Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1049

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
001111-17
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Verzoek ex artikel 591a Sv tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand die verzoeker als klager in een artikel 12 Sv procedure heeft gemaakt, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

ZITTINGSPLAATS LEEUWARDEN

Beschikking d.d. 31 januari 2018 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, meervoudige raadkamer, op het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering van:

[verzoekster]

gevestigd te [plaats] ,

voor deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van haar advocaat mr. E. van Reydt, postbus 15812, 1001 NH Amsterdam.

De inhoud van het verzoek

Verzoekster vraagt vergoeding uit 's Rijks kas van € 39.950,31 voor gemaakte kosten van rechtsbijstand die blijkens de urenspecificaties is verleend in de periode van 1 juni 2015 tot en met 30 april 2017, onder meer in het kader van de artikel 12 Sv procedure.

Voorts vraagt verzoekster een vergoeding voor de gemaakte kosten voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift.

De behandeling in raadkamer

Het hof heeft in openbare raadkamer van 17 januari 2018 gehoord de advocaat-generaal en

mr. Van Reydt voornoemd.

Voorts heeft het hof gezien de stukken, waaronder het verzoekschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken.

De procesgang

Bij brief d.d. 11 september 2015 aan de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Nederland hebben mrs. Spong en Van Reydt namens verzoekster en enkele andere personen aangifte gedaan tegen de [naamn] en verzocht om strafvervolging, althans een strafrechtelijk onderzoek wegens een drietal misdrijven.

Bij brief d.d. 8 december 2015 heeft het openbaar ministerie meegedeeld dat naar de in de aangifte genoemde feiten geen strafrechtelijk onderzoek zal worden ingesteld.

Op 4 februari 2016 is bij dit hof namens verzoekster en enkele andere personen een klaagschrift ingediend als bedoeld in artikel 12, eerste lid, Sv met het verzoek de vervolging van de [naamn] te bevelen. Bij beschikking van 20 april 2017 heeft het hof een bevel tot vervolging van de [naamn] gegeven ter zake van vernieling of beschadiging van gebouwen, voor zover daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, gepleegd tussen 1 januari 1993 en 14 april 2015 in de provincie Groningen, en de officier van justitie gelast om op grond van artikel 181 Sv te vorderen dat de rechter-commissaris onderzoekshandelingen verricht. Dit onderzoek is thans niet afgerond.

Op 22 juni 2017 is bij het hof het onderhavige verzoekschrift ingekomen.

Het standpunt van verzoekster

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat hoewel het Wetboek van Strafvordering naar de letter van de wet geen ruimte lijkt te bieden voor de gevraagde kostenvergoeding, een grondslag voor toewijzing van het verzoek kan worden gevonden in het volgende.

A. Redelijke wetsuitleg van artikel 591a Sv.

Artikel 591a Sv dient te worden bezien in de context van een extensieve, niet limitatieve opsomming van artikel 591, vijfde lid, Sv. Laatstgenoemd artikellid stelt de kostenvergoeding in diverse daarin genoemde rechtsgedingen open. De afloop van de strafzaak is in dat kader geen voorwaarde voor toekenning van een vergoeding. Dit zijn uitzonderingen op het uitgangspunt dat alleen gewezen verdachten de kosten voor rechtsbijstand vergoed kunnen krijgen. In de Kamerstukken is niet of nauwelijks aandacht besteed aan de toevoeging van procedures aan de opsomming in artikel 591, vijfde lid, Sv. Opgemerkt is dat toevoeging redelijk voorkomt (Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen 1934-1935, 362.3, p.77). Artikel 591a, vierde lid, Sv verklaart artikel 591, vijfde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Een redelijke wetsuitleg brengt daarom mee dat artikel 591a Sv óók kan worden ingeroepen door rechtszoekenden in een meer perifere strafvorderlijke hoedanigheid. Een dergelijke redelijke wetsuitleg is voor de Hoge Raad aanleiding geweest om ook ter zake andere, niet in artikel 591, vijfde lid, Sv genoemde procedures op grond van artikel 591a Sv de mogelijkheid van een proceskostenvergoeding open te stellen. Verzoekster wijst hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566, betreffende een artikel 12 Sv procedure en de conclusie van AG Bleichroth bij het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2757 voor zover inhoudende dat een redelijke wetstoepassing niet noopt tot een strikte opvatting van het bereik van de wet en dat uiteindelijk beslissend is of voor toekenning van een vergoeding gronden van billijkheid aanwezig zijn. En dat is het geval, aldus verzoekster.

