Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10732

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-12-2018
Datum publicatie
13-12-2018
Zaaknummer
21-004331-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:3330, Overig
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenarrest in de zaak van de verdachte die verweten wordt het verkrachten, het van haar vrijheid beroven en doden van [slachtoffer] en het mishandelen van medewerkers van het Pieter Baan Centrum.

Het hof wijst het verzoek van de verdediging tot het horen van de personen van de plaatselijke top van het openbaar ministerie en de politie af. Ook het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 10] wijst het hof af.

Het verzoek van de verdediging om de getuige [getuige 9] te horen wijst het hof toe, evenals het verzoek tot het toevoegen aan het dossier van de opnames van de politieverhoren van verdachte.

Wat betreft de verzoeken van het openbaar ministerie wijst het hof het verzoek toe om nader onderzoek te doen naar de seksuele belevingswereld van verdachte door de onderzoekers die verdachte eerder in het Pieter Baan Centrum hebben onderzocht. Het hof ziet geen reden om de medebrenging van verdachte te bevelen voor de inhoudelijke behandeling, zoals door de advocaat-generaal is gevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004331-18

Uitspraak d.d.: 13 december 2018

TEGENSPRAAK

Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank

Midden-Nederland van 17 juli 2018 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-707164-17 en 16-652376-18, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1990] ,

thans verblijvende in het [PPC] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 november 2018.

Het hof heeft kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadslieden, mr. D.C. Dorrestein en mr. S. de Korte, naar voren is gebracht.

Op de terechtzitting van 29 november 2018, welke zitting een regiezitting betrof, hebben de raadslieden, mrs. D.C. Dorrestein en S. de Korte, de appelschriftuur gedateerd 14 augustus 2018 en diezelfde dag ingekomen ter griffie van de rechtbank en de aanvulling op de appelschriftuur van 16 november 2018 nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft op 20 november 2018 schriftelijk gereageerd op de appelschriftuur en ter terechtzitting van 29 november 2018 een toelichting gegeven. De advocaat-generaal heeft ter zitting twee verzoeken gedaan.

De door de verdediging ingediende verzoeken

Het horen van de bij appelschriftuur opgegeven getuigen

Bij appelschriftuur hebben de raadslieden verzocht om elf personen als getuigen te horen, te weten [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] , [getuige 8] en de leden van het Aanhoudings- en Ondersteuningsteam (AOT) met de nummers 141, 220 en 310.

Ter terechtzitting van 29 november 2018 heeft de verdediging aangegeven niet te persisteren bij de verzoeken tot het horen van de getuigen officier van justitie [getuige 5] , de burgemeester van [gemeente] [getuige 3] en de leden van het AOT met de nummers 141, 220 en 310.

De verzoeken tot het horen van de getuigen hoofdofficier van justitie Midden-Nederland [getuige 1] , hoofd operatie van politie binnen de eenheid Midden-Nederland [getuige 2] , officier van justitie [getuige 4] , teamchef generieke opsporing politie eenheid Midden-Nederland [getuige 6] , TGO teamleider politie Midden-Nederland [getuige 7] , en TGO tactisch coördinator politie Midden-Nederland [getuige 8] zijn wel gehandhaafd.

De verdediging heeft daartoe conform de pleitnota, die aan het hof is overgelegd en aan het proces-verbaal is gehecht, aangevoerd dat zij daarmee wenst te onderzoeken en mogelijk kan aantonen dat het niet het arrestatieteam is geweest dat zelfstandig heeft besloten om verdachte aan te pakken op een wijze waarbij leden van het team buiten hun bevoegdheden zijn getreden, maar dat dit in opdracht van de plaatselijke top van het openbaar ministerie en de politie is gebeurd. Die top bestaat in deze zaak volgens de verdediging uit [getuige 1] en [getuige 2] .

De verdediging voert aan dat wanneer een vormverzuim verder strekt dan slechts een individuele fout, dit wat betreft de ernst van het verzuim extra gewicht in de schaal legt. De verdediging wenst met het horen van de voornoemde getuigen aan te tonen dat het openbaar ministerie meer te verwijten valt dan in eerste instantie werd aangenomen. Indien de ernst van het verzuim groter blijkt, dient dat tot uitdrukking te komen in de strafmaat in de zin van stafvermindering.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van deze verzoeken.

