Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10350

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
21-000577-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:239
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft vastgesteld dat verdachte het slachtoffer met kracht en gebalde vuist in het gezicht heeft gestompt, waardoor het slachtoffer met zijn (achter)hoofd op het wegdek is gevallen. Het slachtoffer heeft hierbij zodanig letsel opgelopen dat hij kort erna is overleden.

Vrijspraak van de primair ten laste gelegde zware mishandeling, de dood ten gevolge. De feitelijke handeling van verdachte van het hard met de vuist in het gezicht stompen, is op zichzelf geen handeling die zonder meer gericht is op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel. Het hof is gelet op de aard van de handeling en de omstandigheden waaronder verdachte stompte van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting onvoldoende is vast te stellen dat verdachte met het toedienen van de weliswaar harde, maar enkele vuistslag in het gelaat van het slachtoffer zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het ten laste gelegde zwaar lichamelijke letsel aan het hoofd van het slachtoffer zou optreden. Van aanwezige, bijzondere omstandigheden tijdens het enkel met de vuist hard stompen in het gezicht van het slachtoffer is niet gebleken. Geen bewijs voor opzet op zwaar lichamelijk letsel.

Veroordeling voor de subsidiair ten laste gelegde mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft. Het hof verwerpt het beroep op putatief noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000577-15

Uitspraak d.d.: 28 november 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 23 januari 2015 met parketnummer 18-830144-14 in de strafzaak tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

wonende [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 28 maart 2017 en 14 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en verdachte ter zake van het onder

1. primair en 2 primair tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf van

24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij

[benadeelde 1] gedeeltelijk zal worden toegewezen tot een bedrag van £ 210,30, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De schriftelijke vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. M.E. Olthof, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.

De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een (vanuit Britste ponden omgerekend) bedrag van € 269,45, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank heeft geen beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] .

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 7 april 2014 te [plaats 1] , aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten meerdere breuken van het schedeldak en/of de schedelbasis en/of diverse hersenkneuzingen in elk geval een zeer ernstig schedel-hersentrauma, waardoor herseninklemming en/of longoedeem is opgetreden) heeft toegebracht, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk:

- met kracht met gebalde vuist in en/of tegen het gezicht en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] geslagen en/of gestompt en/of

- met kracht op en/of tegen het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer 1] gestoten en/of geduwd, waardoor die [slachtoffer 1] met zijn (achter)hoofd op het wegdek is gevallen,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 7 april 2014 te [plaats 1] , opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 1] ) heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte:

- ( met kracht en/of met gebalde vuist) in en/of tegen het gezicht en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] geslagen en/of gestompt en/of

- ( met kracht) op en/of tegen het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer 1] gestoten en/of geduwd, waardoor die [slachtoffer 1] met zijn (achter)hoofd op het wegdek is gevallen, ten gevolge waarvan deze [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen (te weten meerdere breuken van het schedeldak en/of de schedelbasis en/of diverse hersenkneuzingen in elk geval een zeer ernstig schedel-hersentrauma, waardoor herseninklemming en/of longoedeem is opgetreden),

ten gevolge waarvan deze [slachtoffer 1] is overleden;

2 primair:

hij op of omstreeks 2 maart 2014 te [plaats 1] , met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten [straat] aldaar, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , welk geweld bestond uit het:

- ( meermalen) slaan en/of stompen in en/of tegen het gezicht en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of

- het schoppen en/of trappen en/of duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] op de grond is gevallen);

2 subsidiair:
hij op of omstreeks 2 maart 2014 te [plaats 1] , opzettelijk een (aantal) perso(o)n(en) (te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, (meermalen) in en/of tegen het gezicht en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] geslagen en/of gestompt,

waardoor deze [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Beoordeling van het onder 1 tenlastegelegde

Vastelling feiten incident 7 april 2014

Standpunt verdachte

Verdachte heeft het onder 1 ten laste gelegde handelen ontkend. Hij heeft ter terechtzitting van het hof van 14 november 2018 verklaard dat het slachtoffer, toen zij elkaar op straat tegenkwamen, tegen hem zei “you don’t know me” en “I kill you”, waarna het slachtoffer de dozen die hij bij zich droeg van twee handen in één hand overnam, zijn hand in zijn jaszak stak en een stap naar voren zette. Gezien deze omstandigheden dacht verdachte dat het slachtoffer hem iets wilde aandoen, bijvoorbeeld met een mes. Verdachte heeft zich niet bedacht en heeft het slachtoffer een enkele duw met beide handen gegeven, waarbij hij met één hand de borst en met één hand het gezicht van het slachtoffer heeft geraakt. Na deze duw is het slachtoffer achterover gevallen op zijn hoofd, aldus verdachte.

