Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10690

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-12-2018
Datum publicatie
09-01-2019
Zaaknummer
WAHV 200.242.472
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Informatie omtrent de ijking van meetapparatuur is in het algemeen geen op de zaak betrekking hebbend stuk a.b.i. artikel 7:18, vierde lid, van de Awb. Dat is slechts anders als redelijkerwijs twijfel bestaat over de ijking van de apparatuur. Het enkele verzoek van de gemachtigde om deze informatie vormt geen aanleiding om in deze zaak die informatie aan te merken als op

de zaak betrekking hebbend stuk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.242.472

7 december 2018

CJIB 209889591

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 8 juni 2018

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Hierbij is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 23 november 2018. De betrokkene en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. [C] .

Beoordeling

1. Artikel 14 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:

- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-

- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.

Van geen van deze situaties is hier sprake. Het hoger beroep is daarom in beginsel niet-ontvankelijk.

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan met verbazing kennis te hebben genomen van de uitspraak van de kantonrechter, nu hij niet is uitgenodigd voor de zitting. De gemachtigde heeft in de procedure bij de kantonrechter duidelijk de ernst van de zaak aangegeven en laten weten te willen worden gehoord.

3. Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden garandeert het recht op toegang tot de rechter. Wanneer blijkt dat dit recht is geschonden en de betrokkene of de gemachtigde daar een beroep op doet, kan het wettelijk appelverbod worden doorbroken (vgl. het arrest van het hof van

12 juli 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:6402).

4. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt dat de betrokkene en haar gemachtigde niet op de openbare zitting zijn verschenen. Het dossier bevat een brief van de griffier van de rechtbank d.d. 8 januari 2018 waarin de gemachtigde wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 26 januari 2018. Bij gebreke van aangetekende verzending of een deugdelijke verzendadministratie bij de rechtbank blijkt echter niet of en wanneer deze oproepingsbrief aan de gemachtigde is verzonden. Zodoende kan niet worden vastgesteld dat de gemachtigde behoorlijk in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze op een openbare zitting toe te lichten. Dit brengt mee dat artikel 12, eerste lid, van de Wahv juncto artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht is geschonden. Gelet hierop dient het appelverbod buiten toepassing te worden gelaten. Het hoger beroep is ontvankelijk.

5. Nu de beslissing van de kantonrechter gelet op het voorgaande zich niet verhoudt met het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van de Wavh, kan deze beslissing geen stand houden. Het hof zal, met vernietiging van deze beslissing en doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 24,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 4 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 7 augustus 2017 om 12:33 uur op de N211 Wippolderlaan, kruising Laan van Wateringse Veld richting Naaldwijk, te Wateringen met het voertuig met het kenteken
[00-YYY-0] .

7. In het beroepschrift gericht tegen de beslissing van de officier van justitie voert de gemachtigde aan het vreemd te vinden dat deze beslissing gericht is aan de kentekenhouder terwijl hij ten tijde van de gedraging de bestuurder van het voertuig was, hetgeen hij reeds in administratief beroep te kennen heeft gegeven aan de officier van justitie. Hij verzoekt tot het aanpassen van de persoonsgegevens in het zaakoverzicht. De gemachtigde wijst er daarnaast op dat hij de door hem in het administratief beroepschrift opgevraagde informatie nog niet heeft ontvangen. Dit betreft informatie omtrent het specifieke apparaat waarmee de snelheidsmeting is verricht, alsmede de ijkcyclus en ijkstatus van dit apparaat. Voorts wil de gemachtigde weten wat de tijdsperiode is tussen de twee foto's. In het administratief beroepschrift heeft de gemachtigde nog te kennen gegeven zich niet bewust te zijn geweest van de snelheidsovertreding. Hij houdt zich altijd keurig aan de aangegeven snelheid.

8. Blijkens de gegevens in het zaakoverzicht is in deze zaak sprake van een vaste flitspaal waarmee snelheidsoverschrijdingen worden vastgesteld. De tekst in het zaakoverzicht betreft kennelijk gegevens die automatisch door de apparatuur in de flitspaal zijn gegenereerd, naar aanleiding van een op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedraging.

9. In de onderhavige zaak bevat het zaakoverzicht onder meer de volgende gegevens:

‘Door mij is waargenomen hetgeen langs elektronische weg is geconstateerd en vastgelegd. (…) De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 57 km per uur.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 54 km per uur.

