Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10352

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
29-11-2018
Zaaknummer
200.241.600/01 en 200.241.602/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Vader zonder gezag geen belanghebbende en ook niet als informant betrokken. Wel vragen over zijn zorgelijke invloed op de moeder als opvoeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.241.600/01 en 200.241.602/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/17/159147 / FJ RK 18-64 en C/17/159598 / FJ RK 18-155)

beschikking van 20 november 2018

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H.W. de Jong te Leeuwarden,

en

de gecertificeerde instelling

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

gevestigd te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de gecertificeerde instelling.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 maart 2018, zoals deze is hersteld bij beschikking van 27 juni 2018, uitgesproken onder eerstgenoemd zaaknummer en naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 maart 2018 uitgesproken onder laatstgenoemd zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in beide zaken blijkt uit:

- het beroepschrift met producties van de moeder betreffende de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] , ingekomen op 26 juni 2018 (zaaknummer 200.241.600/01);

- het beroepschrift met producties van de moeder betreffende de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] , ingekomen op 26 juni 2018 (zaaknummer 200.241.602/01):

- het verweerschrift met productie(s) dat in beide zaken is ingediend;

- een brief van de raad voor de kinderbescherming van 3 juli 2018 met productie(s) dat in beide zaken is ingediend.

2.2

Beide zaken zijn gezamenlijk behandeld op 6 september 2018. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat en mevrouw [B] , tolk in de Slowaakse taal (ingeschreven in het tolkenregister onder nummer [00000] ). Namens de GI zijn verschenen mr. [C] en de heer [D] , jeugdbeschermer. Hoewel ook de raad voor de kinderbescherming is uitgenodigd voor de zitting, is er geen vertegenwoordiger verschenen.

2.3

Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft het hof medegedeeld dat het hof twee faxbrieven heeft ontvangen van mr. I.K. Oosterveen, de advocaat van de heer [E] (hierna de vader) met het verzoek om hem als belanghebbende dan wel als informant in de procedure te betrekken. Daarbij heeft het hof aangegeven dat de vader geen belanghebbende is en dat het hof geen aanleiding heeft gezien om hem als informant aan te merken. Voorts is medegedeeld dat mocht de mondelinge behandeling reden zijn voor een andere beslissing op dat punt, partijen hierover nader bericht zullen ontvangen.

2.4

Mr. Marijs heeft tijdens de mondelinge behandeling het woord gevoerd mede aan de hand van een pleitnota. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft mr. De Jong met instemming van het hof nog overgelegd een exemplaar van de beschikking van 28 maart 2018 betreffende de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] , zoals deze is hersteld bij beschikking van 27 juni 2018.

3 De feiten

3.1

Uit de relatie tussen de moeder en de vader zijn geboren [de minderjarige1] [in] 2016 (hierna: [de minderjarige1] ) en [de minderjarige2] [in] 2017 (hierna: [de minderjarige2] ). De moeder is belast met het gezag over beide kinderen. De vader heeft de kinderen op 2 mei 2018 erkend.

3.2

Na een voorlopige ondertoezichtstelling van drie maanden met ingang van 31 januari 2017, heeft de kinderrechter bij beschikking van 12 april 2017 [de minderjarige1] onder toezicht gesteld voor de termijn van een jaar, tot 12 april 2018. [de minderjarige1] is op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing op 31 januari 2017 geplaatst in een pleeggezin, welke plaatsing tot 18 april 2017 heeft geduurd.

3.3

Bij beschikking van 2 februari 2018 heeft de kinderrechter ook [de minderjarige2] onder toezicht gesteld, en wel tot 12 april 2018.

3.4

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikkingen van 28 maart 2018 heeft de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verlengd tot 12 april 2019.

3.5

De moeder is op 18 april 2017 met beide kinderen gaan wonen in een instelling van [F] In augustus 2018 is de moeder met de kinderen gaan wonen in een eengezinswoning van Stichting [G] in [H] binnen een van de trajectlocaties gericht op moeder/kind.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is telkens met een grief in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 28 maart 2018. Zij bestrijdt in hoger beroep in beide zaken dat is voldaan aan de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij verzoekt zowel ten aanzien van [de minderjarige1] als ten aanzien van [de minderjarige2] de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen.

4.2

De GI voert verweer en verzoekt, kort gezegd, bekrachtiging van beide beschikkingen waarvan beroep.

4.3

Het hof zal hierna eerst de positie van de vader in de procedure bespreken en daarna de beide grieven van de moeder, gelet op de samenhang van de zaken, gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

* de positie van de vader

5.1

Bij faxbrief van 5 september 2018 heeft mr. Oosterveen zich in de procedure gesteld namens de heer [E] , de vader van de kinderen, en daarbij aangekondigd dat zij ter zitting zal verschijnen. Na ontvangst van deze faxbrief heeft het hof mr. I.K. Oosterveen telefonisch bericht dat de heer [E] niet als belanghebbende is aangemerkt en dat hij om die reden niet in de procedure is betrokken. Daarop heeft mr. Oosterveen in een tweede faxbrief van 5 september 2018 het hof laten weten dat de heer [E] niet alleen de biologische vader is van de kinderen maar door erkenning ook de juridische vader is van de kinderen. Zij heeft voorts aangegeven dat zij en de vader niet ter zitting zullen verschijnen maar heeft wel verzocht om de vader alsnog in de gelegenheid te stellen om zijn mening kenbaar te maken.