Getuige [getuige 1]

Uit de verklaring van getuige [getuige 1] blijkt een andere lezing van de feiten van het incident op 7 april 2014. [getuige 1] heeft verklaard te hebben gezien dat hij een man (het hof begrijpt: verdachte) zag uithalen en dat hij zag dat de man de andere man (het hof begrijpt: het slachtoffer) met kracht met zijn gebalde rechtervuist sloeg. [getuige 1] zag dat de man de andere man raakte op zijn linker kaak. [getuige 1] hoorde een harde klap. De andere man viel steil achterover. [getuige 1] heeft verklaard dat de andere man de dozen, die hij bij zich droeg, met beide handen vasthield.1

Het hof gaat voor de lezing van de feiten uit van de verklaringen van getuige [getuige 1] . Deze getuige betreft een objectieve buitenstaander, die op korte afstand van het incident stond en aldus zijn verklaring goed zicht had op de handelingen van verdachte. De verklaringen van [getuige 1] zijn bovendien concreet en feitelijk van inhoud. Het hof overweegt dat uit de verklaringen van [getuige 1] eveneens blijkt dat hij zijn eigen beperkingen kent en voorbehouden maakt, waardoor het hof zijn verklaringen als authentiek en afgewogen beoordeelt.

[getuige 1] heeft onder meer direct na het ten laste gelegde incident met de politie gesproken en is ongeveer een uur nadien (uitgebreid) gehoord door de politie. Tegenover de rechter-commissaris heeft hij onder meer verklaard dat hij bij die verklaringen blijft. Van meet af aan heeft [getuige 1] verklaard dat hij zag dat – kort gezegd – verdachte het slachtoffer een klap/vuistslag links in het gezicht gaf. Het hof is van oordeel dat sprake is van betrouwbaar bewijs.

Getuige [getuige 2]

Het hof overweegt dat de verklaringen van [getuige 1] bovendien worden ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 2] , eveneens een objectieve derde. [getuige 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij een stem (het hof begrijpt: de stem van verdachte) hoorde zeggen “wat doe je nou, ik heb twee meisjes bij mij”. Daarna hoorde [getuige 2] een klap en zag zij dat er iemand viel met zijn hoofd op het fietspad. Zij heeft geen spullen horen of zien vallen. [getuige 2] heeft verklaard dat de klap klonk als iemand die in het gezicht werd geslagen. Vervolgens zag zij hem (het hof begrijpt: het slachtoffer) liggen. [getuige 2] heeft verklaard dat hij viel als een plank, op zijn hoofd.2

Deskundigenbewijs

Voorts wordt de verklaring van [getuige 1] ondersteund door het rapport van dr. B. Kubat van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ d.d. 13 augustus 2014 (hierna: het NFI-rapport). Uit dit rapport blijkt dat er bij de sectie tekenen waren van bij leven opgetreden inwerking van uitwendig mechanisch stomp en deels mogelijk kantig botsend geweld links op het gelaat.3 De aard en locatie van voornoemde tekenen sluiten aan bij de verklaring van [getuige 1] dat verdachte het slachtoffer op de linker kaak heeft geslagen.

Het hof overweegt tot slot dat de verklaring van verdachte over het ten laste gelegde incident op 7 april 2014 geen ondersteuning vindt in het dossier.

Opzet

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van het ten laste gelegde zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het ten laste gelegde zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip "aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.4

Uit het NFI-rapport volgt dat de zeer uitgebreide breuken van de schedel en de schedelbasis en de uitgebreide hersenbeschadiging die bij het slachtoffer zijn geconstateerd, passen bij inwerking van grote krachten op deze structuren, die niet verklaarbaar zijn door een ‘banale val’, bijvoorbeeld ten gevolge van een onwelwording. Dusdanig uitgebreide beschadigingen passen ook niet zonder meer bij een ‘versnelde val’ op een vlakke, harde ondergrond, zoals dit onder meer het geval is bij een slag in het gelaat en een daarop volgende val achterover tegen een harde ondergrond (bijvoorbeeld het wegdek). De mate van beschadiging van zowel de schedelbeenderen als de hersenen is dusdanig dat aangenomen moet worden dat er nog meerdere en andersoortige hevige geweldsinwerkingen betrokken waren om al deze letsels te laten ontstaan, zoals bijvoorbeeld een stevige slag in het gelaat, een val op een uitstekende structuur, bijvoorbeeld een stoeprand of een combinatie van deze twee. Verder zal de omvang van de letsels mogelijk ten nadele zijn beïnvloed doordat het slachtoffer zich mogelijk niet heeft opgevangen of niet heeft kunnen opvangen tijdens de val omdat hij kisten droeg, waardoor de val geheel ongeremd was.

