Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10765

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-12-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
200.210.625
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig handelen journaliste door opnemen telefoongesprek met raadslid en ter beschikking stellen van de opname aan anderen/delen van de inhoud van de opnamen aan anderen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.210.625/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, C/16/410410 /

HA ZA 16-149)

arrest van 11 december 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

advocaat: mr. W. Tijsseling, kantoorhoudend te Utrecht,

tegen

[geintimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

advocaten: mr. R. Reumkens, kantoorhoudend te IJsselstein.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 20 april 2016, waarbij een comparitie van partijen is bevolen, en het bestreden vonnis van 19 oktober 2016, gewezen door de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep, met productie;

- de memorie van grieven, met producties;

- de memorie van antwoord.

2.2.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1.

[geintimeerde] (hierna: de journaliste) is als journaliste werkzaam voor huis-aan-huis-krant ‘ [naam krant] ’, verspreid in IJsselstein en omstreken.

3.2.

[naam raadslid] (hierna: het raadslid) was gemeenteraadslid van de gemeente [naam gemeente] en fractievoorzitter van de politieke partij ‘ [naam partij] ’.

3.3.

In de tweede helft van 2014 diende in de gemeente [naam gemeente] een waarnemend burgemeester te worden benoemd. Het raadslid maakte als fractievoorzitter deel uit van de benoemingscommissie.

3.4.

Op 8 november 2014 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen het raadslid en de heer [naam journalist ] , werkzaam als journalist voor het Algemeen Dagblad (hierna: [naam journalist ] ). De journaliste was op uitnodiging van [naam journalist ] bij dit telefoongesprek aanwezig. [naam journalist ] heeft de telefoon op luidsprekerstand gezet, zodat de journaliste kon meeluisteren. De journaliste heeft het gesprek opgenomen op haar mobiele telefoon. Het raadslid was er niet van op de hoogte dat de journaliste kon meeluisteren met het telefoongesprek en dat zij dit gesprek heeft opgenomen.

[naam journalist ] heeft aan het einde van dit telefoongesprek de benoeming van de waarnemend burgemeester aan de orde gesteld. Het raadslid heeft op zijn vragen geantwoord. Op dat moment was er één kandidaat in beeld bij de benoemingscommissie. Aan de hand van de antwoorden van het raadslid heeft de journaliste getracht de identiteit van die kandidaat te achterhalen.

3.5.

Op zondag 9 november 2014 heeft de journaliste contact opgenomen met de burgemeester van [naam gemeente] en heeft zij hem de naam medegedeeld van de persoon die zij meende dat die in beeld was voor de functie en gevraagd of deze persoon inderdaad de beoogd waarnemend burgemeester was. De burgemeester heeft daar niet op geantwoord.

Vervolgens heeft de burgemeester in overleg met het kabinet van de commissaris van de koning diezelfde dag nog de naam van de nieuwe waarnemend burgemeester via een persbericht bekend gemaakt. Na de publicatie van dit persbericht is de voorzitter van de benoemingscommissie door de journaliste gebeld. In dat gesprek is de voorzitter duidelijk geworden dat een van de fractievoorzitters in de benoemingscommissie met de journalist(e) moest hebben gesproken. Op de vraag van de voorzitter of dit het raadslid is geweest, heeft de journaliste bevestigend geantwoord.

3.6.

De journaliste heeft in de dagen daarop haar opname van het telefoongesprek ter beschikking gesteld van en/of gedeeld met een of meer leden van de gemeenteraad.

3.7.

Op verzoek van de burgemeester is door Bureau Berenschot (hierna: Berenschot) jegens het raadslid een feitenonderzoek ingesteld. Dit naar aanleiding van twee klachten over het raadslid, ingediend door andere raadsleden, betrekking hebbend op het vermoeden van lekken van informatie naar de pers over de benoeming van de waarnemend burgemeester en ongewenst gedrag en ongepaste uitlatingen tegenover andere raadsleden op een afscheidsreceptie die na het telefoongesprek heeft plaatsgevonden.

Berenschot heeft in het kader van haar onderzoek onder meer acht interviews afgenomen en de opname van het door de journaliste opgenomen telefoongesprek beluisterd.