Hij heeft primair aangevoerd dat aan de wijze van aanhouding van verdachte alleen dan consequenties verbonden dienen te worden als daarmee het recht op een eerlijk proces, dat is gewaarborgd in artikel 6 van het EVRM, is aangetast. Nu dat is gesteld noch gebleken dient het horen van de getuigen daarom geen doel en moeten de verzoeken alleen al om die reden worden afgewezen.

Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat ter onderbouwing van het verzoek tot het horen van de getuigen wordt gesteld dat onderzocht moet worden ‘of de leden van het arrestatieteam zelfstandig hun bevoegdheden te buiten zijn gegaan of dat dit in opdracht dan wel in samenspraak met het OM is gebeurd’, maar in het proces-verbaal van de Rijksrecherche geen enkele aanwijzing is te vinden dat sprake zou zijn van een dergelijke opdracht. Hij ziet het verzoek dan ook als een fishing expedition. Ook om die reden stelt de advocaat-generaal dat de verzoeken moeten worden afgewezen.

Oordeel van het hof

Naar aanleiding van de aangifte van verdachte van bedreiging en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door leden van het arrestatieteam is door de Rijksrecherche onderzoek gedaan onder de naam ‘Pollux’.1 In dat onderzoek zijn verklaringen afgelegd door de getuigen die de verdediging thans wenst te bevragen. Omtrent het specifieke punt waarop de verdediging deze getuigen wenst te ondervragen, hebben zij in het kader van voornoemd onderzoek de volgende verklaringen afgelegd.

De getuige [getuige 1] , hoofdofficier van justitie Midden-Nederland, heeft verklaard dat zij met betrekking tot de beslissing tot aanhouding van verdachte met de zaaksofficier van justitie, de heer [getuige 4] , contact heeft gehad over de wijze van aanhouding. Daarbij spraken zij af dat AOT-leden verdachte zouden aanhouden en hem daarbij direct, zonder het geven van de cautie, op een indringende wijze, zouden vragen naar de verblijfplaats van [slachtoffer] . Op de vraag wat die ‘indringende wijze’ inhield, heeft [getuige 1] verklaard dat er tussen [getuige 1] en [getuige 4] daarover geen nadere invulling is besproken, behalve dan dat er geen strafbare feiten gepleegd mochten worden door het AOT. Er werd immers rekening mee gehouden dat [slachtoffer] nog in leven was.2

De getuige [getuige 2] , hoofd operatie binnen de eenheid Midden-Nederland, heeft verklaard dat zij samen met de hoofofficier van justitie toestemming heeft gegeven voor de aanhouding van verdachte door het AOT. De opdracht aan het AOT was om zonder cautie indringend te vragen naar de verblijfplaats van [slachtoffer] . Op de vraag of er informeel "toestemming is verleend om disproportioneel geweld te gebruiken ten opzichte van de verdachte”, heeft [getuige 2] aangegeven dat dit niet is gebeurd. Volgens [getuige 2] waren de kaders duidelijk: indringend vragen zonder het geven van de cautie, maar geen geweld, dus ook geen geweld bij het indringend vragen.3

Uit een proces-verbaal van bevindingen van [getuige 4] , officier van justitie te Midden-Nederland, blijkt dat hij in overleg met de teamleider van het Team Grootschalige Opsporing (TGO), [getuige 7] , het aanhoudingsteam (AT) toestemming heeft gegeven om verdachte stevig beet te pakken bij het overbrengen naar de arrestantenbus en hem in de bus op zijn zitplaats te zetten en hem zonder de cautie te vragen waar [slachtoffer] was. [getuige 4] heeft daarbij expliciet aangegeven dat verdachte niet mocht worden mishandeld en dat er evenmin mocht worden gedreigd met mishandeling.4

Vervolgens heeft [getuige 4] als getuige nog eens bevestigd wat hij in zijn proces-verbaal van bevindingen heeft gerelateerd betreffende de aanpak bij de arrestatie van verdachte.5