Voorts heeft de deskundige dr. Kubat ter terechtzitting van het hof op 14 november 2018 verklaard dat (een onderdeel van) het aangetroffen letsel achter op het hoofd, te weten een huidverscheuring, past bij een val op een uitstekende structuur, zoals een stoeprand, een steentje of een ander uitstekend voorwerp op de weg. Voornoemde huidverscheuring valt niet te verwachten bij alleen een versnelde val op het wegdek. Dr. Kubat heeft ten slotte uitgelegd dat ook de breuken aan de voorzijde van het hoofd niet zijn veroorzaakt door de door verdachte toegebrachte klap links in het gezicht, maar dat die breuken zijn veroorzaakt door de kracht waarmee het achterhoofd van het slachtoffer met het wegdek in aanraking is gekomen.

Op grond van het voorgaande is duidelijk dat er en wat het verband is tussen het stompen door verdachte van het slachtoffer en het zwaar lichamelijk letsel dat tot de dood van het slachtoffer leidde.

De feitelijke handeling van verdachte van het hard met de vuist in het gezicht stompen, is op zichzelf geen handeling die zonder meer gericht is op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel. Het hof is gelet op de aard van de handeling en de omstandigheden waaronder verdachte stompte van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting onvoldoende is vast te stellen dat verdachte met het toedienen van de weliswaar harde, maar enkele vuistslag in het gelaat van het slachtoffer zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het ten laste gelegde zwaar lichamelijke letsel aan het hoofd van het slachtoffer zou optreden. Van aanwezige, bijzondere omstandigheden tijdens het enkel met de vuist hard stompen in het gezicht van het slachtoffer is niet gebleken. Om die reden komt het hof dan ook niet tot een ander oordeel.

Dit alles maakt dat voor opzet op zwaar lichamelijk letsel geen bewijs bestaat en dat verdachte van het primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde

Het hof is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen - zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen - van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, de dood ten gevolge. Verdachte heeft het slachtoffer met kracht en gebalde vuist in het gezicht gestompt, ten gevolge waarvan het slachtoffer achterover is gevallen, met zijn hoofd op het wegdek. Bij deze val heeft het slachtoffer een zeer ernstig schedelhersentrauma opgelopen, hetgeen heeft geleid tot herseninklemming, ten gevolge waarvan, al dan niet in combinatie met het (eveneens daardoor opgetreden) longoedeem, het slachtoffer is overleden.

Putatief noodweer

De verdachte heeft een beroep gedaan op putatief noodweer zoals hierboven is weergegeven in de verklaring van verdachte, opgenomen onder de vaststelling van de feiten. De verdachte heeft daarmee de wederrechtelijkheid van zijn handelen betwist.

Het hof overweegt daarover het volgende.

Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ‘ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding’. Van een ‘ogenblikkelijke’ aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.5

Het hof verwerpt het verweer. Het hof gaat uit van een andere feitenvaststelling dan de feiten waarop verdachte zich bij zijn beroep op putatief noodweer baseert, zoals in het voorgaande uiteen gezet. Uit de gedetailleerde verklaringen van getuige [getuige 1] blijkt dat het slachtoffer de dozen die hij bij zich droeg, met beide handen vasthield, verdachte over de dozen heen sloeg en dat vanuit het slachtoffer geen enkele activiteit zichtbaar was toen hij tegenover verdachte stond. Voor de door verdachte gestelde beweging en de wijze waarop de dozen werden gedragen – waarover verdachte overigens wisselend heeft verklaard - bestaat geen enkele ondersteuning in het dossier. Het hof acht het niet aannemelijk dat het slachtoffer een van zijn handen in zijn jaszak stak of zulks probeerde om een mes of ander voorwerp uit die jaszak te halen, zoals verdachte heeft verklaard. Het hof is daarom van oordeel dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke aanranding of onmiddellijke dreiging daarvan waartegen verdachte zich moest verdedigen. Evenmin is sprake van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte in die zin dat hij kon en redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan, omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Het hof overweegt dat de hierboven als aannemelijk aangeduide feiten en omstandigheden een andere feitelijke situatie is dan die waar verdachte zich op beroept en in die zin niet een situatie van verontschuldigbare dwaling als hierboven beschreven kan opleveren. Het verweer van verdachte wordt reeds op die grond verworpen.

