Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10392

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
200.235.135
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Ingangsdatum, kosten van kinderopvang, (forfaitaire) woonlasten, schulden, zorgkorting, terugbetaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.235.135

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 442916)

beschikking van 29 november 2018

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S.V. de Jong te Amsterdam,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.G. Ouwejan te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 1 december 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties ingekomen op 28 februari 2018;

  • -

    het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. De Jong van 27 augustus 2018 met producties tevens (akte) houdende wijziging van het verzoek van de man;

  • -

    een journaalbericht van mr. Ouwejan van 31 augustus 2018 met een nadere akte, tevens houdende wijziging verzoek en met producties.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft op 11 september 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

De man en de vrouw zijn de ouders van [het kind] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [woonplaats] , hierna te noemen: [het kind] . De man heeft [het kind] erkend. [het kind] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

3.2.

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 22 juni 2018 - voor zover hier van belang- bepaald dat de man en de vrouw voortaan gezamenlijk met het gezag over [het kind] zijn belast en een zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat [het kind] bij de man verblijft:

  • -

    eens per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de man [het kind] op vrijdag ophaalt en de moeder [het kind] op zondag ophaalt;

  • -

    de helft van alle feestdagen;

  • -

    één week gedurende de kerstvakantie;

  • -

    twee keer een (losse) week tijdens de zomervakantie van 2018;

  • -

    twee weken tijdens de zomervakantie vanaf 2019;

  • -

    alsmede om het jaar tijdens de verjaardag van [het kind] .

4 De omvang van het geschil

4.1.

De vrouw heeft bij verzoekschrift van 13 juli 2017 de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man is gehouden per 1 januari 2017 een bijdrage te betalen in de kosten van opvoeding en verzorging van [het kind] (hierna ook: kinderalimentatie) ten bedrage van € 596,- per maand, althans een bedrag dat de rechtbank juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen vóór de eerste van iedere maand, kosten rechtens.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel het verzoek van de vrouw af te wijzen, althans een andere/lagere bijdrage vast te stellen, kosten rechtens.

4.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, uitvoerbaar bij voorraad, het bedrag dat de man met ingang van 15 februari 2017 aan de vrouw zal verstrekken tot verzorging en opvoeding van [het kind] bepaald op € 407,- per maand, vanaf de datum van de beschikking telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en het meer of anders verzochte afgewezen.

4.3.

De man is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 december 2017. De eerste grief ziet op de ingangsdatum, de grieven twee tot en met vijf zien op de draagkracht van de man en de grieven zes en zeven zien op de draagkracht van de vrouw. De man stelt voorts in zijn verweerschrift in het incidenteel hoger beroep (onder punt 11) dat hij in verband met de in juni 2018 gewijzigde zorgregeling aanspraak maakt op een zorgkorting van 25%. Hij heeft voor deze aanspraak alimentatieberekeningen gemaakt waarbij hij voor de tweede helft van 2018 een zorgkorting van 25% heeft gehanteerd.

De man verzoekt het hof, na wijziging van zijn aanvankelijk ingediende verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze betrekking heeft op de hoogte van de vastgestelde kinderalimentatie en in zoverre opnieuw beschikkende:

I. primair met inachtneming van zijn grieven, voor [het kind] een kinderalimentatie vast te stellen die het hof juist acht voor de periode van 1 januari 2018 tot 1 juli 2018, de periode van 1 juli 2018 tot en met 31 december 2018 en de periode vanaf 1 januari 2019, waarbij aan de zijde van de vrouw rekening wordt gehouden met een door het hof te bepalen bedrag waarmee zij op haar vermogen dient in te teren;

II. subsidiair te bepalen dat de man aan kinderalimentatie voor [het kind] zal betalen € 279,- per maand voor de periode 1 januari 2018 tot 1 juli 2018, € 239,- per maand voor de periode 1 juli 2018 tot en met 31 december 2018 en € 221,- per maand voor de periode vanaf 1 januari 2019, althans een bedrag dat het hof juist acht;

III. de ingangsdatum voor de te betalen kinderalimentatie voor [het kind] primair vast te stellen op 13 juli 2017 en subsidiair op 23 mei 2017;

IV. bij toewijzing van het onder III verzochte te bepalen dat de vrouw is gehouden het door haar teveel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie aan de man terug te betalen,

kosten rechtens.

