Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10439

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-12-2018
Datum publicatie
14-12-2018
Zaaknummer
17/01146
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Geen aangifte. Hoogte aanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-12-2018
FutD 2018-3294
V-N Vandaag 2018/2744
V-N 2019/13.1.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 17/01146

uitspraakdatum: 4 december 2018

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 september 2017, nummer AWB 17/867, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Enschede (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend en is een verzuimboete opgelegd.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard, de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd en de boetebeschikking vernietigd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2018. Belanghebbende is met bericht van verhindering niet verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende voert in 2014 zelfstandig een huishouden. Belanghebbende is gescheiden van [A] .

2.2.

Belanghebbende is op 30 september 2015 door de Inspecteur uitgenodigd om op het internet digitaal aangifte te doen voor de IB/PVV 2014 (hierna: de aangifte). Belanghebbende heeft op 29 oktober 2015 een kopie van deze brief teruggestuurd aan de Inspecteur, waarop hij met de hand heeft geschreven: “Ondergetekende heeft geen internet”.

2.3.

Op 20 november 2015 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een herinneringsbrief gestuurd, waarin hij belanghebbende opnieuw verzoekt aangifte te doen. In de brief heeft de Inspecteur aangegeven op welke wijze belanghebbende digitaal aangifte kan doen. Belanghebbende heeft een kopie van deze brief teruggestuurd samen met een kopie van de onder 2.2 genoemde brief die hij op 29 oktober 2015 aan de Inspecteur heeft gestuurd.

2.4.

Met dagtekening 6 januari 2016 heeft de Inspecteur een aanmaning tot het doen van aangifte IB/PVV 2014 gezonden met opnieuw een uitleg over de wijze waarop belanghebbende digitaal aangifte kan doen. Belanghebbende heeft een kopie van de brief teruggestuurd waarop hij met de hand heeft geschreven dat hij verwijst naar de brief die hij op 23 december 2015 bij de Inspecteur heeft afgegeven. Bij laatstgenoemde brief heeft belanghebbende weer een kopie van de onder 2.2 genoemde brief van 29 oktober 2015 gevoegd.

2.5.

Belanghebbende heeft binnen de daartoe gestelde termijnen digitaal noch op papier een aangifte IB/PVV 2014 ingediend.

2.6.

Met dagtekening 13 juli 2016 is aan belanghebbende ambtshalve de aanslag IB/PVV 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.554 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.103. Daarnaast is bij beschikking € 65 aan belastingrente in rekening gebracht en is een verzuimboete van € 369 opgelegd. De Inspecteur is bij het vaststellen van deze aanslag uitgegaan van de gegevens betreffende belanghebbende zoals die blijken uit de systemen van de Belastingdienst.

3 Geschil en standpunten van partijen

3.1.

In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

  1. is belanghebbende verplicht aangifte IB/PVV te doen voor het jaar 2014,

  2. is de aanslag IB/PVV naar een juist bedrag opgelegd en

  3. is aan belanghebbende terecht belastingrente in rekening gebracht.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt de vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend. Voorts stelt de Inspecteur dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslag, de Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Aangifteplicht

4.1.

Vaststaat dat belanghebbende, hoewel hiertoe uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, geen aangifte IB/PVV heeft gedaan voor het jaar 2014.

4.2.

Belanghebbende stelt dat hij vanwege zijn medische gesteldheid geen aangifte hoeft te doen voor de IB/PVV. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst belanghebbende naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 8 februari 2011 met nummer 10/00401. Daarin overweegt het Gerechtshof onder meer:

“1. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de onderhavige boetebeschikking vanwege proceseconomische redenen en in aanmerking genomen de medische achtergrond van belanghebbende dient te vervallen.

2. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.

3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de Rechtbank, die van de Inspecteur en de boetebeschikking dienen te worden vernietigd.”

4.3.