5.2

Het hof stelt met betrekking tot dit verzoek voorop dat de vader weliswaar de biologische en de juridische vader is van de kinderen maar niet (mede) het gezag over de kinderen uitoefent. De ouder zonder gezag is in een procedure tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling geen belanghebbende. De ondertoezichtstelling beperkt immers het gezag over de kinderen en heeft alleen rechtstreeks betrekking op de uit het ouderlijk gezag voortvloeiende rechten en verplichtingen. De vader heeft geen gezag en wordt dan ook niet rechtstreeks geraakt in zijn rechten en verplichtingen in de zin van artikel 798 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. Ook zijn er geen bijzondere feiten en omstandigheden gesteld en/of gebleken die, mede bezien in het licht van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, meebrengen dat de vader anderszins rechtstreeks wordt geraakt in zijn rechten en verplichtingen. De vader is om die reden niet (alsnog) aangemerkt als belanghebbende. Verder heeft het hof geen aanleiding gezien om de vader van de kinderen (alsnog) als informant aan te merken in deze procedure. Deze beslissing zal in een afzonderlijke brief aan mr. Oosterveen worden medegedeeld.

* de verlenging van de ondertoezichtstelling

5.3

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.4

De moeder kan zich niet verenigen met de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Zij wijst er op dat de ondertoezichtstelling heeft geleid tot een positieve ontwikkeling bij haar en de kinderen. De kinderen ontwikkelen zich gestaag en profiteren van de inzet van de moeder en de vooruitgang die zij maakt. De moeder meent dat een ondertoezichtstelling niet langer nodig is waarbij zij ook wijst op de beperkingen die een ondertoezichtstelling meebrengt bij het opbouwen van een eigen leven.

5.5

De GI erkent dat de moeder positieve stappen heeft gezet maar stelt dat verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om een goede ontwikkeling voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te waarborgen. De GI acht het nodig dat het recent ingezette Ouder & Kind-traject bij [G] binnen het kader van de ondertoezichtstelling wordt afgerond en dat er meer zicht komt op de opvoedingsvaardigheden van de moeder en de ontwikkeling van de kinderen.

5.6

Aan het hof ligt voor of de gronden voor (verlenging van de) ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn. Het hof beantwoordt deze vraag, met de rechtbank, bevestigend. Gelet op wat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] van hun opvoeder(s) nodig hebben en wat de moeder op dit moment als opvoeder kan bieden, acht het hof deskundige en professionele ondersteuning van de moeder bij de verzorging en opvoeding van beide kinderen noodzakelijk. Het hof acht het eveneens noodzakelijk dat deze ondersteuning dient te gebeuren binnen het (verplichte) kader van een ondertoezichtstelling.

5.7

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat beide kinderen, en [de minderjarige1] in het bijzonder, in hun jonge leven al veel hebben meegemaakt. Hun opvoedingsomgeving is bedreigend en onveilig geweest doordat sprake is geweest van (verbaal) geweld tussen de moeder en de vader waarvan [de minderjarige1] getuige is geweest. Daarnaast is [de minderjarige1] op 31 januari 2017 in een pleeggezin geplaatst voordat hij op 18 april 2017 met de moeder is verhuisd van [I] naar [A] . Bij [de minderjarige1] is sprake is van een vertraagde ontwikkeling op verschillende gebieden en er zijn aanwijzingen voor een verstoorde hechting. [de minderjarige1] vraagt hierdoor extra opvoedingsvaardigheden van zijn opvoeder(s). Beide kinderen zijn nog zeer jong en daardoor kwetsbaar. Zij zijn voor hun verzorging en opvoeding volledig afhankelijk van hun opvoeder(s).

