Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10309

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
29-11-2018
Zaaknummer
200.211.060/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Lidmaatschap vereniging. Artikel 3:35 BW. Contributiebetaling. Betrokkene heeft zich gedragen als lid en wel zodanig dat hij tegenover vereniging geen beroep kan doen op het ontbreken van de wil lid te zijn. De gedragingen betreffen een betaling aan de vereniging ten behoeve van de oprichting en werkzaamheden ervan, deelname aan de stemming op een ledenvergadering en het woord voeren op een andere ledenvergadering. In geen enkel geval heeft betrokkene kenbaar gemaakt te handelen in een andere hoedanigheid dan die van lid. Veroordeling tot betaling van contributie tot datum opzegging lidmaatschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/21
NJF 2019/151
JONDR 2019/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.211.060/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5160782\ CV EXPL 16-6941)

arrest van 27 november 2018

in de zaak van

[appellant] h.o.d.n. Tandheelkundig Centrum Sneek,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H.C. Post, kantoorhoudend te Assen,

tegen

Coöperatieve Tandartsenspoedzorg Fryslân U.A.,

gevestigd te Sneek,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: de Coöperatie,

advocaat: mr. R. Glas, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 10 april 2018 hier over. Ter uitvoering daarvan is op 2 november 2018 een comparitie van partijen gehouden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd op basis van het voordien door [appellant] overgelegde procesdossier.

1.2

[appellant] heeft in hoger beroep gevorderd het vonnis waarvan beroep te vernietigen en alsnog de vordering van de Coöperatie af te wijzen, met veroordeling van de Coöperatie in de kosten van beide instanties, vermeerderd met wettelijke rente.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.22. van het bestreden vonnis voor zover in hoger

beroep van belang en aangevuld met wat in hoger beroep overigens nog is komen vast te staan.

2.2

Tandartsen zijn op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) verplicht de bereikbaarheid en beschikbaarheid van tandartsen voor het verlenen van spoedeisende tandheelkundige hulp buiten de normale praktijkuren te waarborgen. De Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Tandheelkunde (NMT) heeft hiertoe de NMT-praktijkrichtlijn "Opvang tandheelkundige spoedgevallen buiten praktijkuren" opgesteld.

2.3

De beroepsorganisatie beveelt aan om afspraken tussen tandartsen vast te leggen in een reglement. De tandartsen die zijn gevestigd in Sneek, IJlst, Heeg en Mantgum hebben hiertoe een samenwerkingsovereenkomst gesloten en een praktijkreglement opgesteld. Dit samenwerkingsverband wordt "KST" of "Kring Sneek" genoemd.

2.4

Vanaf 2011 is in de vergaderingen van Kring Sneek gesproken over een samenwerking met tandartsen van omliggende regio's om de kring te vergroten, teneinde minder diensten te hoeven draaien en een eventuele deelname van de tandartsen aan het Spoedplein. Het Spoedplein is een opzet van het Antonius Ziekenhuis in Sneek, waarin medische eerste hulp wordt gecentraliseerd.

2.5

[appellant] is op enig moment in 2013 deel gaan uitmaken van Kring Sneek. Op

14 mei 2013 heeft Kring Sneek besloten deel te nemen aan het Spoedplein. Besloten werd ook dat daartoe een rechtspersoon moest worden opgericht. [appellant] was aanwezig bij deze vergadering.

2.6

Bij brief van 31 mei 2013 is vervolgens aan alle aangesloten praktijken van Kring Sneek verzocht een bedrag van € 500,- als "startgeld" in te leggen. Dat bedrag was nodig, zo staat in die brief, om de oprichting van de Coöperatie mogelijk te maken en om die Coöperatie in staat te stellen financiële transacties aan te gaan. Op 21 juni 2013 heeft [appellant] dat bedrag betaald onder vermelding "startbedrag spoedkamer". Op

3 september 2013 is de Coöperatie opgericht.

2.7

Op 23 april 2014 zijn de leden van de Coöperatie uitgenodigd aanwezig te zijn bij de eerste algemene ledenvergadering van de Coöperatie. In de uitnodiging is vermeld:

" Coöperatieve Tandartsenspoedzorg Súdwest- Fryslân u.a .

(…)

Geachte leden,

Hierbij wordt u, praktijkhouder, uitgenodigd voor de 1e Algemene Vergadering van de Coöperatieve Tandartsenspoedzorg Súdwest-Fryslân u.a., die gehouden zal worden op dinsdag 20 mei 2014.

(…)"

2.8

In de notulen van de vergadering van 20 mei 2014 is het volgende vermeld:

"Notulen 1e algemene ledenvergadering d.d. 20 mei 2014 van de Coöperatieve Tandartsenspoedzorg Súdwest-Fryslân u.a.

