Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10722

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-12-2018
Datum publicatie
14-12-2018
Zaaknummer
17/01312
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:4023, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is begin januari 2012 vanuit Duitsland geremigreerd naar Nederland. Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag IB/PVV 2012 opgelegd en een vergrijpboete, omdat het aan de grove schuld van belanghebbende te wijten zou zijn dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld als gevolg van het niet aangeven van saldi van Duitse bankrekeningen. Het Hof oordeelt dat belanghebbende, een belastingplichtige zonder relevante fiscale kennis, zich onder de gegeven omstandigheden op de fiscale deskundigheid van haar adviseur mocht verlaten. De Inspecteur maakt grove schuld van belanghebbende niet aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-12-2018
FutD 2018-3285
V-N Vandaag 2018/2764
NTFR 2019/168 met annotatie van mr. N. ten Broek
V-N 2019/15.14 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummer 17/01312

uitspraakdatum: 11 december 2018

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 oktober 2017, nummer LEE 17/1439, ECLI:NL:RBNNE:2017:4023, in het geding tussen de Inspecteur en

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Bij beschikkingen is € 6.078 aan belastingrente berekend en is een boete opgelegd van € 16.698.

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren tegen de beschikkingen inzake de belastingrente en de boete ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de belastingrente verminderd tot € 4.130, de boetebeschikking vernietigd, opgedragen dat het griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2018. De heer J. [B] is ter zitting als getuige verschenen, na daartoe door het Hof te zijn opgeroepen. De door hem afgelegde verklaring is opgenomen in het van de zitting opgemaakte proces-verbaal, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met [A] (hierna: de echtgenoot). Tot en met 11 januari 2012 waren zij woonachtig in Duitsland, alwaar door hen een agrarische onderneming werd gedreven. Die onderneming is in de loop van het jaar 2011 gestaakt. Een groot aantal vermogensbestanddelen van de onderneming is bij die gelegenheid verkocht. Een gedeelte van de landerijen in Duitsland is behouden gebleven.

2.2.

Per 12 januari 2012 zijn belanghebbende en de echtgenoot naar Nederland geremigreerd.

2.3.

Belanghebbende en de echtgenoot waren houder van een viertal bankrekeningen in Duitsland (hierna: de Duitse bankrekeningen). De met de staking van de onderneming behaalde verkoopopbrengst is (deels) op de Duitse bankrekeningen terecht gekomen.

2.4.

De saldi van de Duitse bankrekeningen waren per januari 2012 als volgt:

Rekeningnummer

Saldo (in €)

[00000]

1.876.156

[00001]

101.935

[00002]

6.151

[00003]

380

Totaal:

1.984.622

2.5.

Op 29 mei 2012 is van rekeningnummer [00000] een bedrag van € 615.231 overgemaakt naar een notaris in Nederland in verband met de aankoop van grond in Nederland.

2.6.

Op 7 augustus 2012 is het saldo van rekeningnummer [00000] overgemaakt op rekeningnummer [00001] . Vervolgens is het saldo van rekeningnummer [00001] op 8 augustus 2012 overgemaakt naar een rekening die belanghebbende en de echtgenoot aanhouden bij de [a-bank] in Nederland.

2.7.

Belanghebbende heeft op 26 mei 2014 aangifte IB/PVV gedaan voor het jaar 2012. De aangifte is verzorgd, ondertekend en ingediend door een medewerker van Administratiekantoor [B] B.V. (aangesloten bij het Register Belastingadviseurs), de toenmalige adviseur van belanghebbende en de echtgenoot. In de aangifte is gekozen voor een behandeling als binnenlands belastingplichtige en is de echtgenoot aangemerkt fiscaal partner. Onder ‘Bezittingen’ (vraag 63) en ‘Voordeel uit sparen en beleggen’ (vraag 65) is het volgende vermeld:

Waarde op 1 januari 2012 (…)

63a

Bank- en spaartegoeden in Nederland

63a

1.712.920

63b

Bank- en spaartegoeden buiten Nederland Let op! U moet ook vraag 66 invullen

63b

0

(…)

63d

Overige vorderingen en contant geld

63d

110.000

(…)

63f

Overige onroerende zaken. (…)

445.427

(…)

63j

Tel op 63a t/m 63i

63j

2.268.347

(…)