B. Uitleg van de artikelen 591 en 591a Sv conform de Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (hierna: de Richtlijn).

De voorgestelde interpretatie van artikel 591, vijfde lid, Sv kan niet los worden gezien van artikel 14 van de Richtlijn. Deze Richtlijn is geïmplementeerd bij wet van 8 maart 2017, Stb. 2017,90.

C. Rechtstreekse toepassing van artikel 14 van de Richtlijn.

Indien het hof meent dat de artikelen 591 en 591a Sv zich niet voor richtlijnconforme interpretatie lenen, heeft de wetgever het juist omzetten van de Richtlijn verzaakt door niet te voorzien in een (procedurele) mogelijkheid voor een klager in een procedure ex artikel 12, eerste lid, Sv om in geval van een gegrond verklaard klaagschrift vergoeding van de kosten van rechtsbijstand te vragen en behoort artikel 14 van de Richtlijn rechtstreeks te worden toegepast.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal stelt zich primair op het standpunt dat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek. In het licht van de wettekst, de door verzoekster genoemde arresten, het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2015, gepubliceerd in NJ 2016, 5 en de noot van Reijntjes bij dit arrest en bij het arrest van de Hoge Raad van dezelfde datum, gepubliceerd in NJ 2016, 6, is er geen ruimte voor de stelling dat artikel 591a Sv via interpretatie op een wijze als voorgesteld door verzoekster voor een procedure ex artikel 12 Sv van toepassing kan zijn. Subsidiair stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat het verzoek als prematuur moet worden afgewezen omdat geen sprake is van een zaak die geëindigd is in de zin van artikel 591a Sv. De beschikking van het hof van 20 april 2017 is een tussenbeslissing. Het in raadkamer door verzoekster ingenomen standpunt met betrekking tot de Richtlijn gaat volgens de advocaat-generaal evenmin op.

Beoordeling door het hof

Het hof overweegt het volgende met betrekking tot het betoog van verzoekster onder A.

De artikelen 591 en 591a Sv luiden aldus:

Artikel 591 1. Aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen wordt uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor de kosten, welke ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover de aanwending dier kosten het belang van het onderzoek heeft gediend of door de intrekking van dagvaardingen of rechtsmiddelen door het openbaar ministerie nutteloos is geworden. 2. Het bedrag van de vergoeding wordt op verzoek van de gewezen verdachte of zijn erfgenamen vastgesteld. Het verzoek moet worden ingediend binnen drie maanden na het eindigen van de zaak. De vaststelling geschiedt bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd, en wel door de rechter of raadsheer in de enkelvoudige kamer die de zaak heeft behandeld of, indien de behandeling van de zaak plaatsvond door een meervoudige kamer, door de voorzitter daarvan. De rechter of raadsheer geeft voor het bedrag van de vergoeding een bevelschrift van tenuitvoerlegging af. 3. De behandeling van het verzoek door de raadkamer vindt plaats in het openbaar. 4. Uitbetaling geschiedt door de griffier. 5. Een en ander vindt overeenkomstige toepassing op rechtsgedingen tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen, op de behandeling van vorderingen als bedoeld in de artikelen 509j (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001903/2018-01-01) en 509o (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001903/2018-01-01) of het beroep als bedoeld in artikel 509v en op de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a tot en met 552b (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001903/2018-01-01).

Artikel 591a 1. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9a&g=2018-01-25&z=2018-01-25) wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002406&g=2018-01-25&z=2018-01-25) bepaalde. 2. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9a&g=2018-01-25&z=2018-01-25) kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens voorzover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=44a&g=2018-01-25&z=2018-01-25) van toepassing is, in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan voorts worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten. 3. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing voor ouders van een minderjarige verdachte, die zijn opgeroepen ingevolge artikel 496, eerste lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001903/2018-01-01). 4. De artikelen 90 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001903/2018-01-01), 91 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001903/2018-01-01) en 591, tweede tot en met vijfde lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001903/2018-01-01) zijn van overeenkomstige toepassing. 5. Indien de gewezen verdachte na het indienen van zijn verzoek overleden is, geschiedt de toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.