4.4.

De vrouw heeft in het principaal hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd en is op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 december 2017. De grief van de vrouw ziet op de hoogte van de behoefte van [het kind] . De vrouw heeft vervolgens gesteld en voor de wijziging van haar verzoek alimentatieberekeningen gemaakt, waaruit blijkt dat zij niet alleen voor zichzelf, maar ook voor de man met betrekking tot 2017 uitgaat van een hoger inkomen, een hogere draagkracht en een hogere kinderalimentatie dan waarmee de rechtbank in de bestreden beschikking rekening heeft gehouden.

De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans het verzoek van de man af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep, na wijziging van haar aanvankelijk geformuleerde verzoek, de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover deze betrekking heeft op de hoogte van de vastgestelde kinderalimentatie en, in zoverre opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man over de periode van 5 februari 2017 tot 1 januari 2018 aan de vrouw zal betalen € 433,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] en met ingang van 1 januari 2018 een bedrag van € 481,- per maand, toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen.

4.5.

De man heeft in het incidenteel hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in het incidenteel hoger beroep, althans haar grief ongegrond te verklaren en daarmee haar verzoek af te wijzen, kosten rechtens.

4.6.

Het hof zal de grieven in het principaal en het incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

Ingangsdatum

5.1.

In grief I stelt de man onder andere de door de rechtbank gekozen ingangsdatum voor de kinderalimentatie aan de orde. Volgens de man heeft de rechtbank de ingangsdatum ten onrechte bepaald op 15 februari 2017 en had 13 juli 2017 daarvoor meer voor de hand gelegen. De vrouw betwist dit.

Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechter dient van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik te maken. De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.

Het hof is van oordeel dat het in dit geval redelijk is 13 juli 2017, zijnde de datum van indiening van het verzoek in eerste aanleg, als ingangsdatum te bepalen. Vanaf die datum heeft de man immers rekening kunnen en moeten houden met zijn onderhoudsverplichting. Het hof ziet geen aanleiding de ingangsdatum op 15 februari 2017 te bepalen, zoals de rechtbank heeft gedaan en zoals de vrouw heeft verzocht. Indien de vrouw per een eerder gelegen datum een onderhoudsbijdrage had willen bewerkstelligen, had het op haar weg gelegen daartoe in een eerder stadium een verzoek te doen. Het komt voor rekening van de vrouw dat zij dat heeft nagelaten. De eerste grief van de man slaagt dus in ieder geval in zoverre.

Hoogte behoefte [het kind]

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [het kind] in 2015 € 383,23 per maand bedroeg. Geïndexeerd bedraagt de behoefte van [het kind] in 2017 € 396,36 per maand en in 2018 € 402,31 per maand. Tussen partijen is wel in geschil of deze behoefte moet worden verhoogd met de door de vrouw gestelde opvang- en oppaskosten voor [het kind] .

5.3.

De vrouw voert in haar (eerste) grief in het incidenteel hoger beroep aan dat bij de vaststelling van de behoefte van [het kind] rekening moet worden gehouden met alle opvang- en oppaskosten. De rechtbank heeft - volgens haar ten onrechte - enkel rekening gehouden met de door haar opgevoerde (netto) opvangkosten van € 106,- per maand. De vrouw stelt dat zij in verband met haar werk, naast de reguliere kinderopvang, in de avonduren gebruik maakt van een oppas en dat ook de kosten daarvan zouden moeten leiden tot een hogere behoefte van [het kind] . Daarnaast geldt voor 2018 dat de totale opvang- en oppaskosten zijn gestegen tot gemiddeld € 249,25 per maand. De vrouw stelt dat voor 2018 ook al daarom moet worden gerekend met deze hogere opvang- en oppaskosten.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Volgens de man heeft de vrouw onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarvoor de (aanvullende) oppasuren precies dienen en hoe de kosten daarvan zich verhouden tot de verwerving van inkomsten door de vrouw. Bovendien heeft de man herhaaldelijk aan de vrouw te kennen gegeven zelf meer voor [het kind] te willen zorgen. De man stelt dat de oppaskosten daarom bij de bepaling van de behoefte van [het kind] buiten beschouwing dienen te blijven.