65c

(…) Rendementsgrondslag (…)

65c

2.268.347

65d

Heffingsvrije vermogen van u en uw fiscale partner voor heel 2012 (…)

65d

42.278

-

(…)

65g

(…) Grondslag voor de berekening voordeel uit sparen en beleggen (…)

65g

2.226.069

65h

Hebt u heel 2012 een fiscale partner? Vermeld dan het deel van de grondslag (…) dat u zelf aangeeft (…)

65h

2.099.183

65i

(…) Uw voordeel uit sparen en beleggen

65i

83.967

Vraag 66 betreffende bank- en spaartegoeden buiten Nederland is niet ingevuld. Onder ‘Aftrek om dubbele belasting te voorkomen’ (vraag 96) is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

96g

Waarde bezittingen box 3 in 2012 zoals (rechten op) onroerende zaken in het buitenland

Waarde bezittingen min schulden op 1 januari 2012

Soort bezittingen box 3

Landcode

12 79 ha Duitsl

DEU

€ 132.671

2.8.

Met dagtekening 13 februari 2015 is een aanslag IB/PVV voor het jaar 2012 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil (na verrekening van een persoonsgebonden aftrek van € 5.676) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 79.694 (na verrekening van een persoonsgebonden aftrek van € 4.273). Voor de hierover verschuldigde inkomstenbelasting ten bedrage van € 23.908 is aftrek elders belast inkomen verleend, zodat op de aanslag geen IB/PVV verschuldigd is.

2.9.

Naar aanleiding van de aangiften IB/PVV van belanghebbende en de echtgenoot voor het jaar 2013 heeft de Inspecteur verzocht informatie te verstrekken over in het buitenland aangehouden bank- en/of effectenrekeningen.

2.10.

Bij brief van 13 juli 2016 en e-mail van 27 september 2016 van de toenmalige adviseur hebben belanghebbende en de echtgenoot informatie verstrekt met betrekking tot de Duitse bankrekeningen, waaronder bankafschriften. De brief van 13 juli 2016 luidt, voor zover van belang, als volgt:

De vermogensstijging in box 3

Graag wenst u een verklaring voor het verschil in vermogen in box 3 op de peildata 1 januari 2012 en 1 januari 2013. Voor zover wij nu kunnen beoordelen zijn per 1 januari 2012 abusievelijk de saldi van de Duitse bankrekening per 1 januari 2012 niet in box 3 opgenomen met inachtneming van de evenredigheidsmethode ter voorkoming van dubbele belasting.

Wij hebben bij cliënt nog nadere gegevens opgevraagd zodat wij volledig antwoord kunnen geven op de door u gestelde vragen. (…)”

De e-mail van 27 september 2012 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…) Zoals u bekend hadden de heer en mevrouw [A] een aantal Duitse bankrekening welke, na remigratie in 2012, gedurende het jaar 2012 allemaal zijn opgeheven. (…)

Uit de ons ter beschikking staande gegevens blijkt dat de volgende saldi in Duitsland aanwezig waren per januari 2012:

[Hof: zie het overzicht in overweging 2.4]

Dit bedrag behoort, gezien het feit dat de heer en mevrouw [A] in 2012 voor de Nederlandse belastingwetgeving als binnenlands belastingplichtigen worden aangemerkt, tot de rendementsgrondslag van box 3. (…)

Het vermogen per 1 januari 2013 is € 1.059.109 lager dan 1 januari 2012 hetgeen verklaard kan worden door de betaling van de Duitse aanslag inkomstenbelasting (…).”

2.11.

Bij brief van 25 oktober 2016 heeft de Inspecteur medegedeeld voornemens te zijn aan belanghebbende een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2012 op te leggen, alsmede een vergrijpboete ingevolge artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), wegens het niet aangeven van de saldi van de Duitse bankrekeningen per 1 januari 2012 ten bedrage van € 1.984.622. De boete is als volgt gemotiveerd:

“(…) Het is algemeen bekend dat (al dan niet in het buitenland aangehouden en/of opgekomen) inkomens-en/of vermogensbestanddelen in de belastingaangifte moeten worden opgenomen; de vraagstelling hieromtrent is in de belastingaangifte voldoende duidelijk. Desondanks heeft uw cliënte de in de bijlage opgenomen (buitenlandse) inkomens- en/of vermogensbestanddelen niet in de aangiften verantwoord. Ik ben van mening dat uw cliënte voor deze belastingjaren (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