De getuige [getuige 6] , teamchef generieke opsporing eenheid Midden-Nederland, heeft verklaard dat zij, nadat de beslissing was genomen dat verdachte zou worden aangehouden, [getuige 7] in kennis heeft gesteld dat verdachte moest worden aangehouden en dat daarbij ook besproken is dat verdachte onder druk mocht worden gezet om te vragen waar [slachtoffer] was. Volgens [getuige 6] heeft zij heel duidelijk met [getuige 7] besproken dat er daarbij geen sprake mocht zijn van fysiek geweld. [getuige 6] verklaart over het "onder druk zetten" dat zij en [getuige 7] hadden besloten dat verdachte wel echt bang gemaakt mocht worden en dat zij dat een dreiging met geweld vonden die, gezien de zaak, wel “ok” was. De grens was dat er niet mishandeld mocht worden.6

De getuige [getuige 7] , teamleider TGO politie Midden-Nederland, heeft verklaard dat hij met de officier van justitie [getuige 4] diverse mogelijkheden heeft besproken die konden worden toegepast om de verblijfplaats van [slachtoffer] te achterhalen. [getuige 7] heeft voorgesteld om verdachte zonder cautie bij zijn aanhouding flink te intimideren, waar [getuige 4] mee akkoord ging. Volgens [getuige 7] werden daarbij ook de grenzen bepaald: verdachte mocht bang worden gemaakt, maar er mocht geen fysiek geweld worden gebruikt indien dit niet noodzakelijkwijs nodig was. [getuige 7] bedoelt daarmee geen gescheurde oorlellen, tandjes door de lip, bloedneus, blauwe plekken, dat soort zaken. Het was duidelijk dat er geen mishandeling mocht plaatsvinden. Er moest sprake zijn van een overwichtssituatie waarin verdachte werd geïntimideerd door hem bang te maken. De overweging bij dit verzoek aan het AOT zat hem in het feit dat [slachtoffer] op dat moment nog kon leven. In het daaropvolgende instructiegesprek met de commandant van het AOT, onder nummer 220, heeft [getuige 7] de overweging meegegeven waarom voor een bepaalde aanpak was gekozen. [getuige 7] heeft aan de commandant aangegeven dat verdachte stevig moest worden aangepakt zonder extra geweld, anders dan natuurlijk functioneel nodig voor de aanhouding zelf. Onder strak aanpakken werd verstaan het intimideren en bang maken van verdachte zonder hem te mishandelen.7

De getuige [getuige 8] , tactisch coördinator politie Midden-Nederland, heeft verklaard dat de opdracht om verdachte aan te gaan houden kwam vanuit het beleidscentrum, bestaande uit [getuige 2] , de hoofdofficier van justitie en de burgemeester van [gemeente] . Het zou een stevige aanhouding moeten zijn met een indringende bevraging. Het was een vermissingsonderzoek en niet direct een moordonderzoek. Het was het hoogste doel om te weten waar [slachtoffer] was. Er werd rekening mee gehouden dat zij nog in leven was. Vlak voor de daadwerkelijke aanhouding is door [getuige 4] en [getuige 7] tegen de AT-commandant gezegd dat er geen letsel mocht worden toegebracht, maar dat verdachte stevig moest worden aangepakt en indringend moest worden gevraagd waar [slachtoffer] was.8

Naar het oordeel van het hof wordt door middel van deze verklaringen in onderling verband en samenhang bezien voldoende duidelijk gerelateerd hoe de beslissing omtrent de wijze van aanhouding van verdachte tot stand is gekomen en wat daarbij de kaders waren waarbinnen die aanhouding diende plaats te vinden.