Berenschot heeft haar bevindingen neergelegd in een rapport van 27 maart 2015 (productie 2 bij conclusie van antwoord). De conclusie van het rapport luidt, voor zover relevant, dat “Op basis van de feitenreconstructie en de toetsing daarvan aan het de geldende bepalingen zoals die door de gemeente [naam gemeente] (dienen te) worden gehanteerd, kan worden geconcludeerd dat het raadslid in beide gevallen de gedragsregels over integer handelen door raadsleden heeft geschonden.”

In het rapport is over de klacht met betrekking tot het vermoeden van lekken van informatie onder meer vermeld: “(…) Tegen het raadslid is een klacht ingediend omdat er aanwijzingen waren dat het raadslid met een journalist heeft gesproken over de benoeming (…) en hij aanwijzingen heeft gegeven die het voor de journalist mogelijk maakte om de naam van de voorgedragen burgemeester te achterhalen. Onderstaand volgt een chronologische reconstructie van de gebeurtenissen. (…)

Op dinsdag 4 november 2014 vindt (....) een bijeenkomst plaats met de benoemingscommissie en de CdK [Commissaris van de Koning; toevoeging hof] (…). (...) [naam raadslid] doet tijdens de vergadering navraag naar de vertrouwelijkheid. De CdK vraagt met klem de benoeming geheim te houden. Eén van de commissieleden noemt nogmaals expliciet het besluit van de commissie dat de leden de naam van de waarnemend burgemeester voor zich zullen houden. Kort na het weekend zou de naam openbaar worden gemaakt. (…)

Op zaterdag 8 november 2014 voert (…) [naam raadslid] een telefoongesprek met een journalist (…). Het gesprek wordt zonder dat (…) [naam raadslid] het weet opgenomen. (…) Na ruim 26 minuten (aan het einde van het gesprek) stelt de journalist de benoeming van de waarnemend burgemeester aan de orde. (…) [naam raadslid] stelt dat (…) is afgesproken om de naam nog niet te noemen en stelt daarbij dat er in feite geen geheimhouding op rust omdat het de benoeming yan een waarnemer betreft. Het raadslid geeft aan dit nadrukkelijk besproken te hebben met de CdK, die hem wel vroeg geheimhouding te betrachten. (...) Hij noemt tijdens het gesprek geen naam. In het gesprek zegt het raadslid dat de (…) informatie wel onder hen moet blijven. Ook benadrukt hij tenminste vier keer dat de journalist de informatie niet mag gebruiken voor in de krant. (...)

De journalist stelt vele vragen en het raadslid geeft antwoord. In de antwoorden schetst het raadslid het profiel van een geschikte kandidaat voor [naam gemeente] : iemand die bekend is met [naam gemeente] , de politieke verhoudingen in de BRU, Utrecht en tramvervoer. Het raadslid geeft tijdens het gesprek verschillende kenmerken van de voorgenomen waarnemend burgemeester: dat deze al twee jaar als waarnemend burgemeester op verschillende doch minstens drie plekken werkzaam is geweest, dat dit vooral gemeenten in de regio en eventueel [naam gemeente] betrof, dat deze per 1 december 2014 kan starten, dat het iemand kan zijn uit de hoek Houten/Zeist, en afsluitend dat het een vrouw zou kunnen zijn. (…) De journalist gaat met een collega op basis van de in het gesprek verzamelde informatie puzzelen wat de naam van de waarnemend burgemeester zou kunnen zijn. (…)

Op zondag 9 november belt één van de journalisten met de burgemeester. (…) Op basis van (…) besluit de burgemeester (…) vervroegd een persbericht uit te vaardigen om de naam (…) bekend te maken. (…) Na het verschijnen van het persbericht belt één van de journalisten met de voorzitter van de benoemingscommissie (…). In het gesprek (…) wordt het de voorzitter duidelijk dat een van de fractievoorzitters met de journalist heeft gesproken. De voorzitter vraagt of het een raadslid was en noemt een naam, die door de journalist wordt bevestigd. (…)

Op maandag 10 november vindt een bijeenkomst plaats van de fractievoorzitters (…). (…) [naam raadslid] is daarbij aanwezig. Tijdens de bijeenkomst vragen de voorzitter (…) en (…) of iemand van hen met de pers heeft gesproken over het voornemen van de benoeming (…). Alle aanwezigen ontkennen hierover met de pers gesproken te hebben. (…)

Op dinsdag 11 november 2014 (…) stuurt (…) [naam raadslid] een e-mail aan de voorzitter (…). Daarin stelt hij op (…) 8 november 2014 (…) belaagd te zijn door de journalist (…). In de mail schrijft het raadslid tevens dat hij, als antwoord op de vraag van de commissie, dat weekend met de pers heeft gesproken, maar stelt dat dat in een andere context was waarover hij in de mail niet wil spreken.