Strafverzwarende - en strafverminderende omstandigheden

Bij de bepaling van de hoogte van de boete is rekening gehouden met onderstaande

strafverminderende- en strafverzwarende omstandigheden:

Strafverzwarend:

  • -

    Algemene bekendheid dat buitenlandse banksaldi dan wel vermogen moeten worden aangegeven voor heffing van de inkomstenbelasting

  • -

    Uit uw schrijven blijkt dat het jaar 2012 in verband met emigratie voor het eerst door uw kantoor is gedaan. U vermeldt daarbij tevens dat ten tijde van het opstellen van de aangifte inkomstenbelasting u verondersteld dat de Duitse onderneming van cliënten zich op 1 januari 2012 nog in de liquidatiefase bevond.

Strafverminderend:

- Het voldoen van de wettelijke verplichtingen om stukken en bescheiden te verstrekken ten behoeve van de belastingheffing.

Matiging boete

Naar mijn mening is voor de correctie van het box 3 vermogen over genoemde jaren een boete van 75% ( 25% x 300%) passend en geboden.”

2.12.

De toenmalige adviseur heeft hierop bij e-mail van 22 november 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:

“Afgelopen week hebben wij een bespreking met cliënten gehad betreffende deze zaak. Uit deze bespreking kwam wederom naar voren dat er van bewust opzet geen sprake is geweest. Zoals ook in het e-mail bericht van 12 oktober jongstleden uiteengezet, leefden de heer en mevrouw [A] in de veronderstelling dat de in Duitsland aangehouden bankrekeningen per januari 2012 nog tot het ondernemingsvermogen behoorden. Voor hen was het aanknopingspunt hiervoor de laatste Duitse jaarrekening waarin de Duitse banksaldi zijn opgenomen als activapost op de balans.

Daarnaast werd door cliënten tevens aangegeven dat: "als wij gelden achter zouden willen houden, dan hadden wij dat deze in de loop van het jaar 2012 toch niet overgeboekt naar Nederland? Alles is inzichtelijk en te volgen".

Na uitleg omtrent de vraag wanneer er naar Nederlands recht sprake is van ondernemingsvermogen gaven zij aan dit te begrijpen en ook volledig achter de navordering te staan. Echter, van de hoogte van de voorgenomen boete schrok cliënt toch wel. Men is bang, als goedwillende burger, een "streepje" achter de naam te krijgen en ze voelen zich hier naar onder. Uiteraard hebben wij de werking van het boete systeem aan cliënten uitgelegd, men begrijpt dat deze ook bij voorwaardelijk opzet kan worden opgelegd, echter de hoogte hiervan nam het gevoel bij cliënten begrijpelijkerwijs niet weg.

Op basis van het voorgaan willen wij u toch nog verzoeken de hoogte van de boete in

overweging te nemen. Uiteraard verlangen wij en cliënten niet de boete tot nihil terug te

brengen, maar te matigen op basis van het voorgaande.”

2.13.

Bij brief van 24 november 2016 heeft de Inspecteur te kennen gegeven geen aanleiding te zien de boete te matigen. Voor zover relevant luidt de brief als volgt:

“(…) In situaties zoals deze is het passend en geboden een boete van 150% (50%x300%) op te leggen. Gezien de informatie die wij via u van uw cliënten hebben mogen ontvangen, was al besloten de boete te matigen tot 75% (25%x300%).”

2.14.

Met dagtekening 17 december 2016 is de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2012 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 159.079. Voor de hierover verschuldigde inkomstenbelasting ten bedrage van € 47.723 is voor een bedrag van € 1.551 aan aftrek elders belast inkomen verleend (in plaats van € 23.908 bij aanslag). Aan belastingrente is € 6.078 in rekening gebracht. Verder is een vergrijpboete opgelegd van € 16.698. Het aanslagbiljet vermeldt wat de boete betreft:

“(…) De Belastingdienst beschouwd uw nalatigheid als ‘grove schuld’ en behandelt deze nalatigheid als een vergrijp. (…)”

2.15.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikkingen inzake de belastingrente en de boete. De navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2012 heeft belanghebbende niet bestreden.

2.16.