5.4.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen is het gerechtvaardigd om in het geval van een alleenstaande ouder met hoge kosten van kinderopvang de behoefte te verhogen met de netto kosten van de kinderopvang. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw kinderopvangkosten heeft (gehad) die als behoefteverhogend moeten worden aangemerkt. De vraag is echter welk bedrag het hof in aanmerking dient te nemen.

In 2017 maakte de vrouw gedurende twee dagen per week gebruik van opvang bij kinderdagverblijf [X] .1 De netto opvangkosten bedroegen in 2017 € 106,- per maand.2 Tegenover het verweer van de man heeft de vrouw naar het oordeel van het hof niet voldoende inzichtelijk gemaakt waarom zij, naast twee dagen reguliere kinderopvang, ook nog oppas op andere momenten van de week nodig heeft. Daarbij heeft de vrouw nagelaten voldoende concreet te onderbouwen dat de door haar als behoefteverhogend aangemerkte oppaskosten noodzakelijk zijn in verband met de verwerving van inkomsten. Ook is de noodzaak van de door de vrouw gestelde stijging in de opvangkosten in 2018 niet gebleken. De vrouw neemt thans drie dagen kinderopvang af3 tegenover twee dagen in 2017 en maakt daarnaast ook gebruik van oppas op andere momenten van de week. Gelet op het verweer van de man, had het op de weg van de vrouw gelegen in de noodzaak hiervan nader inzicht te geven. Nu zij dit heeft nagelaten, ziet het hof geen aanleiding de behoefte van [het kind] te verhogen met een hoger bedrag aan oppas- en opvangkosten dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, te weten de netto opvangkosten van € 106,- per maand. De behoefte van [het kind] komt daarmee op afgerond € 502,- per maand in 2017 en € 508,- per maand in 2018. De (eerste) grief van de vrouw faalt derhalve.

Draagkracht

5.5.

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht het netto besteedbaar inkomen van partijen tot uitgangspunt nemen. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen alsmede het te ontvangen kindgebonden budget, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn.

De draagkracht zal worden vastgesteld aan de hand van de in 2017 geldende formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 905,-)] bij een netto besteedbaar inkomen hoger dan € 1.575,- per maand. Voor 2018 geldt de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 920,-)] bij een netto besteedbaar inkomen hoger dan € 1.600,- per maand. Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen terzake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 905,- in 2017 en

€ 920,- in 2018 aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

5.6.

Gelet op hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.1 over de ingangsdatum is overwogen zal het hof de draagkracht beoordelen vanaf 13 juli 2017. Het hof gaat daarbij uit van de volgende gegevens.

Draagkracht van de man

Winst uit onderneming

5.7.

De man voert een eenmanszaak onder de naam [Bedrijf man] . De rechtbank is bij de berekening van de draagkracht van de man uitgegaan van het bedrijfsresultaat van die onderneming in 2016. De man is het hiermee niet eens. In zijn tweede grief stelt hij dat voor zijn draagkracht gekeken moet worden naar de gemiddelde winst uit onderneming van de afgelopen drie jaar (2015-2017). Voor zijn draagkracht in 2018 en 2019 verzoekt de man te rekenen met de door hem overgelegde prognoses.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij stelt dat het bedrijfsresultaat over 2015 als niet representatief buiten beschouwing moet blijven, evenals de door de man ingebrachte prognoses. In de door haar als productie 24 overgelegde draagkrachtberekening gaat zij uit van een inkomen van de man gebaseerd op het bedrijfsresultaat van zijn onderneming in 2017, te weten € 79.026,-.

5.8.