Het hof concludeert dat verdachte wederrechtelijk heeft gehandeld door het slachtoffer met zijn vuist in het gezicht te stompen.

Beoordeling van het onder 2 tenlastegelegde

De verdediging heeft geen afzonderlijke verweren gevoerd op de bewezenverklaring en de kwalificatie van het onder 2 ten laste gelegde feit en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof is van oordeel dat op grond van gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden zoals hieronder in de bewezenverklaring is opgenomen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. subsidiair:
hij op 7 april 2014 te [plaats 1] , opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 1] ) heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte:

- met kracht en met gebalde vuist in het gezicht van die [slachtoffer 1] gestompt,

waardoor die [slachtoffer 1] met zijn (achter)hoofd op het wegdek is gevallen, ten gevolge waarvan deze [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen (te weten meerdere breuken van het schedeldak en de schedelbasis en diverse hersenkneuzingen, waardoor herseninklemming en longoedeem is opgetreden), ten gevolge waarvan deze [slachtoffer 1] is overleden;

2 primair:

hij op 2 maart 2014 te [plaats 1] , met een ander, op de openbare weg, te weten [straat] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , welk geweld bestond uit het

- meermalen slaan en/of stompen in en/of tegen het gezicht en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en

- het schoppen en/of trappen en/of duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] op de grond is gevallen).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De verdediging heeft – mocht het hof ondanks de verweren van de verdediging tot een strafoplegging komen – verzocht om aan verdachte hoogstens een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, een taakstraf van aanzienlijke duur en eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De verdediging heeft het hof daarbij verzocht om rekening te houden met de omstandigheden waaronder verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd, de omstandigheid dat het nooit verdachtes bedoeling is geweest om het slachtoffer [slachtoffer 1] te doden, de omstandigheid dat de psycholoog en de reclassering - kort gezegd - positief over verdachte hebben gerapporteerd en, tot slot, met de omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden.

Het hof oordeelt als volgt.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] onverhoeds en met kracht in het gezicht gestompt, waardoor die [slachtoffer 1] steil achterover is gevallen en kort erna aan zijn verwondingen is overleden. Als gevolg van het stompen van verdachte is het meest waardevolle bezit van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te weten zijn leven, hem ontnomen. Door de plotselinge en gewelddadige dood is onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden. Het handelen van verdachte betrof een ernstige geweldsuitoefening zonder enige begrijpelijke aanleiding daartoe. Het slachtoffer stond niet meer dan zonder agressieve houding, met een aantal dozen in zijn handen, tegenover verdachte. Een getuige omschrijft het geweld van verdachte als eenrichtingsverkeer. Het hof overweegt dat verdachte, op het moment dat hij werd aangesproken door het slachtoffer de confrontatie met het slachtoffer is aangegaan, terwijl verdachte probleemloos had kunnen doorlopen. Hoewel verdachte geen opzet had om het slachtoffer van zijn leven te beroven, is de dood van het slachtoffer wel het gevolg geweest van het zonder meer agressieve handelen van verdachte.

Daarnaast heeft verdachte zich een maand eerder ook schuldig gemaakt aan een geweldsincident, door zonder enige noodzaak mee te doen aan een op straat ontstane vechtpartij. Het hof leidt daaruit af dat verdachte snel geneigd is om geweld te gebruiken. Ook dit betreft een ernstig incident, waarbij verdachte samen met een ander inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers [slachtoffer 2] en

[slachtoffer 3] .

Dergelijke ernstige feiten veroorzaken veel onrust en roepen gevoelens van onveiligheid op in de maatschappij, waarop - en daarbij legt met name het eerste feit groot gewicht in de schaal - niet anders kan worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof overweegt dat verdachte ter terechtzitting van het hof op 14 november 2018 zijn verantwoordelijkheid heeft genomen voor de dood van het slachtoffer [slachtoffer 1] . Het hof heeft gemerkt dat de dood van het slachtoffer indruk op verdachte heeft gemaakt en nog steeds maakt. Het hof overweegt evenzeer dat verdachte daarentegen geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor de omstandigheid dat hij in het voorjaar van 2014 in korte tijd betrokken is geweest bij meerdere geweldsincidenten. De 'het overkomt mij allemaal' houding van verdachte geeft geen blijk van inzicht in zijn eigen rol en aandeel bij de feiten.