In de dagen die volgen wordt breder bekend dat er opnamen zijn van het gesprek tussen het raadslid en de journalist. Een van de fractievoorzitters krijgt van de journalist delen van de opname te horen. (…)”.

3.8.

Het raadslid heeft op 2 januari 2015 bij de politie aangifte tegen de journaliste (en [naam journalist ] ) gedaan wegens, kort gezegd, het illegaal opnemen van het telefoongesprek (artikel 139c Wetboek van Strafrecht (Sr)) en het voorhanden hebben van de illegale opname (artikel 139e Sr). Op 22 maart 2015 is het raadslid naar aanleiding van de aangifte gehoord door de politie. Van de aangifte en het verhoor is proces-verbaal is opgemaakt (productie 4 bij inleidende dagvaarding).

3.9.

Nadat de officier van justitie bij brief van 24 juli 2015 (productie 1 bij conclusie van antwoord) heeft laten weten niet tot strafvervolging over te gaan, heeft het raadslid beklag gedaan op de voet van artikel 12 Wetboek van Strafvordering (Sv). Bij beschikking van 5 september 2016 (productie 3 bij memorie van grieven) heeft het hof alsnog strafvervolging tegen de journaliste bevolen ter zake van de misdrijven omschreven in de artikelen 139c en 139e Sr.

3.10.

Het is het hof ambtshalve bekend dat de rechtbank Midden-Nederland, afdeling strafrecht, zittingsplaats Utrecht, op 25 april 2018 (ECLI:NL:RBMNE:2018:1723) vonnis heeft gewezen in de strafzaak tegen de journaliste. De rechtbank heeft in dat vonnis bewezenverklaard dat de journaliste zich op 8 november 2014 schuldig heeft gemaakt aan het zonder toestemming opnemen van een telefoongesprek en geoordeeld dat de journaliste daarmee een strafbaar feit heeft begaan en dat zij daarvoor strafbaar is. De rechtbank heeft de journaliste daarvoor echter geen straf of maatregel opgelegd. Verder heeft de rechtbank de journaliste vrijgesproken van de verdenking dat zij zich in de periode van 8 november 2014 tot en met 27 maart 2015 schuldig heeft gemaakt aan het zonder toestemming gebruik maken van het opgenomen gesprek door de opname aan derden te laten horen.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

Het raadslid heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd i) te verklaren voor recht dat de journaliste onrechtmatig jegens het raadslid heeft gehandeld door het telefoongesprek van 8 november 2014 opzettelijk op te nemen en/of het voorwerp, de geluidsdrager, waarop het gesprek is vastgelegd, ter beschikking te hebben en/of de inhoud van dit gesprek, waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die inhoud door wederrechtelijk opnemen was verkregen, opzettelijk aan (een) ander(en) bekend heeft gemaakt en/of de gegevens op de geluidsdrager waarop het gesprek is vastgelegd opzettelijk aan (een) ander(en) ter beschikking heeft gesteld, ii) de journaliste te veroordelen tot betaling van de door hem ten gevolge van de onrechtmatige daad geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, iii) met veroordeling van de journaliste in de proceskosten.

4.2.

De journaliste heeft verweer gevoerd.

4.3.

De rechtbank heeft bij bestreden vonnis de vorderingen van het raadslid afgewezen, met veroordeling van hem in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1.

Het raadslid heeft in hoger beroep - onder aanvoering van vier grieven - gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zijn vorderingen alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de journaliste in de proceskosten in beide instanties.

5.2.

De journaliste heeft verweer gevoerd.

5.3.

Kern van het geschil is de vraag of de journaliste tegenover het raadslid onrechtmatig heeft gehandeld door zonder dat het raadslid dit wist het telefoongesprek van 8 november 2014 op te nemen én deze opname ter beschikking te stellen aan anderen en/of de inhoud van die opname met anderen te delen.

5.4.