Toegestane snelheid: 50 km per uur.

Overschrijding met: 4 km per uur.

De overtreding werd geautomatiseerd vastgelegd door middel van geijkte radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal.’

10. In het dossier bevinden zich ook twee foto's van de gedraging. Hierop is een kruispunt met verkeerslichten is te zien. Voorts is aan de linkerzijde van de rijbaan voor de doorgaande weg het verkeersbord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 te zien met daarop de tekst "50". In de gegevensbalk onderaan de foto's staat een snelheid van 57 km/h.

11. Ingevolge artikel 5 van de Wahv wordt, indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Nu in de onderhavige zaak de gedraging is geconstateerd door middel van geijkte radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal, was er geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig en is de sanctie terecht op grond van artikel 5 van de Wahv opgelegd aan de kentekenhouder van het voertuig. In een situatie als de onderhavige is het dan ook niet van belang om vast te stellen wie de feitelijke bestuurder was. Dat de kentekenhouder niet de bestuurder was van het voertuig ten tijde van de gedraging levert dan ook geen reden op om de aan de kentekenhouder opgelegde inleidende beschikking te vernietigen en deze alsnog op te leggen aan de feitelijke bestuurder.

12. Voor wat betreft het onbeantwoorde verzoek om informatie over de ijking van de gebezigde meetapparatuur merkt het hof op dat op de zaak betrekking hebbende stukken moeten deel uitmaken van het dossier (vgl. het arrest van het hof van 2 februari 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:1050). Informatie omtrent de ijking van meetapparatuur, waaronder bijvoorbeeld het ijkrapport, is in het algemeen geen op de zaak betrekking hebbend stuk. Dat is slechts anders als redelijkerwijs twijfel bestaat over de ijking van de apparatuur (vgl. het arrest van het hof van 5 april 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:3187).

13. De gemachtigde heeft in het geheel niet aangegeven om welke reden hij vorenomschreven informatie wenst te ontvangen. Het enkele verzoek om deze informatie vormt voor het hof geen aanleiding om in deze zaak informatie omtrent de ijking van de meetapparatuur aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken. Ook zonder deze informatie ziet het hof geen aanleiding om aan de correcte werking van de radarapparatuur te twijfelen. De officier van justitie behoefde dan ook geen gehoor te geven aan dit informatieverzoek van de gemachtigde. Van schending van diens informatieverplichting is dan ook geen sprake. Ten overvloede merkt het hof op dat de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal bij het verweerschrift een NMi-verklaring heeft bijgevoegd waaruit blijkt dat de radarsnelheidsmeter ten tijde van de onderhavige gedraging voldeed aan de regels uit het Concept voorschriften meetmiddelen politie.

14. Met betrekking tot het verzoek om aan te geven wat de tijdsperiode tussen de twee foto's is, stelt het hof allereerst vast dat onderaan de tweede foto staat vermeld dat de intervaltijd tussen beide foto's 1,2 seconden bedraagt. Verder overweegt het hof dat bij radarsnelheidsmetingen de gereden snelheid wordt gemeten door het richten van een radarstraal op een voertuig. Aan de hand van de teruggekaatste straal wordt de gereden snelheid bepaald. Het is het hof ambtshalve bekend dat bij handhaving met behulp van radarapparatuur één of meerdere foto’s worden gemaakt, zodra de apparatuur vaststelt dat een overtreding is begaan. Dat betekent dat er een overtreding is vastgesteld, op het moment dat de eerste foto wordt gemaakt. De tweede foto kan met name relevant zijn bij roodlichtgedragingen. In gevallen als de onderhavige is die foto ten overvloede. Desondanks is de foto aan het dossier toegevoegd. Omdat de beide foto's betrekking hebben op dezelfde gedraging komen veel gegevens, zoals bijvoorbeeld het locatienummer en cameranummer, overeen op beide foto's.

15. Het gevoerde verweer leidt niet tot twijfel aan de juistheid van de uitgevoerde meting. Nu de gemachtigde ook niet betwist dat met het voertuig van de betrokkene de gemeten snelheid is gereden, staat naar het oordeel van het hof vast dat de gedraging is verricht.

16. Voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond dient te worden verklaard. Het hof zal hier dan ook toe overgaan.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.