De tekst van de wet, de totstandkomingsgeschiedenis of de systematiek daarvan noch de jurisprudentie bieden steun voor het oordeel dat een redelijke wetsuitleg van artikel 591a Sv meebrengt dat de door verzoekster verzochte kosten op de voet van dit artikel voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Daartoe geldt het volgende.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2013:BX5566, geoordeeld dat en waarom een redelijke wetsuitleg meebrengt dat indien de zaak is geëindigd in een sepot, of indien een beklag als bedoeld in artikel 12 Sv niet gegrond is verklaard dan wel een dergelijk beklag wel gegrond is verklaard maar de zaak vervolgens is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel of met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr), het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman (aan de gewezen verdachte) op grond van artikel 591a, tweede lid, Sv in geen van de drie in dat arrest beschreven situaties is uitgesloten.

In zijn arresten van 22 september 2015, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2015:2756, 2757 en 2758, heeft de Hoge Raad overwogen dat de drie in voormeld arrest besliste gevallen zich hierdoor kenmerken dat de desbetreffende strafzaak niet is geëindigd met een niet-veroordelende einduitspraak in de zin van artikel 348 en 350 Sv, maar desalniettemin aannemelijk is dat geen aansprakelijkstelling door de strafrechter zal volgen. In dat type gevallen acht de Hoge Raad het redelijk de toepasselijkheid van artikel 591a, tweede lid, Sv niet uit te sluiten.

In de arresten van 22 september 2015, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2015:2756 en 2757, heeft de Hoge Raad verder overwogen: "Opmerking verdient nog dat artikel 591a, vierde lid, in verbinding met artikel 591, vijfde lid, Sv voorziet in een afwijkende regeling met het oog op enkele bijzonder procedures. Die procedures kenmerken zich niet daardoor dat zij steeds zijn gekoppeld aan de strafzaak tegen betrokkene waarin zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt vastgesteld."

In deze beide arresten heeft de Hoge Raad beoordeeld of de daar gevoerde procedures waarvoor om vergoeding van kosten was verzocht, in die afwijkende regeling zijn opgenomen. De Hoge Raad heeft vastgesteld dat dat niet het geval was en daaraan de conclusie verbonden dat die kosten niet voor vergoeding op de voet van artikel 591a Sv in aanmerking kunnen komen.

De Hoge Raad heeft daarbij tevens van belang geacht dat de wetgever bij de aangekondigde herziening van het Wetboek van Strafvordering mogelijk de onderhavige regelgeving (ingrijpend) zal herzien, hetgeen tot terughoudendheid bij een verdergaande extensieve toepassing van de regeling dan in het arrest van 19 februari 2013, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2013:BX5566, noopt.

In aanmerking genomen dat verzoekster niet kan worden gelijkgesteld met een (gewezen) verdachte in een situatie waarin geen strafrechtelijke aansprakelijkheidsstelling door de overheid zal volgen en de procedures waarvoor verzoekster een kostenvergoeding verzoekt niet zijn opgenomen in de regeling van artikel 591, vijfde lid, Sv, is het hof, bij deze stand van zaken, van oordeel dat artikel 591a Sv geen grondslag kan bieden voor vergoeding van de hier verzochte kosten. Het betoog onder A faalt.

Met betrekking tot het betoog onder B en C overweegt het hof het volgende.

De Richtlijn houdt voor zover hier van belang het volgende in.

Artikel 2 Definities

1. In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) „slachtoffer”:

i) een natuurlijke persoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schade, met

inbegrip van lichamelijke, geestelijke of emotionele schade of economisch nadeel, heeft geleden;

Artikel 11

Rechten in geval van een beslissing tot niet-vervolging

1. De lidstaten zorgen ervoor dat het slachtoffer overeenkomstig zijn rol in het toepasselijke strafrechtstelsel, het recht heeft op toetsing van de beslissing tot niet-vervolging. De procedureregels voor de toetsing worden door het nationale recht bepaald.

2. Wanneer volgens het nationale recht de rol van het slachtoffer in het toepasselijke strafrechtstelsel slechts wordt vastgesteld na de beslissing tot vervolging van de dader, zorgen de lidstaten ervoor dat ten minste het slachtoffer van een ernstig strafbaar feit het recht heeft op toetsing van de beslissing tot niet-vervolging. De procedureregels voor de toetsing worden door het nationale recht bepaald.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat het slachtoffer zonder onnodige vertraging in kennis wordt gesteld van zijn recht om voldoende informatie te ontvangen, en dat hij op zijn verzoek voldoende informatie ontvangt om te kunnen beslissen of hij verzoekt om toetsing van een beslissing tot niet-vervolging.