Het hof oordeelt als volgt. Bij het vaststellen van de draagkracht van een ondernemer dient te worden beoordeeld welke middelen hem ter beschikking staan of geacht kunnen worden te staan. Uitgangspunt is dat daarbij wordt gekeken naar de resultaten van zijn onderneming in de afgelopen drie jaren. Van voornoemd uitgangspunt kan onder meer worden afgeweken indien het bedrijfsresultaat van (een van) deze jaren als niet representatief moet worden beschouwd op grond van bijzondere omstandigheden.

De man heeft de afgelopen jaren de volgende resultaten behaald met zijn onderneming [Bedrijf man] .

Jaar

2013

2014

2015

2016

2017

Winst uit onderneming

€ 44.159,-

€ 46.891,-

€ 43.543,-

€ 67.619,-

€ 79.026,-

Het hof is van oordeel dat, gelet op de resultaten behaald in de jaren tot 2015, de resultaten over 2015 in lijn zijn met die over de daaraan voorgaande jaren. De omstandigheid dat sprake is van een lager bedrijfsresultaat in 2015 dan in de daarop volgende jaren valt niet terug te voeren op een uitzonderlijke en eenmalige omstandigheid die zou kunnen rechtvaardigen dat voor de berekening van het gemiddelde van minder dan drie jaar zou moeten worden uitgegaan. Het hof zal daarom uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de afgelopen drie jaren, te weten over de jaren 2015 tot en met 2017 van € 63.396,-. Grief II van de man slaagt dus in zoverre.

5.9.

Voor de draagkracht van de man in 2018 en 2019 verzoekt de man te rekenen met de door hem overgelegde prognoses.4 In deze prognoses zijn de bedrijfsresultaten van de man naar beneden bijgesteld, aangezien de man met ingang van september 2018 een deeltijdstudie is gaan volgen, waardoor hij minder kan werken en minder inkomen kan genereren. De vraag is, gelet op de betwisting door de vrouw, of, en zo ja in hoeverre, hiermee rekening moet worden gehouden.

Het hof stelt voorop dat de man onderhoudsplichtig is voor [het kind] . In het licht van deze onderhoudsverplichting staat het de man in beginsel niet vrij een inkomensvermindering te bewerkstelligen, waardoor zijn vermogen om te voldoen aan die onderhoudsverplichting wordt aangetast. De man voert aan dat hij met de opleiding zijn werkveld wenst te verbreden en daardoor zijn werk kan verduurzamen. Hij verwacht daardoor op termijn meer werk te kunnen aantrekken. De man heeft niet aangetoond dat er een (bedrijfseconomische) noodzaak bestaat om de genoemde opleiding te volgen. De man heeft in het verleden al een opleiding voltooid en de onderneming van de man heeft goede bedrijfsresultaten. Naar het oordeel van het hof dient om die reden geen rekening te worden gehouden met de door de man overgelegde prognoses met betrekking tot te verwachten fiscale winst voor 2018 en 2019. Het zal hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man ook voor de toekomst uitgaan van het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2015 tot en met 2017. In zoverre slaagt grief II van de man dus niet.

5.10.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de resultaten van de man moeten worden gecorrigeerd met de autokosten. De man heeft onweersproken gesteld dat dit werkelijk gemaakte kosten zijn. Het hof ziet dan ook geen aanleiding de resultaten hiermee te corrigeren.

5.11.

Gelet op hetgeen hiervoor over 5.8 is overwogen, zal het hof voor de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van een gemiddelde winst uit onderneming van € 63.396,-. Rekening houdend met de aanspraak op de zelfstandigenaftrek, de MKB winstvrijstelling, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de op de aanslag verschuldigde bijdrage ZVW en met toepassing van de fiscale tarieven 2017-2, bedraagt het netto besteedbare inkomen van de man in 2017 € 3.746,- per maand.

Omdat met ingang 1 juli 2018 een andere zorgkorting zal worden toegepast (zie hierna in rechtsoverweging 5.24), ziet het hof aanleiding om ook voor 2018 de draagkracht van partijen te bepalen. Met toepassing van de fiscale tarieven 2018-2 bedraagt het netto besteedbare inkomen van de man in 2018 € 3.744,- per maand. De tweede grief van de man slaagt gedeeltelijk.

Woonlast

5.12.

