Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10562

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-12-2018
Datum publicatie
10-01-2019
Zaaknummer
200.211.671
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fideicommis de residuo. Ontdekking fideï-commissair vermogen. Zaakwaarneming. Vaststelling vordering tijdens vereffening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0014
JERF Actueel 2019/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.211.671

(zaaknummer rechtbank Gelderland 304465)

arrest van 4 december 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. L.F. Jagtenberg,

tegen:

[geïntimeerde] ,

in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. W.W. Korteweg.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

24 augustus 2016 en 7 december 2016 die de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Zutphen, heeft gewezen. Laatstgemeld vonnis wordt hierna aangeduid als ‘het bestreden vonnis’.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 3 maart 2017,

- de memorie van grieven, tevens akte vermeerdering eis met producties,

- de memorie van antwoord met producties,

- een akte uitlating producties van de zijde van [appellant] .

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het bestreden vonnis.

4. Het geschil, de vorderingen en beslissing in eerste aanleg en de vorderingen in hoger beroep

4.1

Op [overlijdensdatum] is overleden [naam] (verder: [naam] ). Zij heeft bij testament tot haar enige erfgename benoemd haar schoondochter [erfgenaam] (verder: [erfgenaam] ) ‘zulks onder de last hetgeen zij van mijn nalatenschap onvervreemd en onverteerd zal nalaten, uit te keren aan de wettige aankomelingen van mijn broers en mijn schoonzuster, mevrouw [naam schoonzuster] , staaksgewijze, met dien verstande dat deze afstammelingen in mijn nalatenschap gerechtigd zullen zijn op de wijze en voor de delen als voor iedere staak bij wettelijke erfopvolging is bepaald voor de nalatenschappen van mijn genoemde broers en mevrouw [naam schoonzuster].’

4.2

Op [overlijdensdatum] is [erfgenaam] overleden. Zij heeft in haar testament tot enige erfgenamen benoemd de stichting Het Utrechts Landschap en de stichting Het Nationaal Reumafonds. Tevens zijn twee executeurs benoemd, die beiden hun benoeming hebben aanvaard.

4.3

De nalatenschap van [naam] is bij haar overlijden onder algemene titel overgegaan op [erfgenaam] . Door het overlijden van [erfgenaam] is hetgeen onvervreemd en onverteerd is gebleven van de nalatenschap van [naam] onder algemene titel overgegaan op de afstammelingen van de broers en schoonzuster van [naam] (hierna ook: de verwachters). De echtgenote van [appellant] is een van de verwachters. [appellant] duidt hetgeen onvervreemd en onverteerd is gebleven van de nalatenschap van [naam] aan als het fideï-commissair vermogen.

4.4

Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 31 december 2015 is [geïntimeerde] benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van [naam] .

4.5

[appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij het fideï-commissair vermogen heeft ontdekt en dientengevolge recht heeft op een vindersloon van € 65.000,-. Daarnaast stelt hij dat hij als zaakwaarnemer van de verwachters, die nog niet allemaal bekend waren/zijn, werkzaamheden heeft verricht en maakt hij uit dien hoofde aanspraak op een beloning van € 19.650,- voor die werkzaamheden; tevens vordert hij vergoeding van gemaakte kosten ten bedrage van € 3.117,21. [appellant] heeft daarom een declaratie ten bedrage van € 87.767,21 (productie 1 bij de dagvaarding in eerste aanleg) ingediend bij [geïntimeerde] Deze declaratie is door [geïntimeerde] betwist en niet voldaan.

4.6

[appellant] heeft in eerste aanleg, na vermeerdering van eis, gevorderd zijn vordering van € 87.767,21 op de voet van artikel 4:223 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) vast te stellen en de daartegenover staande schuld aan te merken als een schuld van de nalatenschap van [naam] , en [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten. [geïntimeerde] heeft daarop verweer gevoerd.

4.7

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad – de vordering van [appellant] op nihil gesteld en hem veroordeeld in de kosten van het geding en de eventuele nakosten. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

4.8

[appellant] vordert in hoger beroep – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – het bestreden vonnis te vernietigen en zijn vordering van € 87.767,21 die is gebaseerd op artikel 6:200 lid 1 en 2 BW (zaakwaarneming), op de voet van artikel 4:223 lid 2 BW jegens [geïntimeerde] vast te stellen met aanmerking van de daartegenover staande schuld als een schuld van de nalatenschap van [naam] , en bij wege van vermeerdering van eis op dezelfde voet vast te stellen een bedrag van € 4.246,24 wegens (proces)kosten van voortgezette zaakwaarneming (hof: totale vordering is € 92.013,45), met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

4.9

[geïntimeerde] concludeert in hoger beroep tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties en in de nakosten, bij niet tijdige betaling daarvan te vermeerderen met de wettelijke rente, een en ander bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest.