5.8

Vast staat dat de moeder zelf een belast verleden kent waarbij sprake is geweest van traumatische ervaringen en emotionele en fysieke verwaarlozing. Zij heeft weinig goede voorbeelden gehad waar het gaat om het geven van veiligheid en een positieve opvoeding als ouder en zij moet dit met professionele opvoedingsondersteuning alsnog leren. Complicerende factor is dat bij de moeder sprake is van een licht verstandelijke beperking zo is uit een kort psychologisch onderzoek in februari 2018 gebleken. De moeder heeft deze uitkomst betwist en heeft gewezen op de omstandigheid dat de test in het Nederlands en niet in het Slowaaks, haar moedertaal, is afgenomen en gesteld dat daardoor de resultaten negatief beïnvloed zijn. Het hof wil enige negatieve invloed wel aannemen maar heeft ook geconstateerd dat de uitkomsten van het onderzoek in de kern aansluiten bij de klinische bevindingen van medewerkers van [F] . Deze medewerkers hebben bij de (intensieve) ondersteuning en begeleiding van de moeder bij de verzorging en opvoeding van de kinderen gezien dat de moeder (sturende) instructies goed oppakt maar moeite heeft om die instructies vast te houden, zich eigen te maken en toe te passen in vergelijkbare situaties. De moeder is verder beperkt leerbaar gebleken in het herkennen en aanvoelen wat de kinderen nodig hebben en heeft moeite om daarop zelfstandig af te stemmen. Moeder zal daarbij vooralsnog hulp nodig blijven houden, zeker wanneer de kinderen een nieuwe ontwikkelingsfase ingaan.

5.9

Positief is dat de moeder tijdens de ondertoezichtstelling heeft laten zien dat zij gemotiveerd is en dat zij zich wil inzetten om een goede opvoedingssituatie voor de kinderen tot stand te brengen. Onduidelijk is echter of de moeder, ondanks haar goede bedoelingen, in staat zal zijn dit vast te houden waarbij de zorgen hierover vergroot worden door de onduidelijke positie van de vader en zijn invloed op de moeder. Er zijn ernstige twijfels over de evenwichtigheid van de relatie tussen de ouders en de weerbaarheid van de moeder mede gezien haar belaste verleden en haar verstandelijke beperking. De moeder lijkt eenvoudig te beïnvloeden door de vader die op dit moment nagenoeg haar enige sociale netwerk vormt. Daarnaast is er aan de zijde van de vader een aantal risicofactoren naar voren gekomen, zoals de politieregistraties met betrekking tot prostitutie, loverboypraktijken, drugshandel en een zedendelict terwijl er ook meldingen zijn van mishandeling en geweld (jegens de moeder). Deze risicofactoren vormen een ernstige bedreiging voor een stabiele en veilige verzorgings- en opvoedingssituatie van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De GI heeft tevergeefs geprobeerd om meer zicht te krijgen op de persoonlijke situatie van de vader maar deze heeft daarover geen informatie willen verstrekken. Ook de systeemgesprekken met de GI, die mede bedoeld waren om de (dynamiek van de) partnerrelatie in beeld te krijgen, zijn onvoldoende van de grond gekomen onder meer door het niet nakomen van de afspraken door de vader. Tegen deze achtergrond acht het hof de wens van de moeder om de vader meer te betrekken in het leven van haar en de kinderen zorgelijk. Onduidelijk is of de moeder in staat zal zijn om bij het maken van keuzes in relatie tot de vader het belang van de kinderen voorop te (blijven) stellen.

5.10

Tot slot staat vast dat de moeder met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vrij recent vanuit een instelling bij Fier is overgegaan naar een Ouder & Kind-traject van [G] in [H] waar de training, begeleiding en behandeling van de moeder naar goed genoeg ouderschap wordt voortgezet. De moeder woont hier (meer) zelfstandig en krijgt minder intensieve begeleiding maar nog wel extra opvoedkundige ondersteuning in de vorm van thuishulp plus. Verder wordt gekeken naar de mogelijkheden voor een kinderspeelzaal voor de kinderen en een vorm van weekendopvang, ook om de moeder te ontlasten. Dit traject heeft mede tot doel om te kijken of de moeder (op termijn) goed genoeg in staat is om de verzorging en opvoeding van de kinderen zelf weer volledig ter hand te nemen. Hierover dient meer duidelijkheid te komen voordat de ondertoezichtstelling beëindigd kan worden.

5.11

Alles in ogenschouw nemende is het hof van oordeel dat nog altijd sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , zoals de rechtbank deze in de afzonderlijke beschikkingen van 28 maart 2018 heeft beschreven. Ook is het hof van oordeel dat de zorg die nodig is om die bedreiging weg te nemen door de moeder (in het vrijwillig kader) niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Het hof overweegt in dat verband dat de moeder enerzijds aangeeft dat zij de begeleiding van [G] als prettig ervaart en daarom wil behouden, maar anderzijds dat zij vrij wil zijn om haar leven (met de vader) verder vorm te geven. Het hof benadrukt nogmaals dat de moeder positieve stappen heeft gezet voor zichzelf en de kinderen maar dit is onvoldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen is weggenomen. Het hof acht professionele en deskundige hulp voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een gedwongen kader nog altijd dringend geboden.

6. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikkingen bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

* in de zaak onder nummer 200.241.600/01

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 maart 2018 zoals deze is hersteld bij beschikking van 27 juni 2018;

* in de zaak onder nummer 200.241.602/01

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 28 maart 2018.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.M. Dölle, mr. J.G. Idsardi en mr. C. Koopman, bijgestaan door mr. J. Robben als griffier, en is op 20 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.