Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10389

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
29-11-2018
Zaaknummer
21-003831-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:3237
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens - kort gezegd – het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het hof verwerpt het verweer dat door de kortstondigheid van de beschikkingsmacht over dat wapen, geen sprake kan zijn geweest van 'voorhanden hebben'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003831-17

Uitspraak d.d.: 29 november 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 29 juni 2017 met parketnummer 16-659623-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 1 november 2018 en 29 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte wegens het onder 2 ten laste gelegde tot gevangenisstraf voor de duur van negen maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,
mr. F.D.W. Siccama, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het door verdachte ingestelde hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde en heeft verdachte veroordeeld wegens het onder 2 ten laste gelegde tot gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde] .

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover daarvoor vatbaar vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep van belang - tenlastegelegd dat:

2:
hij op of omstreeks 05 september 2015 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een of meer wapens van categorie II onder 2, te weten een pistoolmitrailleur, van het merk CZ, model 61, type Scorpion, kaliber 7,65mm en/of (bijbehorende) munitie, te weten 56 scherpe patronen, van categorie III voorhanden heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsverweer

De raadsman heeft op gronden zoals vermeld in zijn op de terechtzitting overgelegde pleitnota bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit. Het verweer komt – zakelijk weergegeven – neer op het volgende:

Nadat verdachte de Mercedes met kenteken [kenteken] , na een achtervolging door de politie, had verlaten en bij die auto wegvluchtte, is door de verbalisanten die verdachte achtervolgden niet gezien dat hij een wapen heeft weggegooid. Op het wapen zijn geen sporen van verdachte aangetroffen. Er zijn geen getuigen die verdachte met het wapen in verband kunnen brengen. Als verdachte het wapen al in handen heeft gehad, is dat zodanig kortstondig geweest, dat van beschikkingsmacht geen sprake kan zijn geweest. Er kan ten slotte niet worden uitgesloten dat medeverdachte [medeverdachte 1] , die eerder uit de auto was gestapt, het wapen heeft achtergelaten op de plaats waar het later door de politie is aangetroffen. Het is immers goed mogelijk dat de auto na het schietincident de [straat 1] , waar het wapen later is aangetroffen, heeft gepasseerd op een moment dat [medeverdachte 1] nog in de auto zat.

Het hof neemt voor het bewijs van feit 2 de navolgende bewijsmiddelen en bewijsoverweging uit het vonnis over, inhoudende:

Bewijsmiddelen1

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

[…]

Na een melding van een schietpartij op de [straat 2] in [plaats] op 5 september 2015 waarbij een zilverkleurige Mercedes E klasse 220 is gezien, zien verbalisanten de desbetreffende Mercedes rijden en op een gegeven moment stoppen aan de linkerzijde van de [straat 1] ter hoogte van nummer [nummer 1] . Vanaf de bijrijderskant van het voertuig rent in de richting van de [straat 3] / [straat 4] een man weg. Nadat verbalisanten achter de man aanrijden en hem sommeren te stoppen, stopt de man na 100 meter met rennen en deze man wordt om 02:34 uur aangehouden. De man blijkt verdachte [verdachte] te zijn. 2 3 In het grasveld ter hoogte van [straat 1] nummer [nummer 2] wordt een vuurwapen, een Scorpion aangetroffen. 4

Het aangetroffen vuurwapen blijkt een pistoolmitrailleur, van het merk CZ, model 61, type Scorpion. kaliber 7.65mm, […] zijnde een vuurwapen van categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie. 5

Op 5 september 2015 om 03.00 uur is sporenonderzoek verricht voor café [naam café] aan de [straat 2] in [plaats] . Er zijn twee hulzen op het fietspad gevonden en op de rijbaan, ter hoogte van de gele afvalcontainer, is een derde huls op de grond aangetroffen. Ter hoogte van de voordeur van café [naam café] is een fragment van een mantel van een projectiel gevonden. 6