Het hof merkt daarbij op dat er op enkele onderdelen in de verklaringen van de getuigen weliswaar verschillen zitten, maar dat ten aanzien van het essentiële onderdeel waarover de verdediging hen wenst te bevragen, te weten of er vanuit de plaatselijke top van het openbaar ministerie en de politie opdracht is gegeven voor toepassing van geweld door het arrestatieteam, zij allen hebben verklaard dat verdachte weliswaar stevig aangepakt diende te worden, maar dat de grens lag bij de toepassing van fysiek geweld. En hoewel op grond van de inhoud van het dossier, waaronder Pollux, aannemelijk is geworden dat er wel fysiek geweld heeft plaatsgevonden kort na de aanhouding van verdachte, blijkt uit de hierboven vermelde verklaringen van de verzochte getuigen op geen enkele wijze dat daarvoor door de plaatselijke top van het openbaar ministerie en de politie – in de personen van [getuige 1] en [getuige 2] – opdracht is gegeven of mee is ingestemd. De enkele veronderstelling van de verdediging dat een dergelijke opdracht of instemming mogelijk heeft plaatsgevonden is onvoldoende onderbouwing om nader onderzoek te doen. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat verdachte door de hiervoor genoemde personen niet als getuigen te horen redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad. Het hof zal het verzoek tot het horen van deze getuigen daarom afwijzen.

Het toevoegen van de opnames van de verhoren van verdachte

De verdediging heeft bij appelschriftuur verzocht om de opnames van de verhoren van verdachte toe te voegen aan het dossier opdat door het hof kennis kan worden genomen van de gemoedstoestand op het moment dat verdachte bij de politie zijn verklaringen aflegde. Ter terechtzitting van 29 november 2018 heeft de verdediging daarop nog aangevuld dat de stemming van verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg behoorlijk mat was door de cocktail van medicatie die hij toen kreeg, en dat het voor de verdediging van belang is dat kennis kan worden genomen van de indruk die verdachte bij het afleggen van de politieverklaringen maakt en de emoties die hij daarbij toont.

De advocaat-generaal heeft aangegeven dat hij zich niet verzet tegen het toevoegen van de opnames van de verhoren van verdachte aan het dossier.

Oordeel van het hof

Het hof zal het verzoek tot het toevoegen van de opnames van de verhoren van verdachte aan het dossier toewijzen en zal daartoe het openbaar ministerie opdracht geven.

Het horen van de bij aanvulling op de appelschriftuur opgegeven getuigen

Bij brief van 16 november 2018 heeft de verdediging naar aanleiding van het vierde aanvullend dossier verzocht om [getuige 9] en [getuige 10] als getuigen te horen.

Wat betreft het horen van voornoemde [getuige 9] heeft de verdediging aangevoerd dat deze getuige op 13 september 2018 in aanvulling op zijn eerdere verklaringen bij de politie heeft verklaard over een voorval in juli of augustus 2017 en dat deze belastende verklaring voor cliënt van belang kan zijn voor beantwoording van de vraag of er al dan niet sprake is van voorbedachte raad voor het onder feit 1 ten laste gelegde, zodat het horen van deze getuige noodzakelijk is. Ter zitting heeft de verdediging alsnog aangegeven dat het verzoek tot het horen van deze getuige getoetst zou moeten worden aan de hand van het verdedigingsbelang.

Ten aanzien van het horen van de getuige [getuige 10] , die op 17 september 2018 voor het eerst door de politie is gehoord, heeft de verdediging aangevoerd dat het noodzakelijk is deze getuige te bevragen teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de vraag hoe zijn verklaring gelezen moet worden in vergelijking met de door cliënt afgelegde verklaring, welke verklaringen mogelijk met elkaar in strijd zijn, alsmede in vergelijking met de geschetste tijdslijn en een reconstructie van de Verkeers Ongevallen Analyse.

De advocaat-generaal heeft aangegeven dat hij geen bezwaar maakt tegen het horen van de getuige [getuige 9] . Wat betreft het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 10] heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat hij geen heil ziet in het horen van deze getuige, nu zijn afgelegde verklaring geen gevolgen heeft voor de beoordeling van deze strafzaak.

Oordeel van het hof

Het verzoek van de verdediging om de getuigen [getuige 9] en [getuige 10] te horen is niet bij appelschriftuur gedaan, maar pas bij brief van 16 november 2018.