De Inspecteur heeft de bezwaren bij uitspraak op bezwaar afgewezen en de beschikkingen inzake de belastingrente en de boete gehandhaafd.

2.17.

Wat betreft de belastingrente heeft de Rechtbank overwogen dat de Inspecteur hangende de beroepsprocedure te kennen heeft gegeven dat het in rekening gebrachte bedrag conform het standpunt van belanghebbende moet worden verminderd tot € 4.130 en dienovereenkomstig beslist.

2.18.

Wat betreft de boete heeft de Rechtbank geoordeeld dat de Inspecteur er niet in is geslaagd te bewijzen dat belanghebbende in de samenwerking met de toenmalige adviseur heeft gefaald, waardoor het aan de grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aangifte tot een te laag bedrag is gedaan. De verklaring van belanghebbende en de echtgenoot dat ze naar beste weten alle relevante gegevens hebben aangeleverd aan de toenmalige adviseur, waaronder begrepen de gegevens omtrent het bestaan van de Duitse bankrekeningen, heeft de Rechtbank geloofwaardig geacht. De Rechtbank heeft ook geloof gehecht aan de weerspreking van de bewering van het administratiekantoor (de toenmalige adviseur) dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte zelf in de veronderstelling verkeerde dat de tegoeden op de Duitse bankrekeningen niet behoefden te worden aangegeven, omdat deze nog tot het Duitse ondernemingsvermogen zouden behoren. Volgens de Rechtbank berust de bewijsvoering van de Inspecteur voor het overige op een aantal aannames, veronderstellingen en vermoedens. De Rechtbank heeft daarbij nog overwogen dat de onderhavige zaak verschilt van zogenoemde KB-Lux-zaken, omdat de tegoeden in dit geval niet in een land met een bankgeheim werden aangehouden, zodat ‘opzet’ niet gegeven is. Bovendien heeft de Rechtbank gewezen op verschillende contra-indicaties voor de aanwezigheid van grove schuld. De onschuldpresumptie brengt volgens de Rechtbank in dit geval mee dat twijfel in het voordeel van belanghebbende moet worden uitgelegd.

3 Geschil

In geschil is of de boete terecht is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag op belanghebbende zelf grove schuld kan worden verweten.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Aan belanghebbende is, gelijktijdig met het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2012, op grond van artikel 67e, eerste en zesde lid, van de AWR een vergrijpboete opgelegd, omdat het aan de grove schuld van belanghebbende zou zijn te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld als gevolg van het niet aangeven van de saldi van de Duitse bankrekeningen in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2012.

4.2.

Bij de beoordeling van de boete stelt het Hof voorop dat de aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 is verzorgd door de toenmalige adviseur.

4.3.

Volgens vaste jurisprudentie kan opzet of grove schuld van een ander dan de belastingplichtige niet aan de belastingplichtige worden toegerekend. De omstandigheid dat de belastingplichtige een adviseur heeft ingeschakeld, aan wie opzet of grove schuld kan worden verweten, kan evenwel samengaan met de mogelijkheid dat bij de belastingplichtige zelf (voorwaardelijk) opzet of grove schuld aanwezig is geweest. In dat verband kan van belang zijn of de belastingplichtige de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur en bij de samenwerking met die adviseur. Wat in dit opzicht redelijkerwijs van de belastingplichtige kan worden gevergd, zal van geval tot geval sterk kunnen verschillen, bijvoorbeeld naar gelang zijn hoedanigheid en zijn kennis en ervaring omtrent de terzake relevante fiscale en andere aspecten. De inspecteur heeft van een en ander de stelplicht en de bewijslast (zie onder meer HR 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7741).

