Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10471

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-11-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
WAHV 200.238.919
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meervoudig arrest. Eisen aan de zekerheidsbrieven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.238.919

30 november 2018

CJIB 210512816

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 27 maart 2018

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Artikel 11, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) verplicht de betrokkene om in de procedure bij de kantonrechter zekerheid te stellen voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten.

2. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard omdat de betrokkene niet heeft voldaan aan de verplichting tot zekerheidstelling en geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan niet-ontvankelijkheid achterwege zou moeten blijven.

3. Artikel 11, vierde (vanaf 1 januari 2018, daarvoor derde) lid, tweede volzin, van de Wahv houdt het volgende in:
“De officier van justitie wijst de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan op de verplichting tot zekerheidstelling en deelt hem mee dat de zekerheidstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling.”

4. Daarnaast houdt artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover van belang, het volgende in:
“Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, (…) mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.”

5. Uit voornoemde bepalingen volgt dat de officier van justitie een zekerheidsbrief aan de betrokkene dient te verzenden, bevattende - onder meer - de mededeling dat de zekerheidstelling binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling dient te

geschieden. In geval van verzuim dient aan de betrokkene binnen een daartoe gestelde termijn de gelegenheid te worden geboden het verzuim te herstellen. Dat laatste geschiedt door toezending van een tweede brief door de officier van justitie aan de betrokkene. Ook deze tweede brief moet zijn voorzien van de mededeling dat de zekerheidstelling binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling dient te geschieden.

6. Verder brengt een redelijke uitleg van artikel 11, vierde (vanaf 1 januari 2018, daarvoor derde) lid, tweede volzin, van de Wahv mee dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift

(art. 11 Wahv) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie en dat het bedrag van de zekerheidstelling gelijk is aan het bedrag van die sanctie, inclusief administratiekosten of, - in situaties vanaf 1 januari 2018 - indien de sanctie tenminste

€ 225,- bedraagt, zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van € 225,- en de administratiekosten, waarbij voor personen die ten tijde van de gedraging nog geen 16 jaar oud waren, de helft van deze bedragen geldt. Tevens moet in de mededeling worden opgenomen de wijze waarop en de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld. Daarbij is niet voldoende dat voor de betaling van de zekerheidstelling wordt verwezen naar het digitaal loket, zonder ook te wijzen op de mogelijkheid van overschrijving van het verschuldigde bedrag op de rekening van het CJIB. Tot slot dient de mededeling in te houden dat wanneer tijdige zekerheidstelling achterwege blijft, het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

7. Bij de stukken van het geding bevinden zich de mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 2 februari 2018 en een tweede brief van

19 februari 2018 van de officier van justitie aan de betrokkene.

8. Het hof stelt vast dat de betrokkene in het onderhavige geval geen twee opeenvolgende en inhoudelijk op elkaar aansluitende brieven heeft ontvangen die voldoen aan hetgeen op grond van de hiervoor weergegeven wettelijke bepalingen is voorgeschreven, te weten: met daarin opgenomen een termijn waarbinnen (alsnog) zekerheid dient te worden gesteld. Evenmin is vermeld dat op grond van een wettelijk voorschrift

(artikel 11 Wahv) zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie. Ook ontbreekt de verwijzing naar de mogelijkheid van overschrijving van het verschuldigd bedrag op de rekening van het CJIB.

9. Het vorenstaande betekent dat de kantonrechter ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. De bestreden beslissing kan derhalve niet in stand blijven. Het hof zal deze vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank Amsterdam. Na terugwijzing van de zaak dient de kantonrechter een nieuwe termijn te bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid als bedoeld in artikel 11 Wahv kan stellen en daarvan moet de griffier van de rechtbank aan de betrokkene mededeling worden gedaan met inachtneming van het bepaalde in artikel 11, vierde lid, Wahv.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Van Schuijlenburg en Wijma, in tegenwoordigheid van Terhell als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.