Strikt genomen zou het hof dan dienen te toetsen of het horen van de opgegeven getuigen noodzakelijk is. Echter, de omstandigheid dat de verdediging niet binnen de voor de indiening van de appelschriftuur voorgeschreven termijn de beschikking had over de verhoren van de getuigen, nu zij zich allebei pas in een later stadium bij de politie hebben gemeld met hun (aanvullende) verklaring waarover de verdediging hen wenst te bevragen, maakt dat het hof dit in de afweging van het wel of niet horen van de getuigen zal betrekken en een ruimere toepassing zal geven aan het noodzaakcriterium en de verzoeken dus inhoudelijk zal beoordelen aan de hand van het verdedigingsbelang.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 9] dient te worden toegewezen. Het hof acht het wenselijk dat deze getuige door de raadsheer-commissaris wordt gehoord. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof.

Wat betreft het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 10] merkt het hof op dat door de politie op 30 januari 2018 een proces-verbaal ‘Verkeers Ongevals Analyse Reconstructie’ is opgemaakt en op 9 april 2018 een proces-verbaal tijdlijn 29092017 over de afgelegde routes van verdachte en het slachtoffer op 29 september 2017. De verdediging heeft gesteld dat de verklaring van de getuige [getuige 10] niet rijmt met de gang van zaken zoals verdachte die heeft geschetst en niet met de inhoud van de hiervoor genoemde processen-verbaal.

Het hof is in het licht van de hiervoor genoemde stukken die zich in het dossier bevinden en waarover geen verweer is gevoerd van oordeel dat het belang van verdachte bij het horen van deze getuige onvoldoende is onderbouwd, zodat verdachte niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad bij het niet horen van deze getuige.

Het hof zal het verzoek dan ook afwijzen.

De door de advocaat-generaal gedane verzoeken

Het verzoek tot aanvullend onderzoek door de onderzoekers van het Pieter Baan Centrum

Het verzoek van de advocaat-generaal houdt in dat verdachte volgens de onderzoekers van het Pieter Baan Centrum (PBC) ‘beperkt inzicht heeft gegeven op zijn seksuele belevingswereld’ en dat voor zover verdachte bereid is om dit alsnog te doen aanvullend onderzoek op dat punt noodzakelijk is door diezelfde onderzoekers. De advocaat-generaal acht een nieuwe opname in het PBC daartoe niet noodzakelijk.

De raadsman van verdachte, mr. Dorrestein, heeft aangegeven dat hij en zijn collega daarover met hun cliënt wensen te overleggen en dat hij dus nog geen standpunt in kan nemen. De raadsman heeft aangegeven dat hij het hof zo spoedig mogelijk daarover zal informeren.

Bij brief d.d. 7 december 2018 heeft mr. Dorrestein bericht dat zijn cliënt bereid is om mee te werken aan nader onderzoek betreffende zijn seksuele belevingswereld en dat dit onderzoek ook wat betreft de verdediging niet hoeft plaats te vinden in het PBC, maar dat de gesprekken met de onderzoekers gevoerd kunnen worden in het huis van bewaring.

Oordeel van het hof

Nu verdachte, blijkens het bericht van de verdediging van 7 december 2018, heeft aangegeven dat hij bereid is zijn medewerking te verlenen aan een nader onderzoek door de onderzoekers van het PBC, zal het hof het verzoek toewijzen, omdat het hof van oordeel is dat het noodzakelijk is dat een dergelijk onderzoek plaatsvindt.

Ten aanzien van de te benoemen deskundigen wenst het hof te worden voorgelicht door R.J.P. Rijnders, psychiater, en J. Heerschop, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, en beiden betrokken bij het eerdere onderzoek van verdachte.

Het hof zal de zaak verwijzen naar de raadsheer-commissaris teneinde Rijnders en Heerschop te benoemen tot deskundigen en opdracht te geven tot het uitbrengen van een nader schriftelijk verslag aan het hof.

In het geval dat door onvoorziene omstandigheden Rijnders en/of Heerschop de opdracht niet kan/kunnen aanvaarden, dan dient dit te gebeuren door (een) deskundige(n) (een psychiater en/of psycholoog) die door de raadsheer-commissaris wordt/worden benoemd.

