , door met [H] in haar bijzijn telefonisch overleg te plegen en nota’s van [H] te gebruiken, ook al is later gebleken dat hij daar toen inmiddels niet meer werkzaam was. Dat de monteur erg vaak ’s avonds kwam en contante betaling voor te vervangen onderdelen vroeg, is pas na enige tijd, nadat zij rood bleek te staan bij de bank en na onderzoek door haar broer, gaan bevreemden.

5.7

[geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van de door hem gestelde geestelijke toestand van [A] enkele verklaringen overgelegd van omwonenden en mensen die voorheen betrokken waren bij de bedrijfsvoering van [A] (producties 6-7 en 10 bij inleidende dagvaarding). Volgens een aantal van de verklaringen was [A] in 2010/2011 in de war en regelmatig de weg kwijt naar huis. Volgens aan aantal andere verklaringen werd de geestelijk gezondheid van [A] vanaf 2013 stapje voor stapje slechter en ging zij vooral vanaf haar 80ste verjaardag in februari 2014 geestelijk heel hard achteruit. Eenduidig zijn de verklaringen dus niet. In 2016 hebben twee geneeskundigen Alzheimer vastgesteld bij [A] , [F] met de opmerking dat zij niet meer in staat is tot het behartigen van haar eigen belangen. Beide verklaringen dateren van na een val in maart 2016, waarna [A] is opgenomen in een verzorgingshuis. In de medische verklaring van 27 juni 2016 is bij de medische voorgeschiedenis opgenomen: “2013 ziekte van Alzheimer”. Na betwisting van [appellant] in de zin dat niet duidelijk is door wie de diagnose in 2013 is gesteld en de ziekte doorgaans een langzaam en grillig verloop kent, heeft [geïntimeerde] niet nader toegelicht dat de vermelding in 2016 bijdraagt aan zijn stelling dat op 20 augustus 2013 medisch gezien sprake van een bijzondere geestestoestand als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW.

5.8

Verder staat vast dat [A] bij notariële akte van 4 mei 2012 het perceel uit de nalatenschap van haar stiefmoeder heeft gekocht - onder meer van [geïntimeerde] - en bij notariële akten van 10 augustus 2012 een volmacht en een testament heeft opgesteld. De notaris dient zich te vergewissen van de geestestoestand van [A] en heeft die kennelijk toen in orde bevonden. In maart 2014 heeft zij uitgebreid aangifte gedaan van oplichting (zie hiervoor).

5.9

In de omstandigheid dat [appellant] een ‘grote boer’ was voor wie [A] ontzag had, is vooralsnog ook geen doorslaggevend argument te vinden. [C] is kennelijk ook een boer met een landbouwbedrijf en waarom [A] de één meer dan de ander als ‘grote boer’ zag, heeft [geïntimeerde] niet toegelicht. Mogelijk is dat ze eerst [C] en daarna [appellant] als zodanig heeft beschouwd. Onnavolgbaar is dat op het eerste gezicht niet en evenmin blijkt daaruit haar afhankelijkheid. De positie van [D] in de gang van zaken is voorts onduidelijk gebleven. Het advies van [appellant] aan [A] om een hulp in de huishouding te nemen, de woning te schilderen, beneden te gaan slapen etcetera en het feit dat [A] daar volgens [appellant] trots op was, legt ook weinig gewicht in de schaal.

5.10

Het komt er dan ook op neer dat [geïntimeerde] met de door hem in het geding gebrachte stukken onvoldoende bewijs heeft bijgebracht van een op 20 augustus 2013 bestaande abnormale geestestoestand of afhankelijkheid. De wel voorhanden stukken brengen niet mee dat het hof de stelling van [geïntimeerde] voorshands bewezen acht, mede in het licht van het feit dat [appellant] heeft aangevoerd dat destijds overleg is gevoerd met de adviseur(s) van [A] alvorens tot ondertekening is overgegaan. Met die adviseurs zou tevens besproken zijn dat de gronden in gebruik zouden blijven bij [A] zodat zij fiscaal nog over een agrarisch bedrijf zou beschikken en niet wegens bedrijfsbeëindiging hoefde af te rekenen. Een en ander zou via gebruikersverklaringen zijn vormgegeven, aldus [appellant] .

5.11

[geïntimeerde] zal overeenkomstig zijn bewijsaanbod worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat bij [A] sprake was van abnormale geestestoestand dan wel afhankelijkheid of een andere bijzondere omstandigheid die [A] ertoe heeft bewogen een reguliere pachtovereenkomst met [appellant] aan te gaan. Het komt het hof dienstig voor als in ieder geval de notaris, [I] te [woonplaats] , die in 2012 de notariële akten voor [A] heeft verleden, als getuige wordt gehoord.

5.12

Indien [geïntimeerde] slaagt in de bewijslevering, is het hof voorshands van oordeel dat aan de overige vereisten van artikel 3:44 BW is voldaan. [appellant] heeft de totstandkoming van de pachtovereenkomst bevorderd door [A] een modelovereenkomst van internet voor te leggen en deze (vooraf) in te vullen. De geestestoestand - indien bewezen - kan [appellant] alsdan niet zijn ontgaan, nu hij aanvoert zeer regelmatig bij [A] te zijn geweest en ook allerlei klussen in en om het huis te hebben gedaan. Gelet op de gevolgen van een reguliere overeenkomst in het algemeen en voor het bedrijf van [A] (en na haar overlijden haar broers en zuster) in het bijzonder en de aanmerkelijke begunstiging voor [appellant] , is voorshands eveneens aan het vereiste van misbruik voldaan.

5.13

De subsidiaire grondslag, dwaling, kan niet slagen. Het betreft volgens de stelling van [geïntimeerde] dwaling omrent het recht (de rechtsgevolgen van een reguliere pachtovereenkomst). Rechtsdwaling dient voor rekening van de dwalende te blijven.

Slotsom

5.14

Er zal bewijslevering volgen. Uit proceseconomisch oogpunt zal het hof de getuigenverhoren houden op de datum van het voorlopig getuigenverhoor, dat in zoverre niet meer gehouden hoeft te worden. Iedere verdere beslissing houdt het hof aan.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [geïntimeerde] toe te bewijzen dat bij [A] sprake was van abnormale geestestoestand dan wel afhankelijkheid of een andere bijzondere omstandigheid die [A] ertoe heeft bewogen op of omstreeks 20 augustus 2013 een reguliere pachtovereenkomst met [appellant] aan te gaan;

bepaalt dat het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. Th.C.M. Willemse, bijgestaan door het deskundig lid B.Th.W. Lamers, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op 31 januari 2019 van 9.00 tot 14.00 uur;

bepaalt dat partijen bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [geïntimeerde] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen, wat het hof betreft in tweevoud;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, H.L. Wattel en D.H. de Witte, en mr. ing. E. Oostra en B.Th.W. Lamers, deskundige leden, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 december 2011.