Afwezig z.k.: c. [B] , c. [C] , c. [D]

Afwezig m.k; c. [E] vertegenwoordigd door c. [F] .

Aanwezig: de overige 14 praktijken

(…)

6. Financiële bijdrage per FTB

c. [F] ligt zijn standpunt m.b.t. de verdeling van de kosten per fte toe. Zijn standpunt is aan alle leden per mail voorafgaand aan de vergadering toegestuurd. c. [F] geeft aan dat hij positief staat tegenover het spoedzorgplein en dat de diensten evenredig worden verdeeld per fte. Hij is het echter oneens met het feit dat de kosten op dezelfde manier worden verdeeld. Hierdoor ontstaat z.i. een onevenredig zware last voor de grotere praktijken terwijl de kleinere praktijken een groot voordeel behalen hij het veel minder dienst doen. Na enige discussie volgt een stemming waarbij 5 leden (c. [G] , c. [H] , c. [I] , c. [J] , c. [K] ) zich uitspreken tegen het voorstel van c. [F] . Volgens de statuten, artikel 16, omgerekend naar rato Fte's, zijn dit 5 stemmen van de 24. Hiermee wordt voorlopig besloten om dit jaar de kosten te delen door 18 praktijken."

2.9

Op 16 december 2014 is de tweede algemene ledenvergadering van de Coöperatie gehouden. Daarin is vermeld:

"Afwezig z.k.; c. [C] ,

Afwezig m.k: c. [B]

Aanwezig: de overige 16 praktijken

(…)

In de vergadering van 20 mei jongstleden is door c. [F] voorgesteld de jaarlijkse bijdrage voor iedere praktijk gelijk te stellen in plaats van naar rato van fte's.

In de vergadering van 20 mei ging via stemming de meerderheid hiermee akkoord. De voorzitter vraagt nu aan de vergadering of artikel 6 lid 2, waarin deze bijdrage per lid wordt geregeld, aangepast kan worden via het huishoudelijk reglement, of dat dit vastgelegd moet worden in de statuten via de notaris.

c. [K] , c. [appellant] en c. [G] geven aan niet akkoord te gaan met gelijke kosten per praktijk, c. [K] zegt dat volgens haar 100% van de vergadering hiermee akkoord moet gaan. Dit is niet juist, zie artikel 20, lid 3 van de statuten, c. [K] stelt voor om de bijdrage per lid te regelen in verhouding tot de omzet per praktijk. Dit voorstel zal door haar verder worden uitgewerkt c. [G] wil alleen bijdragen aan de kosten van de Dokterswacht."

2.10

Bij e-mailbericht van 30 maart 2015 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het lidmaatschap van de Coöperatie.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

De Coöperatie heeft in eerste aanleg gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van € 6.436,30, vermeerderd met wettelijke handelsrente, wegens verschuldigde jaarlijkse contributie alsmede buitengerechtelijke incassokosten ad € 546,93 exclusief btw, een en ander onder veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.2

Na verweer zijdens [appellant] heeft de kantonrechter bij vonnis van 31 januari 2017 de gevorderde contributie toegewezen tot een bedrag van € 4.219,27, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat [appellant] zich zodanig heeft gedragen dat de Coöperatie aan dat gedrag het gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen ontlenen dat [appellant] lid is geworden van de Coöperatie. Het door [appellant] op 30 maart 2015 gemaakte bezwaar tegen dat lidmaatschap is als opzegging daarvan aangemerkt per 31 december 2015. Om die reden is de contributievordering toegewezen voor zover deze betrekking had op de jaren tot en met 2015. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ad € 546,93 zijn eveneens toegewezen. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

Inleiding

4.1

De kantonrechter heeft zijn oordeel dat [appellant] lid is geworden van de Coöperatie gebaseerd op een zevental feiten en omstandigheden. Tegen dat oordeel en de onderbouwing daarvan heeft [appellant] vier grieven opgeworpen. Die grieven worden hierna gezamenlijk behandeld omdat zij zich daarvoor lenen.

4.2

De vordering van de Coöperatie, zoals ingesteld bij dagvaarding, ziet ook op contributies voor de periode na 31 december 2015. De kantonrechter heeft het lidmaatschap van [appellant] echter per die datum als geëindigd aangemerkt. Tegen dat oordeel is geen (incidentele) grief gericht.

Lidmaatschap

4.3

Geen grief is gericht tegen het uitgangspunt van de kantonrechter dat [appellant] als lid van de Coöperatie moet worden aangemerkt als hij bij die vereniging de indruk heeft gewekt dat hij evenals de andere leden van Kring Sneek daartoe de wil had (rechtsoverweging 4.10 van het bestreden vonnis), daarbij kennelijk aansluiting zoekende bij artikel 3:35 BW, waarin is bepaald:

"Tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil."