4. Wanneer de beslissing tot niet-vervolging is genomen door de hoogste vervolgingsautoriteit, tegen wier beslissing volgens het nationale recht geen rechtsmiddel kan worden ingesteld, kan de toetsing door die autoriteit zelf worden uitgevoerd.

5. De leden 1, 3, en 4 zijn niet van toepassing in het geval dat uit de beslissing van het openbaar ministerie tot niet-vervolging een buitengerechtelijke schikking voortvloeit, voor zover nationaal recht dit mogelijk maakt.

Artikel 13 Recht op rechtsbijstand

De lidstaten zorgen ervoor dat, als het slachtoffer de status heeft van partij in de strafprocedure, hij toegang heeft tot rechtsbijstand. De voorwaarden of procedureregels inzake de toegang van slachtoffers tot rechtsbijstand worden door het nationale recht bepaald.

Artikel 14

Recht op vergoeding van de kosten

De lidstaten bieden het slachtoffer dat actief deelneemt aan de strafprocedure de mogelijkheid om de hieruit voortvloeiende kosten vergoed te krijgen, overeenkomstig de rol van het slachtoffer in het toepasselijke strafrechtstelsel. De voorwaarden of procedureregels inzake de vergoeding van kosten van slachtoffers worden door het nationale recht bepaald.

De considerans bij de Richtlijn houdt voor zover hier van belang het volgende in:

(20) De rol van het slachtoffer in het strafrechtstelsel en of het slachtoffer actief kan deelnemen aan de strafprocedure verschilt van lidstaat tot lidstaat, afhankelijk van het nationale stelsel, en wordt bepaald door één of meerdere van de volgende criteria: of volgens het nationale stelsel het slachtoffer juridisch partij in de strafprocedure is; of het slachtoffer wettelijk verplicht is of wordt verzocht actief deel te nemen aan de strafprocedure, bijvoorbeeld als getuige; en/of het slachtoffer volgens het nationale recht het recht heeft actief deel te nemen aan de strafprocedure en hierom te verzoeken, terwijl slachtoffers volgens het nationale stelsel juridisch geen partij zijn in de strafprocedure. De lidstaten moeten bepalen volgens welke van deze criteria de reikwijdte van de in deze richtlijn opgenomen rechten wordt vastgesteld, indien in het toepasselijke strafrechtstelsel wordt verwezen naar de rol van het slachtoffer.

(22) Voor de toepassing van deze richtlijn moet het moment waarop een aangifte wordt gedaan, worden beschouwd als vallend binnen het bestek van de strafprocedure. Dit dient ook situaties te omvatten waarin de autoriteiten ambtshalve een strafprocedure inleiden naar aanleiding van een tegen een slachtoffer gepleegd strafbaar feit.

(43) Het recht op toetsing van een beslissing tot niet-vervolging moet worden geacht betrekking te hebben op beslissingen van het openbaar ministerie en onderzoeksrechters of rechtshandhavingsautoriteiten zoals politiefunctionarissen, maar niet op beslissingen van rechtbanken. Elke toetsing van een beslissing tot niet-vervolging moet worden uitgevoerd door een andere persoon of autoriteit dan die welke de beslissing heeft genomen, tenzij de oorspronkelijke beslissing uitgaat van de hoogste vervolgingsautoriteit en er geen rechtsmiddel tegen kan worden ingesteld; in dat geval kan de toetsing door diezelfde autoriteit worden uitgevoerd. Het recht op toetsing van een beslissing tot niet-vervolging heeft geen betrekking op bijzondere procedures, zoals procedures tegen leden van het parlement of de regering, in verband met de uitoefening van hun ambt.

(44) Een beslissing waarmee de strafprocedure wordt beëindigd, moet ook die gevallen omvatten waarin het openbaar ministerie besluit de aanklacht in te trekken of de procedure te staken.

(45) In het geval dat een beslissing van het openbaar ministerie leidt tot een buitengerechtelijke schikking en daarmee tot beëindiging van de strafprocedure, wordt het slachtoffer het recht van toetsing van de beslissing tot niet-vervolging alleen ontzegd indien de schikking een waarschuwing of een verplichting bevat.