Het hof stelt voorop dat waar de rechtbank in het bestreden vonnis heeft overwogen dat het hier twee van elkaar te onderscheiden verwijten betreft, die ieder op zichzelf een onrechtmatige daad kunnen opleveren en tot schadeplichtigheid kunnen leiden, en zij deze verwijten daarom afzonderlijk heeft besproken, het hof daartoe geen aanleiding ziet. De schade waarvoor vergoeding gevorderd wordt, is volgens de stellingen van het raadslid immers ontstaan doordat er zonder zijn toestemming een telefoongesprek is opgenomen en vervolgens de daaruit verkregen informatie openbaar is gemaakt. Dit feitencomplex dient als één geheel te worden beoordeeld. Aan het betoog van de journaliste dat geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat, indien al kan worden aangenomen dat de journaliste tegenover het raadslid onrechtmatig heeft gehandeld door zonder diens medeweten het telefoongesprek op te nemen, dit niet tot schadeplichtigheid harerzijds leidt, omdat niet is voldaan aan het wettelijke vereiste causaal verband tussen de gestelde onrechtmatige daad en de door het raadslid gestelde schade, gaat het hof daarom voorbij. Uit de memorie van grieven (met name uit de toelichting op grief 4 en het petitum) volgt ook geenszins dat het raadslid zijn stellingen dienaangaande zou hebben prijsgegeven.

5.5.

Bij de beantwoording van de vraag of de journaliste tegenover het raadslid onrechtmatig heeft gehandeld door te handelen als voormeld, gaat het om een botsing tussen enerzijds het door artikel 10 Grondwet (Gw) en artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermde recht van het raadslid op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, welk recht ook het recht op bescherming van privacy, goede naam en reputatie omvat, en anderzijds het door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht van de journaliste op vrijheid van meningsuiting, waaronder ook het recht op journalistieke vrijheid valt.

Op de fundamentele rechten van artikel 8 en artikel 10 EVRM mag ingevolge het tweede lid van die artikelen slechts een uitzondering worden gemaakt als deze bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is.

5.6.

Het antwoord op de vraag welk van deze beide fundamentele rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Bij deze afweging geldt niet als uitgangspunt dat aan één van beide rechten voorrang toekomt. Dit brengt met zich dat het hier niet gaat om een in twee fasen te verrichten toetsing (aldus dat eerst aan de hand van de omstandigheden moet worden bepaald welk van beide rechten zwaarder weegt, waarna vervolgens nog moet worden beoordeeld of de noodzakelijkheidstoets als neergelegd in artikel 8 lid 2 respectievelijk artikel 10 lid 2 EVRM zich verzet tegen het resultaat van die afweging), maar dat deze toetsing in één keer dient te geschieden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van artikel 8 lid 2 dan wel artikel 10 lid 2 EVRM (HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210, HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230 en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:569).

5.7.

In het kader van de belangenafweging acht het hof het navolgende relevant.

Het raadslid is niet alleen privépersoon, maar heeft, omdat hij tot openbaar bestuurder was verkozen, ook te gelden als publiek persoon. De gedragingen die het raadslid de journaliste verwijt, hebben betrekking op (het opnemen en gebruiken van) uitlatingen die het raadslid heeft gedaan tegenover een journalist van het Algemeen Dagblad over een kwestie van publiek belang en daarmee betreffen die uitlatingen zijn publieke functioneren. De grenzen van wat betamelijk is tegenover een openbaar bestuurder als publiek persoon, zowel wat betreft de wijze van informatievergaring als het gebruik daarvan door de journaliste zijn ruimer dan met betrekking tot een burger als privaat persoon. In een democratisch systeem moet het openbaar bestuur immers nauwlettend kunnen worden gevolgd door de legislatieve of rechtsprekende macht en door de pers en de publieke opinie. Dit betekent bijvoorbeeld dat een openbaar bestuurder zich heftiger kritiek moet laten welgevallen dan een burger, zeker als het gaat om zijn publieke functioneren (EHRM 15 maart 2011, nr. 2034/07 (Otegi/Spanje), EHRM 21 december 2010, nr. 27570/03 (Novoya Gazeta/Rusland), EHRM 24 juni 2004, NJ 2005/22 (von Hannover/Duitsland) en HR 11 november 2011, RAV 2012/16). Dit betekent ook dat bij een verkozen publiek persoon het opnemen en gebruiken van een telefoongesprek over een publieke aangelegenheid gerechtvaardigd kan zijn, terwijl schending van het telefoongeheim tegenover een privépersoon dat niet is.