4.4.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende tekort is geschoten in de samenwerking met de toenmalige adviseur door informatie betreffende de staking van de Duitse onderneming en de ontvangst van de daarbij behaalde (aanzienlijke) verkoopopbrengst op een van de Duitse bankrekeningen niet aan de toenmalige adviseur te verstrekken. Hierdoor heeft deze niet kunnen beschikken over alle relevante gegevens voor de aangifte IB/PVV voor het jaar 2012. In die aangifte is geopteerd voor een behandeling als binnenlands belastingplichtige, waardoor ook de saldi van de Duitse bankrekeningen per 1 januari 2012 relevant werden. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het verstrekken van die gegevens. Uit de gevoerde correspondentie met de toenmalige adviseur leidt de Inspecteur af dat die niet van die Duitse bankrekeningen wist. Wanneer de toenmalige adviseur daar wel van had geweten, dan waren de saldi van de Duitse bankrekeningen wel in de aangifte verwerkt. De toenmalige adviseur heeft nimmer opgemerkt een fout te hebben gemaakt. Daarvan is volgens de Inspecteur dan ook geen sprake geweest. Door de informatie niet te verstrekken, heeft belanghebbende het risico genomen dat de aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 onjuist dan wel onvolledig zou worden ingediend. Daarnaast is belanghebbende tekortgeschoten door de conceptaangifte niet te controleren alvorens deze te laten indienen, aldus nog steeds de Inspecteur.

4.5.

Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur, tegenover de betwisting door belanghebbende, er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat belanghebbende zelf grove schuld kan worden verweten en overweegt daartoe als volgt.

4.6.

Het jaar 2012 betreft het jaar na staking van de Duitse onderneming, waarin belanghebbende met de echtgenoot naar Nederland is geremigreerd. Als inwoner van Nederland is zij per 12 januari 2012 weer binnenlands belastingplichtig geworden (artikel 2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2012; hierna: Wet IB 2001). In de aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 heeft de adviseur gekozen voor een behandeling als binnenlands belastingplichtige, op grond waarvan belanghebbende het gehele jaar 2012 als binnenlands belastingplichtige aangemerkt wordt (artikel 2.5 van de Wet IB 2001). Die keuze brengt mee dat - ter bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen - opgave gedaan moest worden van de saldi van (buitenlandse) bankrekeningen per peildatum 1 januari 2012. Zonder die keuze zou eveneens worden uitgegaan van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar maar wordt het voordeel uit sparen en beleggen naar tijdsgelang herleid, waarbij gedeelten van kalendermaanden worden verwaarloosd (artikel 5.2, lid 3, van de Wet IB 2001). Ook dan zou derhalve opgave gedaan moeten worden van de saldi van (buitenlandse) bankrekeningen per 1 januari 2012.

4.7.

Getuige [B] heeft ter zitting verklaard dat belanghebbende en de echtgenoot nieuwe klanten waren van zijn kantoor. De contacten zijn in september 2012 gelegd. De aangiften IB/PVV voor het jaar 2012 zijn de eerste aangiften die door zijn kantoor (als toenmalige adviseur) zijn verzorgd. Volgens [B] is meermaals gevraagd naar gegevens betreffende alle bankrekeningen die belanghebbende en de echtgenoot aanhielden. Hierop heeft de echtgenoot volgens de verklaring van [B] telkens geantwoord dat in Duitsland bankrekeningen werden aangehouden, maar dat die een saldo kenden van (bijna) nihil. Belanghebbende noch de echtgenoot heeft deze getuigenverklaringen bestreden.

4.8.

Gelet hierop is niet aannemelijk dat belanghebbende en de echtgenoot het bestaan van de Duitse bankrekeningen voor de toenmalige adviseur verborgen hebben willen houden. Het Hof acht het door de echtgenoot gegeven antwoord ook niet leugenachtig of anderszins in strijd met de waarheid, aangezien uit de stukken van het geding naar voren komt dat op het moment van vragen door de toenmalige adviseur de saldi van de Duitse bankrekeningen reeds nagenoeg geheel naar Nederlandse bankrekeningen waren overgeheveld (zie in het bijzonder de overboeking op 8 augustus 2012; overweging 2.6). Niet valt uit te sluiten dat de echtgenoot, die kennelijk (mede) namens belanghebbende de contacten met de toenmalige adviseur onderhield, het belang van de vraag voor de aangiften IB/PVV voor het jaar 2012 niet goed heeft begrepen. Uit de vraagstelling volgt ook niet dat het de toenmalige adviseur in het bijzonder te doen was om de saldi van de Duitse bankrekeningen per 1 januari 2012. Het Hof merkt hierbij op dat de Inspecteur weliswaar heeft gesteld van mening te zijn dat belanghebbende en de echtgenoot gezamenlijk hebben geopereerd en opgetreden, maar uit het getuigenverhoor noch anderszins is duidelijk geworden welke rol belanghebbende zelf nu concreet heeft gespeeld.

4.9.