(47) Van slachtoffers mag niet worden verwacht dat zij kosten maken in verband met hun deelname aan een strafprocedure. De lidstaten moeten worden verplicht alleen noodzakelijke uitgaven van het slachtoffer in verband met zijn deelname aan de strafprocedure te vergoeden en van hen kan niet worden gevergd dat zij de honoraria voor juridische bijstand aan het slachtoffer vergoeden. De lidstaten moeten in staat zijn in het nationale recht voorwaarden voor de vergoeding van kosten op te leggen, zoals termijnen voor het eisen van terugbetaling, standaardtarieven voor reis- en verblijfkosten en maximumbedragen voor dagvergoedingen wegens derving van inkomsten. Het recht op vergoeding van kosten in strafprocedures mag niet ontstaan in een situatie waarin een slachtoffer een verklaring over een strafbaar feit aflegt. Kosten behoeven alleen te worden vergoed indien het slachtoffer is verplicht of door de bevoegde autoriteiten is verzocht aanwezig te zijn en actief aan de strafprocedure deel te nemen.

Doelstelling van de Richtlijn is dat het slachtoffer actief moet kunnen deelnemen aan de strafprocedure. Gelet op overweging 22 van de considerans moet het moment waarop een aangifte wordt gedaan worden beschouwd als vallend binnen het bestek van de strafprocedure. Uit artikel 11 van de Richtlijn en de overwegingen 43, 44 en 45 van de considerans kan worden afgeleid dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat het slachtoffer ook recht heeft op toetsing van beslissingen tot niet vervolging. Gelet op artikel 13 van de Richtlijn heeft het slachtoffer recht op toegang tot rechtsbijstand. Artikel 14 van de Richtlijn regelt de vergoeding van kosten van het slachtoffer.

Implementatie van de Richtlijn heeft plaats gevonden bij wet van 8 maart 2017 (Stb. 2017, 90), in werking getreden op 1 april 2017 (Stb. 2017, 128). Daarbij zijn diverse bepalingen in het Wetboek van Strafvordering gewijzigd, onder meer de artikelen 51 en volgende.

Artikel 51a, eerste lid, onder a, Sv bepaalt dat onder slachtoffer in titel IIIa (Het slachtoffer) wordt verstaan degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. Met het slachtoffer wordt gelijkgesteld de rechtspersoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden.

Met betrekking tot het recht op toegang tot rechtsbijstand houden artikel 51c, eerste en tweede lid, Sv in dat het slachtoffer zich tijdens het voorbereidende onderzoek en op de terechtzitting kan doen bijstaan, onder andere door een advocaat. Onder het voorbereidend onderzoek wordt ingevolge artikel 132 Sv verstaan het onderzoek hetwelk aan de behandeling ter terechtzitting vooraf gaat. Het opsporingsonderzoek maakt hiervan deel uit en is geregeld in titel I van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafvordering. Dit betekent dat het slachtoffer zich ook bij de aangifte (artikel 163 Sv) kan doen bijstaan (kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2014-2015, 34236, nr. 3, pag. 64). Verder kan een klager zich bij het indienen en de behandeling van een beklag als bedoeld in artikel 12, eerste lid, Sv doen bijstaan door een advocaat, zo volgt uit artikel 12f, eerste lid, Sv.

Met betrekking tot de vergoeding van kosten van het slachtoffer is in de totstandkomingsgeschiedenis van de implementatiewetgeving (kamerstukken Tweede Kamer, 34236, vergaderjaar 2015-2016, nr. 8, pag. 26 een na laatste alinea) het volgende opgenomen:

"Artikel 14 van de Richtlijn ziet erop dat lidstaten aan slachtoffers de mogelijkheid bieden om de kosten voor deelname aan het strafproces vergoed te kunnen krijgen. Deze mogelijkheid wordt reeds geboden in Nederland. Slachtoffers kunnen een vergoeding van hun proceskosten namelijk vorderen in het strafproces. Daarbij kunnen bepaalde nabestaanden en slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven op grond van artikel 44 Wet op de rechtsbijstand aanspraak maken op kosteloze rechtsbijstand. Nederland voldoet nu dus al aan artikel 14 van de richtlijn; het wetsvoorstel inzake affectieschade heeft bij deze constatering geen rol gespeeld."