Het Hof stelt voorop dat een ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte gehouden is – binnen een door de inspecteur te stellen termijn (artikel 9, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, hierna te noemen: AWR) – aangifte te doen door de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen, te ondertekenen en in te leveren (artikel 8, eerste lid, van de AWR).

4.4.

Anders dan belanghebbende heeft gesteld volgt uit de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 8 februari 2011 niet dat voor hem vanwege zijn medische achtergrond geen aangifteverplichting bestaat. Het Hof besliste immers dat de aan belanghebbende voor het jaar 2006 opgelegde boete wegens medische omstandigheden vernietigd diende te worden en niet dat voor hem om die reden niet langer een verplichting tot het doen van aangifte bestaat. Aan deze uitspraak van het Gerechtshof Arnhem kan derhalve niet de conclusie worden verbonden dat belanghebbende vanwege zijn medische gesteldheid niet gehouden is voor het onderhavige jaar (of andere jaren) aangifte te doen.

Hoogte aanslag

4.5.

De Inspecteur heeft op grond van artikel 11 van de AWR de aanslag ambtshalve vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.554 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.103. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur uitsluitend gebruik gemaakt van gegevens betreffende belanghebbende die afkomstig zijn uit de systemen van de Belastingdienst. Voor het vaststellen van het inkomen uit werk en woning heeft de Inspecteur gegevens ontvangen van SVB, ABP en Nationale Nederlanden (€ 14.063, € 8.391, respectievelijk € 100). Na het optellen van het eigenwoningforfait (€ 1.036) en de aftrek wegens geen eigenwoningschuld (€1.036) resulteerde het hiervoor genoemde belastbare inkomen uit werk en woning van € 22.554.

4.6.

Voor het vaststellen van het inkomen uit sparen en beleggen is de Inspecteur, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, van de volgende gegevens uitgegaan:

  • -

    een rekening op naam van belanghebbende bij de ING, rekeningnummer [00000] , met een saldo op 1 januari 2014 van € 118.609;

  • -

    een aan deze rekening gekoppelde betaalrekening met een saldo van op 1 januari 2014 € 5.106 en

  • -

    een rekening die op naam van belanghebbende en [X] - [A] staat met een saldo van nihil.

De som van belanghebbendes banksaldi per 1 januari 2014 (€ 123.715) heeft de Inspecteur verminderd met het heffingvrije vermogen (€ 21.139), zodat een grondslag sparen en beleggen resteert van € 102.576. Na toepassing van het forfaitair rendement van 4% resulteert een voordeel uit sparen en beleggen van € 4.103.

4.7.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan, zodat de bewijslast op grond van artikel 27e van de AWR moet worden omgekeerd en verzwaard. Van het niet doen van de vereiste aangifte in de zin van artikel 27e van de AWR kan alleen sprake zijn indien de Inspecteur belanghebbende heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte, belanghebbende de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en hij tevens geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, derde lid, van de AWR geboden gelegenheid aangifte te doen binnen een door de Inspecteur bij aanmaning gestelde termijn (vgl. HR 25 oktober 2013, nr. 12/00287, ECLI:NL:HR:2013:971, HR 23 december 2003, nr. 00158/03, ECLI:NL:HR:2003:AL6161 en HR 14 april 2017, nr. 16/05276, ECLI:NL:HR:2017:675).

4.8.

Belanghebbende heeft op de uitnodiging tot het doen van digitale aangifte gereageerd door op te merken dat hij geen aansluiting op het internet heeft. Het Hof heeft geen aanleiding te twijfelen aan deze mededeling van belanghebbende. Het Hof kan uit de uitnodiging noch uit de andere gedingstukken afleiden of belanghebbende voor het doen van de aangifte IB/PVV 2014 is gewezen op de mogelijkheid op papier aangifte te doen. De Inspecteur heeft desgevraagd niet kunnen bevestigen dat belanghebbende op deze mogelijkheid is gewezen. De Inspecteur heeft in de mededeling van belanghebbende dat hij geen aansluiting op het internet heeft, ook geen aanleiding gezien belanghebbende een papieren aangifte uit te reiken. Het voorgaande betekent dat belanghebbende niet op juiste wijze is geïnformeerd over de mogelijkheden waarop hij aan zijn aangifteverplichting kon voldoen, zodat belanghebbende niet op de juiste wijze is uitgenodigd tot het doen van aangifte. Er bestaat dan ook geen grond voor omkering en verzwaring van de bewijslast. Het Hof zal de geschilpunten beoordelen op basis van de normale regels over de bewijslast.