Het NFI heeft op 24 mei 2016 gerapporteerd dat de hypothese dat de op de plaats delict aangetroffen hulzen zijn verschoten met de op de [straat 1] aangetroffen pistoolmitrailleur extreem veel waarschijnlijker is dan de hypothese dat de hulzen zijn verschoten met één of meerdere andere vuurwapen(s) van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het machinepistool. 7

Op 5 september 2015 heeft verdachte verklaard dat hij ten tijde van de schietpartij en na het wegrijden van de [straat 2] in de op de [straat 1] aangetroffen Mercedes zat. 8

Bewijsoverweging

Uit voorgaande bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 5 september 2015 een vuurwapen van het merk Scorpion voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft erkend dat hij in de Mercedes heeft gezeten op het moment dat deze langs café [naam café] reed en door een medeverdachte op het café werd geschoten. Na een achtervolging door de politie is verdachte weggerend van de auto en is op zijn vluchtroute het vuurwapen aangetroffen. Verdachte is immers weggerend in de richting van de [straat 4] terwijl medeverdachte [medeverdachte 2] , de andere inzittende van de auto, de andere kant op is gerend. Het door de raadsman gevoerde alternatieve scenario dat medeverdachte [medeverdachte 1] mogelijk het vuurwapen weggegooid heeft, is niet aannemelijk geworden. Verdachte heeft immers bij de politie verklaard dat de schutter 2 tot 3 minuten na het verlaten van de plaats van de schietpartij uit de auto is gestapt. 9 De afstand tussen de [straat 2] en de [straat 1] laat het door de verdediging geschetste scenario niet toe. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad bij het verlaten van de auto en het vuurwapen vervolgens bewust heeft weggegooid tijdens het wegrennen voor de politie en er aldus over heeft beschikt.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook de in de auto aangetroffen munitie voorhanden heeft gehad in de zin van de Wet wapens en munitie.

Het hof overweegt daarnaast nog het volgende:

Er is geen enkele aanwijzing in het dossier dat medeverdachte [medeverdachte 1] na het schietincident en na het verlaten van de plaats van dat incident in de Mercedes met het kenteken [kenteken] zich heeft begeven naar de [straat 1] te [plaats] . Verdachte heeft nog niet bij benadering aangegeven waar [medeverdachte 1] na het schietincident de auto heeft verlaten. Hij heeft aldus nagelaten de thans als ‘alternatief scenario’ opgevoerde suggestie dat [medeverdachte 1] het wapen zelf op de [straat 1] heeft achtergelaten concreet en verifieerbaar te maken.

Ten aanzien van de omstandigheid dat op het wapen geen sporen van verdachte zijn aangetroffen is het hof van oordeel dat dit hem niet disculpeert. Het gebruiken of aanraken van voorwerpen laat immers niet steeds sporen na. Het hof merkt in dit verband nog op dat ook van de schutter, [medeverdachte 1] , van wie vaststaat dat hij het wapen heeft gehanteerd, evenmin sporen op het wapen zijn aangetroffen.

Ten aanzien van de relatief korte tijdspanne waarin verdachte over het wapen heeft beschikt overweegt het hof dat in de wet aan ‘voorhanden hebben’ niet een bepaalde, minimale, tijdsduur is verbonden. Wel moet sprake zijn van een zekere mate van bewustheid van - en beschikkingsmacht over het betreffende wapen.

In het onderhavige geval bevond verdachte zich in een personenauto waarin een vuurwapen lag dat kort tevoren in aanwezigheid van verdachte was gebruikt. De schutter had, met kennelijke achterlating van dat wapen in de auto, de auto reeds verlaten. Op het moment dat verdachte op enig moment de auto verliet, in een poging om aan de politie te ontkomen, heeft hij het wapen meegenomen. Op dat moment was hij zich ervan bewust dat het om een vuurwapen ging en verschafte hij zichzelf daarover de beschikkingsmacht. Dat hij, nadat hij enkele meters met het wapen had gelopen, vervolgens heeft besloten om het wapen weg te gooien maakt niet dat hij het wapen niet voorhanden heeft gehad.