Aan de positie van een journalist komt bij de belangenafweging bijzondere betekenis toe, gelet op enerzijds de taak van de pers in een democratie om informatie en ideeën van publiek belang te verspreiden en om zijn vitale rol van publieke waakhond te spelen en anderzijds het recht van het publiek om informatie en ideeën te ontvangen. Journalisten genieten daarom een grote mate van vrijheid om maatschappelijke misstanden aan de kaak te stellen (EHRM 10 december 2007, NJ 2008/236 (Stoll/Oostenrijk), EHRM 19 december 2006, RvdW 2007/299 (Radio Twist/Slowakije)), maar er moet wel een redelijk publiek belang mee gediend zijn (EHRM 9 april 2009, NJ 2011/331).

5.8.

In het rapport van Berenschot - waarvan de inhoud niet door [naam raadslid] wordt

betwist - staat vermeld: “(…) Hoewel er bij de benoeming van een waarnemend burgemeester (anders dan bij een burgemeester) op wettelijke gronden geen geheimhouding kan worden afgedwongen, is door de commissieleden op verschillende momenten nadrukkelijk afgesproken dat vertrouwelijkheid betracht zou worden ten aanzien van de benoeming (…). Ook door de CdK is nadrukkelijk om vertrouwelijkheid gevraagd. (…)”.

Het raadslid heeft met het vertellen van informatie over de benoeming, het functieprofiel en de kenmerken van de beoogde waarnemend burgemeester met een journalist, de afspraak omtrent vertrouwelijkheid geschonden. Daardoor is de kennis en informatie waarover het raadslid uit hoofde van zijn functie beschikt, aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze is verstrekt. Blijkbaar heeft het raadslid, zo volgt het hof het rapport van Berenschot, in zijn gesprek met de journalist in het delen van informatie willens en wetens de grenzen opzocht. Hoewel hij geen naam heeft verstrekt, heeft hij de journaliste wel voldoende informatie gegeven waarmee deze vanuit de eigen professie wel een naam kon achterhalen. Daarmee heeft het raadslid de in artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vastgelegde geheimhoudingsverplichting - die volgens de wettekst geldt voor alle gegevens met een vertrouwelijk karakter - geschonden. Volgens het rapport van Berenschot heeft het raadslid hiermee ook niet conform de voor de leden van de gemeenteraad van de gemeente [naam gemeente] geldende “Gedragscode bestuurlijke integriteit” gehandeld. Een conclusie die het hof op basis van wat in de procedure over en weer is aangevoerd, deelt. De omstandigheid dat het raadslid niet wist dat het gesprek werd opgenomen, doet niet af aan het feit dat hij met het delen van vertrouwelijke informatie uit de school heeft geklapt op een wijze die niet past bij zijn rol als lid van de vertrouwenscommissie en openbaar bestuurder. Dit vormt een misstand die door een journalist, vanuit de waakhondfunctie die de pers heeft, aan het licht kan worden gebracht, nu het hier gaat om een benoeming van een derde in een publieke functie.

5.9.

Het raadslid heeft betoogd dat noch uit het rapport van Berenschot, noch uit de overige processtukken blijkt dat in de benoemingscommissie geheimhouding is afgesproken, alsook dat een geheimhoudingsplicht wettelijk niet kan worden opgelegd ter zake de benoeming van een waarnemend burgemeester en dat er slechts vertrouwelijkheid is gevraagd, maar aan dit betoog gaat het hof voorbij. Daargelaten het bestaan van enig feitelijk verschil tussen geheimhouding en vertrouwelijkheid, is er ook wanneer de misstand die de journaliste aan de kaak beoogde te stellen, een schending van gevraagde vertrouwelijkheid in plaats van verplichte geheimhouding betreft, sprake van een misstand die de samenleving raakt. Daarmee faalt grief 3, gericht tegen de overweging van de rechtbank dat het raadslid de in de benoemingscommissie afgesproken geheimhouding heeft geschonden, waar volgens het raadslid slechts vertrouwelijkheid was gevraagd.

5.10.

