Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1052

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
05-02-2018
Zaaknummer
WAHV 200.184.440
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene vanwege de inadequate mededeling over de hoorplicht op de inleidende beschikking niet heeft verzocht om te worden gehoord. Uit het administratief beroepschrift blijkt dat de betrokkene zelf niet de behoefte had om een mondelinge toelichting te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.184.440

31 januari 2018

CJIB 175053136

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel

van 20 januari 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 18 oktober 2017 wordt hier als ingelast beschouwd.

Het verdere procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft beroepsgronden ingediend tegen de beslissing van de officier van justitie.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Gelet op hetgeen in het tussenarrest is overwogen, wordt de beslissing van de kantonrechter vernietigd. Aan de orde is nu het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie, waarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard.

2. De gemachtigde voert aan dat de officier van justitie de betrokkene ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. Weliswaar heeft de betrokkene niet verzocht om te worden gehoord, maar dat is het gevolg van de inadequate mededeling op de inleidende beschikking met betrekking tot de mogelijkheid om te worden gehoord. Onder verwijzing naar een arrest van het hof van 24 mei 2016 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2016:3978), stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat, hoewel de betrokkene niet heeft verzocht te worden gehoord, de officier van justitie hem toch had moeten horen.

3. Uitgangspunt is ingevolge artikel 7 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) juncto artikel 7:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat de officier van justitie de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stelt op te worden gehoord. Hij kan daar (voor zover hier van belang) van afzien, wanneer de betrokkene niet in reactie op een daartoe strekkende mededeling van de officier van justitie verzoekt om te worden gehoord (artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb).

4. In het arrest waar de gemachtigde naar verwijst, heeft het hof geoordeeld dat de tekst op de inleidende beschikking op inadequate wijze tot uitdrukking brengt wat het recht om te worden gehoord inhoudt. Dat brengt mee dat de officier van justitie de betrokkene in de gelegenheid moet stellen om te worden gehoord, wanneer aannemelijk is dat de betrokkene een verzoek om te worden gehoord achterwege heeft gelaten vanwege de inadequate tekst op de inleidende beschikking.

5. In de onderhavige zaak heeft de betrokkene zelf administratief beroep ingesteld.
In het administratief beroepschrift heeft hij, onder meer, het volgende vermeld:
“Hopende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd, maar mocht een mondelinge toelichting wenselijk zijn ben ik daartoe altijd bereid”.

6. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de betrokkene vanwege de inadequate mededeling op de inleidende beschikking niet heeft verzocht om te worden gehoord. Immers, uit het hiervoor opgenomen citaat uit het administratief beroepschrift blijkt dat de betrokkene zelf niet de behoefte had om een mondelinge toelichting te geven, maar dat hij daartoe op verzoek van de officier van justitie wel bereid is. De officier van justitie heeft er in dit geval op grond van artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van af kunnen zien de betrokkene te horen.

7. De gemachtigde stelt dat de officier van justitie had moeten motiveren waarom van het horen is afgezien.

8. Artikel 7:26, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de officier van justitie, wanneer hij ervan afziet de betrokkene te horen, dient aan te geven op welke grond dat is gebeurd.
Het hof stelt vast dat in de motivering van de beslissing van de officier van justitie deze grond ontbreekt. Gelet daarop is sprake van een motiveringsgebrek. Tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie leidt dat in dit geval niet, aangezien de betrokkene door dit gebrek naar het oordeel van het hof niet is benadeeld (zie artikel 6:22 van de Awb; vgl. het arrest van het hof van 13 februari 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2017:1044).

9. De gemachtigde voert verder bezwaren aan tegen de inleidende beschikking, waarbij

aan de betrokkene, als kentekenhouder, een administratieve sanctie van € 220,- is opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 21 augustus 2013 om 08:01 uur op de Grotestraat te Borne met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

10. De gemachtigde merkt op dat zich bij de stukken geen ondertekende verklaring van een verbalisant bevindt. Op basis van het zaakoverzicht kan niet worden vastgesteld dat er een ambtsedige verklaring is afgelegd. De gegevens zijn op digitale wijze aangeleverd. Verder wordt gesteld dat de verbalisanten uit een andere richting kwamen. Zij kunnen het rode verkeerslicht dus niet hebben waargenomen. Dat het verkeerslicht voor een andere richting op groen stond, wil niet zeggen dat de betrokkene door rood is gereden.

11. Met de gemachtigde stelt het hof vast dat ten aanzien van de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht niet kan worden vastgesteld dat deze op ambtseed of ambtsbelofte is afgelegd. Echter, zoals het hof in zijn arrest van 4 april 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:2855) heeft overwogen, stelt de Wahv niet de eis dat aan de oplegging van administratieve sancties een fysiek en ondertekend (ambtsedig) proces-verbaal ten grondslag ligt. Het enkele ontbreken daarvan heeft dan ook niet tot gevolg dat de sanctie niet in stand kan blijven. Slechts brengt dit mee dat aan de tekst in het zaakoverzicht niet de bijzondere bewijskracht van een ambtsedige verklaring toekomt.

12. In dit geval bevat het zaakoverzicht – naast de gegevens die in de inleidende beschikking zijn opgenomen – de volgende verklaring van de verbalisant:

“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat de betrokkene ongeveer 3 meter verwijderd was van het verkeerslicht op het moment dat dit rood licht ging stralen. Betrokkene negeerde dit verkeerslicht en vervolgde zijn weg. (…)
Verklaring betrokkene: niet gezien”.

13. Het hof ziet in hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Deze heeft verklaard dat hij rechtstreeks zicht had op het voor de betrokkene geldende verkeerslicht. De enkele stelling van de gemachtigde dat dit anders zou zijn, rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet dat de verklaring van de verbalisant in twijfel moet worden getrokken. Vaststaat dat de gedraging is verricht.

14. De verweren tegen de inleidende beschikking slagen niet. De officier van justitie heeft het beroep daartegen terecht ongegrond verklaard. Het hof zal het beroep tegen diens beslissing dan ook ongegrond verklaren.

15. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Omdat de beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd, komen deze kosten ten aanzien van het hoger beroep voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een hoger beroepschrift. Het hof beschouwt het indienen van gronden tegen de beslissing van de officier van justitie naar aanleiding van het tussenarrest niet als zelfstandige proceshandeling nu deze gronden ook in het hoger beroepschrift hadden kunnen worden aangevoerd. Gelet hierop dient één punt te worden toegekend. Per 1 januari 2018 bedraagt de waarde per punt € 501,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 250,50 (= 1 x € 501,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 250,50.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.