Het verzoek tot het geven van een bevel medebrenging van verdachte voor de terechtzittingen van 28 en 29 mei 2019

De advocaat-generaal heeft verzocht voor de inhoudelijke behandeling, die ter terechtzitting van 28 en 29 mei 2019 zal plaatsvinden, de medebrenging van verdachte te bevelen.

De raadslieden hebben aangegeven dat een dergelijk bevel wat hen betreft niet aan de orde hoeft te zijn, omdat zij er vanuit gaan en ook verwachten dat hun cliënt bij de inhoudelijke behandeling aanwezig zal zijn, net als bij de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg. Tevens hebben zij nog aangevoerd dat verdachte er zelf belang bij heeft dan aanwezig te zijn.

Oordeel van het hof

Voor een bevel tot medebrenging is plaats als de aanwezigheid van verdachte op de terechtzittingen van de inhoudelijke behandeling op 28 en 29 mei 2019 is gewenst en er reden is om aan te nemen dat verdachte uit eigen beweging niet zal verschijnen.

Nu de raadslieden van verdachte hebben aangegeven dat zij ervan uitgaan dat hun cliënt bij de inhoudelijke behandeling aanwezig zal zijn, en gelet op de omstandigheid dat verdachte ook in eerste aanleg bij de inhoudelijke behandeling vrijwillig aanwezig is geweest, ziet het hof voorshands geen reden om reeds nu een bevel tot medebrenging voor die terechtzittingen te geven. Het hof zal het verzoek dan ook afwijzen.

BESLISSING

Het hof:

Bepaalt dat de opnames van de verhoren van verdachte worden toegevoegd aan het dossier van verdachte en geeft het openbaar ministerie hiertoe opdracht.

Stelt de stukken in handen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof teneinde als getuige te horen:

- [getuige 9] , geboren op [1984] te [geboorteplaats] en wonende te [woonplaats] .

Wijst de overige verzoeken van verdachte af.

Wijst toe het verzoek van de advocaat-generaal tot nader onderzoek van verdachte naar zijn seksuele belevingswereld door een psychiater en een psycholoog, bij voorkeur te verrichten door de bij het eerdere onderzoek van de verdachte betrokken psychiater en psycholoog.

In het geval dat door onvoorziene omstandigheden Rijnders en/of Heerschop de opdracht niet kan/kunnen aanvaarden, dan dient dit te gebeuren door (een) deskundige(n) (een psychiater en/of psycholoog) die door de raadsheer-commissaris wordt/worden benoemd.

Stelt daartoe de stukken in handen van de raadsheer-commissaris.

Wijst af het verzoek van de advocaat-generaal tot het bevelen van de medebrenging van verdachte voor de terechtzitting van 28 en 29 mei 2019.

Schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd in ieder geval voor een periode langer dan een maand maar niet langer dan drie maanden, om de klemmende reden dat het uitvoeren van de opgedragen onderzoekshandelingen en het zittingsrooster van het gerechtshof aan hervatting van het onderzoek binnen één maand in de weg staan.

Beveelt de oproeping van de verdachte tegen het hiervoor genoemde tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadslieden van verdachte en aan de benadeelde partijen en degenen die gebruik willen maken van hun spreekrecht.

Aldus gewezen door

mr. G. Mintjes, voorzitter,

mr. B.J.J. Melssen en mr. A.B.A.P.M. Ficq, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jansen en mr. I. Vugs, griffiers,

en op 13 december 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 In de hierna opgenomen voetnoten wordt verwezen naar de paginanummers van de processen-verbaal die als bijlagen zijn gevoegd bij het stamproces-verbaal onderzoek 20180013 Pollux, in de wettelijke vorm opgemaakt op 16 mei 2018 door [verbalisant] , inspecteur van politie bij de Rijksrecherche.

2 Pagina’s 088 t/m 090.

3 Pagina’s 082 t/m 086.

4 Pagina’s 063 t/m 064.

5 Pagina’s 091 t/m 099.

6 Pagina’s 104 t/m 108.

7 Pagina’s 075 t/m 081.

8 Pagina’s 065 t/m 069.