Ook aan het betoog van het raadslid dat hij door de journaliste (en [naam journalist ] ) is uitgelokt tot het doen van uitspraken met het kennelijk doel die uitspraken op te nemen en te delen met anderen en dat in elk geval op het moment dat de journaliste de opname startte nog geen sprake was van een misstand, omdat de benoeming eerst aan het einde van het telefoongesprek aan de orde werd gesteld, komt naar het oordeel van het hof geen gewicht toe. Journalisten stellen nu eenmaal vragen en niets is gebleken dat op uitlokking duidt.

Juist indien er vanuit de pers veel belangstelling is voor het achterhalen van bepaalde gegevens, heeft immers te gelden dat de afgesproken vertrouwelijkheid meebrengt dat de gegevens geheim worden gehouden. Dat is immers het wezen van vertrouwelijkheid. Van een raadslid mag dan ook verwacht worden dat tegen druk van de pers weerstand wordt geboden wat kan door vragen niet te beantwoorden. Voor zover het raadslid heeft beoogd te betogen dat van een misstand geen sprake is, omdat de naam van de te benoemen waarnemend burgemeester toch ‘al rondzong’ en de bekendmaking van de benoeming ten tijde van het telefoongesprek hooguit nog enkele dagen op zich zou laten wachten, volgt het hof hem niet in dit betoog. Ook dit geeft het raadslid niet het recht om in strijd met de gemaakte afspraken voortijdig uit de school te klappen. Het doet daarom niet af aan de ernst van de door de journaliste publiek gemaakte misstand.

5.11.

Er was naar het oordeel van het hof sprake van een zwaarwegend publiek belang bij het naar buiten treden. De journaliste heeft er daarbij voor gekozen de naam van de door haar geraden kandidaat voor het waarnemend burgemeesterschap bekend te maken aan de burgemeester, waardoor de zaak aan het rollen kwam. Wellicht dat de journaliste ook op een andere wijze haar boodschap had kunnen overbrengen, maar omdat zij hierin vanuit haar functie als journaliste een ruime beoordelingsvrijheid geniet, waarbij zij zich mede mag laten leiden door de nieuwswaarde en -impact, is het toetsingskader van het hof beperkt. Niet geoordeeld kan worden dat zij in haar uitlating richting de burgemeester de grenzen van zorgvuldige journalistiek heeft overschreden. Dit geldt evenzeer voor het door de journaliste noemen van de naam van haar bron op de vraag van de voorzitter van de benoemingscommissie of het raadslid degene was die uit de school had geklapt.

5.12.

Na de ontkenningen door het raadslid tijdens de bijeenkomst op 10 november 2014 en in de e-mail van 11 november 2014, was het aan de journaliste om op een controleerbare en geloofwaardige wijze aan te tonen dat de door haar gestelde misstand juist was.

Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat voor de journaliste heeft te gelden dat als beschuldigingen worden geuit zonder dat deze met bewijs en/of feiten gestaafd (kunnen) worden, de rechter hiertegen kan optreden (EHRM 31 januari 2006, RvdW 2006/361 (Stangu/Roemenië)). De door de journaliste gestelde misstand kon zij echter bewijzen met de (in strafrechtelijk opzicht verboden) opname van het telefoongesprek van 8 november 2014, waaruit bleek van de uitlatingen door het raadslid.

Dat de journaliste dit ook op een andere manier kon aantonen dan door de opname van het telefoongesprek ter beschikking te stellen en/of te delen, is onvoldoende gebleken. Er zijn geen aanknopingspunten dat de journaliste in dit kader onzorgvuldig heeft gehandeld. Het hof acht daartoe mede van belang dat niet is gebleken dat de journaliste (de inhoud van) de opname ter beschikking heeft gesteld aan anderen en/of heeft gedeeld met anderen vóórdat het raadslid op 10 november 2014 heeft ontkend met de pers te hebben gesproken en vóórdat het raadslid op 11 november 2014 te kennen heeft gegeven wel met de pers te hebben gesproken, maar slechts in een andere context. Ook is van belang dat niet is komen vast te staan dat de journaliste de (inhoud van de) opname van het telefoongesprek ter beschikking heeft gesteld aan en/of heeft gedeeld met anderen dan een lid of leden van de gemeenteraad van [naam gemeente] , de griffier van de gemeente [naam gemeente] en onderzoekers van Berenschot. Daar waar de journaliste geen andere middelen ter beschikking stonden om de waarheid van haar stellingen te bewijzen, kan dan ook niet zo maar geconcludeerd worden dat het handelen van de journaliste disproportioneel is geweest, zoals het raadslid heeft gesteld.