4.9.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag ten onrechte een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking heeft genomen. Belanghebbende voert daartoe aan dat de onder 4.6. genoemde banksaldi in aanmerking genomen moeten worden bij zijn voormalige echtgenote. Voorts stelt belanghebbende dat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag ten onrechte de door hem betaalde alimentatie niet als persoonsgebonden aftrek in aanmerking heeft genomen.

4.10.

Met betrekking tot het bij belanghebbende in aanmerking genomen belastbare inkomen uit sparen en beleggen overweegt het Hof het volgende. Ter zitting heeft de Inspecteur de onder 4.6 genoemde opsomming van banksaldi gegeven. Van de rekening bij de ING behoren bankafschriften uit 2011 en 2012 tot het dossier. Op die afschriften is enkel de naam van belanghebbende vermeld. De Inspecteur heeft gesteld dat de echtscheiding op 15 juli 2007 heeft plaatsgevonden. Dit vindt zijn bevestiging in het tot het dossier behorende deurwaardersexploot van 18 april 2011 tot inning van de aan [A] verschuldigde alimentatie. Daarin wordt verwezen naar een beschikking van het Gerechtshof Arnhem van 6 november 2007. Nu de gecorrigeerde banksaldi zien op de rekening bij de ING die enkel op naam van belanghebbende staat, en gelet op het tijdsverloop tussen de echtscheiding en de peildatum, heeft de Inspecteur tegenover de enkele opmerking van belanghebbende dat de banksaldi aan [A] toekomen op grond van de boedelscheiding, aannemelijk gemaakt dat de banksaldi aan belanghebbende toegerekend moeten worden. Het Hof is daarom van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat hij de onder 4.6. genoemde banksaldi terecht bij belanghebbende in aanmerking heeft genomen.

4.11.

Voor zover belanghebbende met zijn stelling dat de onder 4.6 genoemde banksaldi niet aan hem moeten worden toegerekend heeft bedoeld te stellen dat artikel 5.2, tweede lid, van de Wet IB 2001 in combinatie met artikel 2.17 van de Wet IB 2001 aan deze toerekening in de weg staat, faalt het eveneens. Voor de toepassing van die regeling is vereist dat de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft gehad of geacht wordt te hebben gehad. Niet gebleken is dat belanghebbende gedurende het gehele kalenderjaar een partner heeft gehad of geacht moet worden te hebben gehad.

4.12.

Het Hof ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op een lager bedrag vast te stellen.

4.13.

Voorts stelt belanghebbende dat de aanslag is opgelegd voor een onjuist bedrag omdat ten onrechte geen rekening gehouden is met door hem aan [A] betaalde alimentatie.

4.14.

Op grond van artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, in verbinding met 6.3, eerste lid, aanhef en onder a, Wet IB behoren tot de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen op belanghebbende drukkende periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn. De bewijslast dat sprake is van op belanghebbende drukkende kosten ligt bij belanghebbende.

4.15.

Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Belanghebbende heeft, hoewel daartoe uitgenodigd door de Inspecteur, geen bewijzen overgelegd ter staving van zijn stelling dat voor het onderhavige jaar sprake is van op hem drukkende onderhoudsverplichtingen.

Belastingrente

4.16.

Omdat belanghebbende geen afzonderlijke beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de beschikking belastingrente, is ook het beroep tegen de beschikking belastingrente ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. A.R. van der Winkel en mr. R.F.C. Spek, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is op 4 december 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.W.J. de Kort) (A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 december 2018.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.