De toenmalige adviseur was dus op de hoogte van het bestaan van Duitse bankrekeningen, maar heeft kennelijk genoegen genomen met het antwoord van de echtgenoot over de saldi van die rekeningen. Niet gebleken is dat hierop is doorgevraagd of dat de specifieke, voor de aangiften IB/PVV voor het jaar 2012 van belang zijnde gegevens betreffende de Duitse bankrekeningen gericht bij belanghebbende en de echtgenoot zijn opgevraagd. Naar het oordeel van het Hof had de toenmalige adviseur dat wel moeten doen. Zeker in een niet-regulier belastingjaar als het onderhavige, waarin sprake is van een remigratie en een keuze voor een behandeling als binnenlands belastingplichtige, had de toenmalige adviseur een volledig beeld moeten krijgen van de fiscale positie van zijn (nieuwe) cliënten alvorens de aangiften in te dienen. De toenmalige adviseur had ook moeten weten dat die gegevens van belang konden zijn voor de correcte bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. In de onderhavige aangifte van belanghebbende is omtrent de Duitse bankrekeningen echter niets vermeld, ook geen nihil-saldi. Het Hof neemt daarbij nog in aanmerking dat door de toenmalige adviseur kennelijk per peildatum 1 januari 2013 een vermogenssprong is geconstateerd, waarvoor een verklaring is gezocht. Dat de Duitse bankrekeningen nog zouden behoren tot het af te wikkelen vermogen van de Duitse onderneming (in het kader van een langlopende liquidatie), kan hiervoor echter niet een voldoende verklaring vormen. Immers, door de keuze voor een behandeling als binnenlands belastingplichtige zouden de gegevens betreffende die Duitse onderneming, waaronder de gegevens betreffende de Duitse bankrekeningen, evenzeer relevant zijn geweest voor de aangiften IB/PVV voor het jaar 2012 van belanghebbende en de echtgenoot. Hieromtrent is in die aangiften echter evenmin iets vermeld. In zoverre treft de toenmalige adviseur een verwijt.

4.10.

Naar het oordeel van het Hof is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende en de echtgenoot de fiscale gevolgen van de remigratie en de keuze voor een behandeling als binnenlands belastingplichtige volledig hebben overzien. Zij zijn fiscaal niet onderlegd en hadden ook geen ervaring met de fiscale en andere aspecten die komen kijken bij een remigratie. Juist daarom hebben zij de toenmalige adviseur ingeschakeld, op wiens kennis en kunde zij mochten vertrouwen, zeker nu deze in verband met de kwestie van de remigratie overleg heeft gehad met een externe fiscalist. Onder de gegeven feiten en omstandigheden voert het te ver om van belanghebbende en de echtgenoot te verlangen dat zij zelf het belang van de saldi van de Duitse bankrekeningen per 1 januari 2012 voor de aangiften IB/PVV inzien en die gegevens - in het kader van de te betrachten zorg bij de samenwerking - uit eigen beweging aan de toenmalige adviseur verstrekken. Het Hof acht het goed mogelijk dat belanghebbende en de echtgenoot in de (achteraf bezien onjuiste) veronderstelling verkeerden dat deze gegevens hiervoor niet relevant waren, omdat de remigratie na 1 januari 2012 heeft plaatsgevonden en de saldi, ten tijde van de verzoeken om informatie door de toenmalige adviseur, inmiddels (bijna geheel) naar Nederlandse rekeningen waren overgeheveld.

4.11.

Evenmin kan van belanghebbende, als belastingplichtige zonder relevante fiscale kennis, worden verlangd dat zij deze niet-alledaagse aangifte voldoende doorgrondt en op juistheid controleert, alvorens deze door de toenmalige adviseur te laten indienen. Zij mocht zich onder de gegeven omstandigheden ook in zoverre op de fiscale deskundigheid van haar toenmalige adviseur verlaten.

4.12.

Slotsom van het voorgaande is dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in dezen het verwijt treft van in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. Van grove schuld is derhalve geen sprake. De Rechtbank heeft de boete terecht vernietigd.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken en stelt die kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.002 (2 punten (verweerschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 501) voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6 Beslissing

Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 1.002 en

– bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 501.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.R. Woeltjes, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 11 december 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. Brummer.

(H. de Jong) (G.B.A. Brummer)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 december 2018

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.