In zijn derde grief heeft de man aangevoerd het niet eens te zijn met het oordeel van de rechtbank dat in het geheel geen rekening wordt gehouden met de woonlasten van de man. Volgens de man dient bij de berekening van zijn draagkracht rekening te worden gehouden met de forfaitaire woonlast zoals opgenomen in de onder 5.5 genoemde formule.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Volgens de vrouw heeft de man in het geheel geen woonlasten. Indien toch gerekend moet worden met een woonlast, stelt de vrouw dat moet worden uitgegaan van de werkelijke woonlast, die zij stelt op € 308,55 per maand (30% van de netto huur van de bedrijfsruimte van de man). Voorts voert zij aan dat het feit dat de man geen partneralimentatie is verschuldigd in het onderhavige geval tot een onrechtvaardige situatie leidt, die afwijking van de forfaitaire woonlast rechtvaardigt.

5.13.

Het hof stelt voorop dat in het berekeningssysteem voor kinderalimentatie met een forfaitair bedrag aan woonlasten rekening wordt gehouden ter hoogte van 30% van het netto besteedbaar inkomen. Het uitgangspunt van het forfaitair systeem voor de bepaling van de kinderalimentatie is daarin gelegen dat aan de onderhoudsplichtige ouder(s) met het draagkrachtloos inkomen een budget voor hun noodzakelijke kosten wordt toegerekend en dat binnen dat budget eigen keuzes mogelijk (moeten) zijn. Gelet op het uitgangspunt van een forfaitair systeem dient daarvan slechts te worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

De man heeft tot 1 augustus 2018 gewoond in zijn bedrijfsruimte. Hoewel de vrouw stelt dat de man daardoor geen woonlasten had, heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat hij 30% van de huurlast privé diende te voldoen en deze ook daadwerkelijk heeft betaald.5 Vanaf 1 augustus 2018 huurt de man met zijn nieuwe partner een huurwoning.6 Vast staat dat de man wel degelijk een woonlast heeft (gehad). Ook staat wel vast dat de woonlast van de man zowel in 2017 als met ingang van 1 augustus 2018 lager is (geweest) dan de forfaitaire woonlast. De enkele omstandigheid dat de feitelijke woonlasten van de man lager zijn dan het forfaitaire bedrag vormt naar het oordeel van het hof echter onvoldoende aanleiding voor afwijking van de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen. De omstandigheid dat de man aan de vrouw geen partneralimentatie is verschuldigd, is dat evenmin, nu de oorzaak daarvan immers is gelegen in de omstandigheid dat partijen niet waren gehuwd noch een geregistreerd partnerschap waren aangegaan. De derde grief van de man slaagt.

Schulden

5.14.

De man stelt in zijn vierde en vijfde grief dat bij de bepaling van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de aflossing op de schuld bij de ABN AMRO Bank en de studieschuld bij de DUO.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

5.15.

Het hof overweegt als volgt. In beginsel zijn alle schulden van invloed op de draagkracht van de onderhoudsplichtige. De enkele omstandigheid dat niet op een schuld wordt afgelost, is onvoldoende om die schuld buiten beschouwing te laten. Wel kunnen er andere redenen zijn aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsverplichting nodeloos zijn aangegaan of als de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft (gehad) zich van een schuld te bevrijden of een regeling te treffen en deze mogelijkheid ten onrechte niet heeft benut. Ook kunnen er anderszins onredelijk te achten schulden zijn die de rechter buiten beschouwing kan laten.

5.16.

De man stelt in grief IV dat hij na verkoop van zijn eigen woning op 6 november 2014 een kredietovereenkomst7 met de ABN AMRO Bank is aangegaan om zijn restschuld8 te kunnen financieren. Volgens de kredietovereenkomst moet de man uit hoofde daarvan maandelijks een bedrag van € 364,31 betalen. Uit de door de man overgelegde bankafschriften blijkt dat de man maandelijks dit bedrag en met ingang van juni 2017 een bedrag van € 364,10 per maand aan de bank voldoet.9 Op 21 augustus 2018 had de man nog een schuld van € 9.206,45 bij de ABN AMRO Bank.10

De vrouw betwist dat deze schuld moet worden meegenomen bij de berekening van de draagkracht van de man.