Het hof verwerpt, gelet op het voorgaande, het verweer.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:
hij op 5 september 2015 te [plaats] , een wapen van categorie II onder 2, te weten een pistoolmitrailleur, van het merk CZ, model 61, type Scorpion, kaliber 7,65mm voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft in hoger beroep op in zijn overgelegde pleitnota weergegeven gronden aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij
– zakelijk weergegeven – bij het meenemen van het vuurwapen uit de Mercedes onder zodanig acute psychische druk verkeerde, dat sprake is van psychische overmacht.

Het verweer komt er – zakelijk weergegeven – op neer dat verdachte naar eigen zeggen door [medeverdachte 1] met het vuurwapen is bedreigd gedurende de tijd dat [medeverdachte 1] met verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] in de auto zat. [medeverdachte 2] heeft eveneens verklaard over die bedreiging door [medeverdachte 1] . Na de bedreiging door [medeverdachte 1] en nadat hij de auto had verlaten, vond een achtervolging plaats door de politie. Toen die achtervolging ten einde was, en verdachte de auto zou verlaten, moest hij de keuze maken tussen het al dan niet meenemen van het wapen. De raadsman stelt dat verdachte – gezien zijn gemoedstoestand en de nijpende omstandigheden – niet kan worden verweten dat hij geen weerstand heeft geboden aan de druk en ervoor heeft gekozen om het wapen mee te nemen en het vervolgens weg te gooien.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer het volgende.

Over het moment waarop [medeverdachte 1] de auto heeft verlaten en over de periode tussen dat moment en het moment waarop een surveillancevoertuig van de politie achter de auto kwam te rijden, heeft verdachte geen concrete verklaring afgelegd. Evenmin heeft verdachte een verklaring gegeven waarom, nadat zij aldus verdachte kort daarvoor nog met een vuurwapen zouden zijn bedreigd, [medeverdachte 2] en hij bij het zien van de politie juist vluchten in plaats van de hulp en veiligheid van die politie in te schakelen. Het handelen van verdachte, te weten het meenemen van het vuurwapen terwijl hij na een achtervolging door de politie uit de achtervolgde auto stapt en wegrent om aan de politie te ontkomen, vormt naar het oordeel van het hof een contra-indicatie voor de door de verdediging gestelde gemoedstoestand en nijpende omstandigheden. Los van het feit dat het hof de door verdachte gestelde bedreiging toen [medeverdachte 1] met het door hem gehanteerde wapen zich in de auto bevond niet aannemelijk acht, zou aan die situatie met het verlaten door [medeverdachte 1] van de auto een einde zijn gekomen. Het stelt vast dat verdachte ervoor heeft gekozen om het bewuste wapen mee te nemen uit de auto en dat vervolgens terwijl hij voor de politie vluchtte weg te gooien. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte deze keuzes en handelwijze van verdachte onder de door hem gestelde druk heeft verricht. Het beroep op psychische overmacht stuit hierop reeds af. Het hof verwerpt het verweer.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 5 september 2015 te [plaats] een pistoolmitrailleur voorhanden gehad, waarmee naar hij wist kort tevoren op de openbare weg was geschoten.

Het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen wordt volgens de rechterlijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting in beginsel afgedaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden. Vuurwapens vormen immers een onaanvaardbaar risico en een aanzienlijke bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving. Dit risico heeft zich in deze zaak ook verwezenlijkt. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van dergelijke vuurwapens.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 oktober 2018 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Het hof acht, gelet op het voorgaande, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden passend en geboden. De door de raadsman ter zitting namens verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden maken niet dat het hof een mildere straf zal opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. K. Lahuis, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,

en op 29 november 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PLO900-20 15272375 opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 699. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van aanhouding, pagina’s 69 en 70.

3 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 617.

4 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 56.

5 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 493.

6 Een proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 331, 332 en 333.

7 Een NFI rapport van 24 mei 2016 wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in [plaats] op 5 september 2015.

8 Een proces-verbaal van verhoor [verdachte] , pagina 79.

9 een proces-verbaal van verhoor [verdachte] , pagina 134.