De mogelijkheid voor slachtoffers om hun proceskosten in het strafproces vergoed te krijgen is geregeld in artikel 51f, eerste lid, Sv. Daarin is bepaald dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het strafproces.

In dit geval biedt artikel 51f Sv verzoekster niet de mogelijkheid van vergoeding van de in het verzoek genoemde kosten, reeds hierom nu (nog) geen sprake is van een strafproces in de zin van dit artikel. Daarbij merkt het hof op dat het in geval van een zodanig strafproces maar zeer de vraag is of de door verzoekster genoemde kosten als rechtstreekse schade in de zin van artikel 361, tweede lid, onder b, Sv kunnen worden beschouwd.

Artikel 44, eerste lid, van de Wet op de Rechtsbijstand bepaalt dat aan personen die zich krachtens het Wetboek van Strafrecht of het Wetboek van Strafvordering door een raadsman kunnen doen bijstaan, een advocaat kan worden toegevoegd. Ingevolge artikel 1 onder d van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en de daarbij behorende bijlage is een beklag niet-vervolgen een strafrechtelijke zaak.

De Nederlandse regelgeving kent aldus een voorziening ter vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor het voeren van een artikel 12 Sv procedure. Het hof stelt vast dat niet blijkt dat verzoekster (of haar individuele leden) van deze mogelijkheid gebruik heeft/hebben gemaakt.

Aan dit gegeven zal het hof voorbijgaan, nu uit artikel 591a Sv niet volgt dat slechts vergoeding op de voet van die bepaling mogelijk is, indien geen beroep op de bij of krachtens de Wet op de rechtsbijstand geboden voorzieningen kan worden gedaan.

Het hof beantwoordt de door verzoekster opgeworpen vragen of met een richtlijnconforme interpretatie van artikel 591a Sv of -indien dat niet mogelijk is- rechtstreekse toepassing van artikel 14 van de Richtlijn, de hier verzochte kosten (geheel of gedeeltelijk) voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, echter ontkennend.

Een richtlijnconforme interpretatie van de Richtlijn brengt mee dat de nationale bepaling zo veel mogelijk moet worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, om zo het met de richtlijn beoogde resultaat te bereiken. Met betrekking tot dit laatste stelt het hof vast dat in overweging 47 van de considerans van de Richtlijn is aangegeven dat van de lidstaten niet kan worden gevergd dat zij de honoraria voor juridische bijstand aan het slachtoffer vergoeden. Dit betekent dat een richtlijnconforme interpretatie van de Richtlijn -waartoe in (het in artikel 591a, vierde lid, Sv van overeenkomstige toepassing verklaarde) artikel 591, vijfde lid, Sv, zou moeten worden ingelezen dat daaronder ook wordt begrepen het doen van aangifte en de procedure ex artikel 12 Sv- niet meebrengt dat de onderhavige kosten op de voet van artikel 591a, eerste lid, Sv uit 's Rijks kas moeten worden vergoed.

Rechtstreekse toepassing van artikel 14 van de Richtlijn acht het hof -nog daargelaten dat gelet op overweging 47 van de considerans de Richtlijn niet noopt tot vergoeding van de honoraria voor juridische bijstand van het slachtoffer door de lidstaten- niet mogelijk.

Bepalend daarvoor is dat de Richtlijn de lidstaten een zeer ruime beoordelingsvrijheid geeft bij het bepalen of en zo ja in hoeverre kosten als hier aan de orde, verband houdende met het inschakelen van rechtsbijstand bij het doen van aangifte en het voeren van een procedure in de zin van artikel 11 van de Richtlijn, voor vergoeding in aanmerking komen. Het hof wijst daartoe op de laatste volzin van artikel 14 van de Richtlijn en overweging 47 van de considerans. Dit brengt mee dat artikel 14 van de Richtlijn zich niet leent voor rechtstreekse werking. Het betreft hier een oordeel waarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, zodat het hof geen aanleiding ziet voor het stellen van een prejudiciële vraag als bepleit door verzoekster.

Het betoog van verzoekster onder B en C faalt derhalve ook.

De conclusie moet zijn dat verzoekster in haar verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De kosten voor indiening en behandeling van het verzoek komen niet voor vergoeding in aanmerking.

De beslissing

Het hof:

verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Aldus gegeven door mr. J.J. Beswerda als voorzitter, mrs. P.W.J. Sekeris en W.M. van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier voornoemd.