5.13.

Het raadslid heeft verder aangevoerd dat hij tijdens het telefoongesprek meermaals tegen [naam journalist ] heeft gezegd dat de inhoud van het gesprek vertrouwelijk was. Kennelijk verwijt het raadslid de journalist [naam journalist ] en de journaliste dat zij de door hem bedongen vertrouwelijkheid niet hebben gerespecteerd. Daarmee miskent het raadslid dat door het enkel eenzijdig melden zijnerzijds dat wat hij zegt vertrouwelijk is, er voor [naam journalist ] of de journaliste geen gebondenheid daaraan ontstond. Daarbij is van belang dat het raadslid wist dat hij met een journalist - [naam journalist ] - sprak over een onderwerp met een vertrouwelijk karakter, waarvan hij ambtshalve op de hoogte was en dat betrekking had op de openbare dienst. Als raadslid en fractievoorzitter - dus als publiek persoon bekend met de pers - had hij zich bewust moeten zijn van het risico dat ondanks de door hem gevraagde vertrouwelijkheid (delen van) het gesprek openbaar gemaakt zouden kunnen worden.

5.14.

Bij dit alles kan bovendien niet uit het oog worden verloren dat de door het raadslid genoemde grote persoonlijke gevolgen van het opnemen van het gesprek en het ter beschikking stellen en/of delen van de (inhoud van de) opname, zoals het opgeven van zijn raadszetel, in ieder geval ook gerelateerd zullen zijn aan de klacht over ongewenst gedrag en ongepaste uitlatingen.

5.15.

Dat door de journaliste met het schenden van het telefoongeheim strafrechtelijke grenzen zijn overschreden, betekent tot slot nog niet dat aan de verkregen informatie als zodanig geen waarde kan worden toegekend in de hier te maken afweging. Die schending van de privésfeer moet worden afgezet tegen het publieke belang van vrije nieuwsgaring.

Alle omstandigheden in aanmerking nemend, is het hof van oordeel dat het recht van het raadslid op het telefoongeheim en de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer moeten wijken voor het door de journaliste onder de vrijheid van meningsuiting ingeroepen recht op vrije nieuwsgaring.

Daarmee faalt grief 4, gericht tegen de conclusie van de rechtbank dat er geen sprake is van een onrechtmatige daad, gelet op de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

5.16.

Ook de grieven 1 en 2 falen. Met grief 1 klaagt [naam raadslid] dat het oordeel van de rechtbank, dat voldoende is gebleken dat aan de hand van de door hem tijdens het telefoongesprek gegeven aanwijzingen de te benoemen waarnemend burgemeester kon worden achterhaald, is gebaseerd op een onjuiste interpretatie van het rapport van Berenschot. Met grief 2 klaagt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor zijn stelling dat bedoelde aanwijzingen, gelet op de voorkennis van [geintimeerde] , slechts een duwtje zijn geweest om de naam van de te benoemen waarnemend burgemeester te achterhalen.

Immers, wat hier ook van zij, in het kader van het verwijt dat [naam raadslid] [geintimeerde] maakt, doet het er niet toe of zij op basis van de door hem verstrekte informatie de naam van de te benoemen waarnemend burgemeester heeft kunnen achterhalen. [naam raadslid] miskent hiermee dat het Verwegen (op enig moment) niet (meer) te doen was om het achterhalen van de naam van de te benoemen waarnemend burgemeester, maar dat zij beoogde de door haar

geconstateerde misstand aan de kaak te stellen.

6 De slotsom

6.1.

Slotsom is dat de grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

6.2.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal het hof het raadslid in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

6.3.

Deze kosten worden aan de zijde van de journaliste vastgesteld op € 313,00 aan griffierecht en € 1.074,00 voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief (1 punt, tarief II in hoger beroep à € 1.074,00 per punt).

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 19 oktober 2016;

veroordeelt het raadslid in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de journaliste vastgesteld op € 313,00 aan griffierecht en € 1.074,00 voor salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft

uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, O.G.H. Milar en R.F. Groos en is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 december 2018.