Naar het oordeel van het hof is de schuld bij de ABN AMRO Bank een schuld waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van de draagkracht van de man. De vrouw voert (subsidiair) aan dat de rente aftrekbaar is. Blijkens gegevens op de website van de belastingdienst geldt voor de aftrekbaarheid van een restschuld het volgende. De betaalde rente en financieringskosten van een restschuld zijn maximaal vijftien jaar na de verkoopdatum aftrekbaar, indien de verkoopdatum na 28 oktober 2012 en vóór 1 januari 2018 was. Nu hiervan sprake is, zal het hof rekening houden met de netto schuldenlast, zijnde € 166,- per maand. Het hof zal het draagkrachtloos inkomen van de man met dit bedrag verhogen. De vierde grief slaagt gedeeltelijk.

5.17.

Verder heeft de man, zo stelt hij in grief V, een studieschuld bij de DUO. Uit het door de man overgelegde overzicht blijkt dat hij op dit moment nog een studieschuld heeft van € 27.691,27.11 Volgens de man lost hij op deze schuld een bedrag van € 325,01 per maand af. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de man een bankafschrift overgelegd waaruit volgt dat hij op 30 juli 2018 een bedrag van € 325,01 heeft betaald.12

De vrouw betwist dat deze schuld moet worden meegenomen bij de berekening van de draagkracht van de man.

Het hof oordeelt als volgt. Uit de stukken blijkt weliswaar dat de man heeft afgelost op zijn studieschuld, maar niet dat de man verplicht is om maandelijks met een bedrag € 325,01 per maand op deze studieschuld af te lossen en evenmin dat hij dit bedrag ook daadwerkelijk al langere tijd aflost. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw had het op de weg van de man gelegen om de maandelijkse aflossingsverplichting nader te onderbouwen. Het overleggen van één enkele afschrijving is hiervoor onvoldoende. Ervan uitgaande dat de man is gehouden enig bedrag op zijn studieschuld af te lossen, houdt het hof, bij gebrek aan nadere informatie, in redelijkheid rekening met een aflossing van € 150,- per maand. De vijfde grief slaagt gedeeltelijk.

Conclusie

5.18.

Op basis van het voorgaande heeft de man in 2017 een draagkracht van € 981,- per maand. In 2018 heeft de man een draagkracht van € 969,- per maand.

Draagkracht van de vrouw

5.19.

De vrouw voert een eenmanszaak onder de naam [Bedrijf vrouw] . Partijen zijn het inmiddels erover eens geworden dat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van een gemiddelde winst uit haar onderneming van € 24.700,-. De zesde grief van de man behoeft dus in zoverre geen verdere bespreking. Het hof houdt daarnaast rekening met de aanspraak van de vrouw op een kindgebonden budget. Rekening houdend met de aanspraak op de zelfstandigenaftrek, de MKB winstvrijstelling, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, de op de aanslag verschuldigde bijdrage ZVW en met toepassing van de fiscale tarieven 2017-2, bedraagt het netto besteedbare inkomen van de vrouw in 2017 € 2.342,- per maand. Met toepassing van de fiscale tarieven 2018-2 bedraagt het netto besteedbare inkomen van de vrouw in 2018 eveneens € 2.342,- per maand. De zesde grief van de man slaagt.

5.20.

Op basis van het voorgaande kan de draagkracht van de vrouw volgens de hiervoor onder 5.5 vermelde formule worden vastgesteld op € 514,- per maand in 2017 en op € 504,- per maand in 2018.

5.21.

In zijn zevende grief stelt de man dat van de vrouw mag worden verlangd dat zij inteert op haar eigen vermogen. De vrouw betwist dat gemotiveerd.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het het hof gebleken dat de vrouw inmiddels niet meer beschikt over een vermogen waarop zij zou kunnen interen, zodat reeds om die reden de zevende grief van de man faalt.

Draagkrachtvergelijking

2017

5.22.