Het hof stelt vast dat verdachte in het verleden niet voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld en dat niet is gebleken dat verdachte sinds 7 april 2014 opnieuw betrokken is geweest bij geweldsincidenten.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat de gevangenisstraf die de rechtbank aan verdachte heeft opgelegd in beginsel passend en geboden is. De omstandigheid dat het hof ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit tot een andere bewezenverklaring - en daarmee tot een andere juridische kwalificatie - komt dan de rechtbank, vormt geen aanleiding voor het hof om een lagere straf aan verdachte op te leggen.

Echter, het hof stelt vast dat in onderhavige strafzaak de redelijke termijn is overschreden, omdat de behandeling in tweede aanleg langer dan twee jaar in beslag heeft genomen sinds het instellen van hoger beroep en omdat de totale behandeling in eerste en tweede aanleg langer dan vier jaren heeft geduurd. Verdachte is op 9 april 2014 in verzekering gesteld, terwijl het onderzoek ter terechtzitting bij het hof op 14 november 2018 is gesloten en dit arrest op 28 november 2018 wordt uitgesproken. Aldus is de redelijke termijn met bijna

8 maanden overschreden, zonder dat dit in overwegende mate te wijten is aan verdachte en de verdediging. Het hof is van oordeel dat verdachte hiervoor gecompenseerd dient te worden in de strafoplegging. Om die reden zal het hof aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt £ 540,30. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van £ 210,30, omgerekend

€ 269,45, bestaande uit materiële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden voor het deel van de vordering dat niet kan worden aangemerkt als rechtstreekse schade voortvloeiende uit het bewezen verklaarde handelen van verdachte.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële (gevolg)schade heeft geleden, te weten de reiskosten die de benadeelde partij kort na het overlijden van het slachtoffer, op 9 april 2014 en 11 april 2014, heeft moeten maken voor de boottocht van [plaats 2] naar [plaats 3] en van [plaats 3] naar [plaats 2] . Dit betreft een bedrag van £ 90,30. Het hof is van oordeel dat deze kosten verband houden met de begrafeniskosten in verband met het overlijden van het slachtoffer. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen.

Het hof overweegt dat de reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor vliegtickets tussen [plaats 4] en [plaats 5] op 7 januari 2015 en 10 januari 2015 verband houden met het bijwonen van de zitting van de rechtbank op 9 januari 2015. Om die reden is het hof van oordeel dat deze kosten niet aangemerkt kunnen worden als rechtstreekse materiële schade, maar dienen te worden beschouwd als proceskosten van de benadeelde partij.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding (de proceskosten) door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op £ 120,00 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Het hof heeft voornoemde bedragen in Britse ponden omgerekend volgens de wisselkoers die gold op de dag van de zitting van de rechtbank, zijnde 9 januari 2015. De rechtstreekse materiële schade wordt daarmee vastgesteld op € 115,59. De proceskosten worden omgerekend vastgesteld op € 153,61.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Het dossier bevat een vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] . Deze vordering van 31 maart 2014 bedraagt € 190,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank heeft geen beslissing genomen op voornoemde vordering. Aangezien de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd, is de vordering in hoger beroep niet aan de orde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63, 141 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en

2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 115,59 (honderdvijftien euro en negenenvijftig cent) ter zake van materiële schade.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

153,61 (honderddrieënvijftig euro en eenenzestig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 115,59 (honderdvijftien euro en negenenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

2 (twee) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. J.G. Idsardi, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.B. Haak, griffier,

en op 28 november 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Politiedossier met procesverbaalnummer 2014037894, een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 april 2014 inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1] , afgelegd op 7 april 2014 om 22:50 uur, p. 64-65.

2 Getuigenverklaring [getuige 2] , afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 17-09-2014, p. 2.

3 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ d.d. 13 augustus 2014, p. 5.

4 Hoge Raad 25 maart 2003, ECLI:HR:2003:AE9049 en Hoge Raad 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718.

5 Hoge Raad 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, r.o. 3.4.