5 De beoordeling in het hoger beroep

5.1

[appellant] komt met tien grieven op tegen het bestreden vonnis, waarbij het hof constateert dat [appellant] , anders dan in eerste aanleg, zijn vordering uitsluitend baseert op zaakwaarneming en om vaststelling van de beloning en van de onkostenvergoeding die aan hem toekomen op de voet van artikel 6:200 BW “vanwege zaakwaarneming en vinderschap met betrekking tot een nalatenschap, bestaande uit een fideï-commissair vermogen” (memorie van grieven sub 1). Hierop zien de grieven I tot en met VIII en X. Grief IX ziet op de vraag jegens wie [appellant] zijn vordering kan/moet instellen.

5.2

[appellant] voert ter onderbouwing van zijn vordering aan dat in augustus 2014 de nalatenschap van [naam] op professionele aanwijzingen van hem is ontdekt in de boedel van [erfgenaam] ten behoeve van de verwachters, dat hij ten behoeve van hen beheershandelingen heeft verricht en dat hij aldus is opgetreden als professioneel zaakwaarnemer van de verwachters.

5.3

In grief IX komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.11 van het bestreden vonnis dat “zo [appellant] al een vordering uit zaakwaarneming zou hebben, heeft hij deze niet op de nalatenschap (en dus op [geïntimeerde] als vereffenaar) maar op de individuele P-erfgenamen ten behoeve van wie hij als zodanig is opgetreden…”. Hij stelt dat de door hem verrichte werkzaamheden gericht waren op het behouden en revindiceren van de nalatenschap van [naam] en dat de daarmee gemoeide kosten daarom een schuld van de nalatenschap vormen, die uit de nalatenschap, en dus door [geïntimeerde] , betaald moet worden.

5.4

Indien al juist is dat [appellant] als zaakwaarnemer van de erfgenamen van [naam] – de verwachters – optreedt en jegens hen recht heeft op vergoeding van daardoor geleden schade voor zijn (beroepsmatig) verrichte werkzaamheden, dient hij zich ook naar het oordeel van het hof daarvoor te richten tot deze erfgenamen (verwachters) – zoals ook door de rechtbank is overwogen (rov. 4.11) – en niet tot de vereffenaar van de nalatenschap. Zijn gestelde vordering correspondeert namelijk niet met een schuld van de nalatenschap (als vermeld in artikel 4:7 lid 1 BW) die op de goederen van de nalatenschap verhaald kan worden en die de vereffenaar voor zover deze op de uitdelingslijst voorkomen (artikel 4:220 lid 1 BW) zou moeten betalen. [appellant] is geen schuldeiser van de nalatenschap die op voet van artikel 223 lid 2 BW tijdens de vereffening zijn (vermeende) vorderingsrecht bij vonnis kan doen vaststellen. Overigens is ook niet komen vast te staan dat [appellant] , zoals hij stelt, het beheer heeft gehad over goederen van de nalatenschap in de zin van artikel 3:170 BW of de goederen van de nalatenschap met succes heeft opgevorderd in de zin van artikel 4:183 BW. De lijst met acties die hij als productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg heeft overgelegd bevat niet dergelijke beheershandelingen of revindicatiehandelingen. De kosten die hij opvoert betreffen volgens de lijst met activiteiten (productie 1 bij dagvaarding eerste aanleg) nagenoeg alleen het voeren van correspondentie en het opstellen van notities en gedingstukken. Daarmee zijn deze kosten goed vergelijkbaar met de kosten van juridische bijstand voor een erfgenaam door een advocaat, een notaris of accountant. Ook dan is geen sprake van schulden van de nalatenschap, maar van schulden van de erfgenaam zelf.

5.5

Om vorenstaande redenen faalt grief IX. Daarmee staat ook vast dat de gestelde vordering niet op de goederen van de nalatenschap kan worden verhaald en geen rol kan spelen bij de vereffening van de nalatenschap. Het hof komt dan ook niet toe aan de beoordeling van de overige grieven, aangezien dat niet meer tot een ander oordeel kan leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd onder aanvulling van gronden. Nu de grieven niet slagen zal het hof [appellant] veroordelen in de kosten van het hoger beroep zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt, onder aanvulling van gronden, het vonnis van de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Zutphen, van 7 december 2016;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 716,- voor verschotten en op € 1.959,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief zoals dat geldt vanaf 1 mei 2018 (1 punt x tarief IV);

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 157,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, J.H. Lieber en J.U.M. van der Werff en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 december 2018.