Partijen dienen in de behoefte van [het kind] bij te dragen volgens de formule “eigen draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van het kind”. De totale draagkracht van partijen bedraagt € 1.495,- per maand. De behoefte van [het kind] is vastgesteld op € 502,- per maand. Op grond van het voorgaande bedraagt:

  • -

    het aandeel van de man (€ 981,- /€ 1.495,- x € 502,- =) € 329,- per maand;

  • -

    het aandeel van de vrouw (€ 514,- /€ 1.495,- x € 502,- =) € 173,- per maand.

2018

5.23.

In 2018 geldt dat de totale draagkracht van partijen € 1.473,- per maand bedraagt. De behoefte van [het kind] is vastgesteld op € 508,- per maand. Op grond van het voorgaande bedraagt:

  • -

    het aandeel van de man (€ 969,- /€ 1.473,- x € 508,-) € 334,- per maand;

  • -

    het aandeel van de vrouw (€ 504,- /€ 1.473,- x € 508,-) € 174,- per maand.

Vermindering met de zorgkorting

5.24.

Tussen partijen is niet in geschil dat tot 1 juli 2018 op het aandeel van de man in de kosten van [het kind] een zorgkorting van 15% in mindering moet worden gebracht. Op 22 juni 2018 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, de hiervoor onder 3.2 weergegeven zorgregeling vastgesteld. Partijen verschillen van mening welk percentage zorgkorting vanaf dat moment moet worden toegepast.

Nu sprake is van een zorgregeling van gemiddeld twee dagen per week, zal het hof met ingang van 1 juli 2018 een zorgkorting van 25% in aanmerking nemen. De aanvullende grief van de man slaagt.

5.25.

Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw moet betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding, omdat de onderhoudsplichtigen samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [het kind] te voorzien. Aangezien de behoefte van [het kind] in 2017 € 502,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 75,-. De man dient dan ook vanaf 13 juli 2017 (€ 329,- - € 75,-) € 254,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] te betalen.

Met ingang van 1 juli 2018 bedraagt de zorgkorting (bij een behoefte van € 508,-) € 127,- per maand. De bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] bedraagt als gevolg hiervan vanaf dat moment (€ 334,- - € 127,-) € 207,- per maand.

De terugbetaling

5.26.

De man stelt in grief I verder dat in redelijkheid van de vrouw mag worden verwacht dat zij het teveel betaalde aan hem terug terugbetaald.

De vrouw heeft hierover gesteld dat zij de door haar ontvangen kinderalimentatie ten behoeve van [het kind] heeft besteed en dat zij niet in staat is tot terugbetaling.

Het hof is van oordeel dat, voor zover de man vanaf 15 februari 2017 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan de onder 5.25 vermelde bijdragen, van de vrouw, gelet op het feit dat een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt, zoals door de man is verzocht. In zoverre faalt grief I van de man eveneens.

6 De slotsom

in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna zal worden vermeld.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de bijdrage aan het uit die relatie geboren kind betreft.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van partijen gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van elk van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht. Deze berekeningen maken deel uit van deze beschikking.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 1 december 2017,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [woonplaats] , zal betalen:

  • -

    met ingang van 13 juli 2017 € 254,- per maand, en

  • -

    met ingang van 1 juli 2018 € 207,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, A. Smeeïng-van Hees en C.J. Laurentius-Kooter, bijgestaan door mr. M. Knipping-Verbeek als griffier, en is op 29 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Productie 21 bij nadere akte II van de vrouw in eerste aanleg, overgelegd als productie 5 bij beroepschrift.

2 Productie 19 en 21 bij nadere akte II van de vrouw in eerste aanleg, overgelegd als productie 5 bij beroepschrift.

3 Productie 19 van de vrouw.

4 Producties 35 en 36 van de man.

5 Productie 10 en 11 van de man.

6 Productie 29 van de man.

7 Productie 6 bij het verweerschrift in eerste aanleg, overgelegd als productie 2 bij het beroepschrift.

8 Productie 5 bij het verweerschrift in eerste aanleg, overgelegd als productie 2 bij het beroepschrift.

9 Productie 12 bij het beroepschrift en productie 32 van de man.

10 Productie 32 van de man.

11 Productie 16 van de man.

12 Productie 31 van de man.