Het hof zal om deze reden het uitgangspunt van de kantonrechter overnemen.

4.4

Onderzocht zal dus moeten worden, zoals de kantonrechter ook heeft gedaan, of de Coöperatie verklaringen of gedragingen van [appellant] heeft mogen opvatten zoals zij gedaan heeft.

Betaling € 500,-

4.5

Op 14 mei 2013 heeft Kring Sneek besloten tot oprichting van de Coöperatie. [appellant] was aanwezig bij die vergadering en was dus op de hoogte van dat besluit. Om het besluit te kunnen uitvoeren was geld nodig. Om die reden is de in Kring Sneek deelnemende praktijken bij brief van 31 mei 2013 gevraagd elk een bedrag van € 500,- in te leggen. Dat bedrag was nodig, zo staat in die brief, om de oprichting van de Coöperatie mogelijk te maken en om die Coöperatie in staat te stellen financiële transacties aan te gaan. [appellant] heeft het gevraagde bedrag op 21 juni 2013 betaald onder vermelding van "startgeld spoedkamer".

4.6

[appellant] heeft aangevoerd dat zijn betaling niet meer was dan een blijk van goede wil, zodat de mogelijkheden van deelname in het Spoedplein konden worden onderzocht. De betaling is echter niet van een dergelijke verklaring voorzien. Ook overigens blijkt niet dat [appellant] zijn voorbehoud ten aanzien van oprichting en lidmaatschap van een Coöperatie toen ter kennis heeft gebracht van hen die met de oprichting van de Coöperatie belast waren. Waar de fondsenwerving specifiek gericht was op de oprichting van die Coöperatie en [appellant] onvoorwaardelijk zijn bijdrage leverde met zijn betaling, kon die dan ook redelijkerwijs worden opgevat als een verklaring van [appellant] die inhield dat hij instemde met de oprichting en het daaruit voortvloeiende lidmaatschap van de Coöperatie.

Vergadering 20 mei 2014

4.7

Op 20 mei 2014 - de Coöperatie was toen inmiddels een feit - vond de eerste algemene ledenvergadering van de Coöperatie plaats. Uit de notulen van die vergadering blijkt dat [appellant] aanwezig was. Niet in geschil is namelijk dat de Coöperatie ervan uitging dat 18 praktijken lid waren. Vier met name genoemde praktijken waren, aldus de notulen, afwezig. [appellant] is niet vermeld bij die afwezigen. De overige 14 praktijken, waaronder dus die van [appellant] , waren volgens de notulen aanwezig. [appellant] heeft dat onvoldoende gemotiveerd bestreden.

4.8

Ter vergadering is in stemming gebracht het voorstel de kosten van de Coöperatie per praktijk en niet per fte om te slaan. De aanwezigen - dus ook [appellant] - hebben vervolgens deelgenomen aan de stemming. Deelname aan de stemming is voorbehouden aan de leden. Het feit dat [appellant] deelnam aan de stemming kon dan ook redelijkerwijs worden opgevat als een verklaring van [appellant] die inhield dat hij zich beschouwde als lid van de Coöperatie. Dat - en zo ja, waarom - het ter vergadering duidelijk had moeten zijn dat [appellant] niet aan de stemming heeft willen deelnemen (althans duidelijk heeft gemaakt dat hij bij gelegenheid van de stemming zijn mening gaf onder betwisting van enig lidmaatschap) is gesteld noch gebleken. Bij die constatering betrekt het hof dat ook van enige verklaring in die zin voorafgaand aan de vergadering niets is gesteld of gebleken.

4.9

[appellant] heeft nog wel aangevoerd, voor het geval zijn aanwezigheid komt vast te staan, dat de uitnodiging voor de vergadering gericht was aan praktijkhouders en dat hij om die reden slechts als praktijkhouder zijn mening kenbaar heeft gemaakt, maar dat verweer kan hem niet baten. De uitnodiging voor de vergadering, vermeldt in de kop ervan dat deze afkomstig is van de Coöperatie. Vervolgens staat daarin duidelijk dat het gaat om de eerste algemene vergadering van de Coöperatie. De aanhef is ook gericht aan "de leden". Uit het ook in de uitnodiging gebruikte woord "praktijkhouder" heeft [appellant] in het licht hiervan niet kunnen afleiden dat bedoeld was ook alle praktijkhouders-niet-leden, uit te nodigen.

Vergadering 16 december 2014

4.10

In de vergadering van de Coöperatie van 16 december 2014 kwam de kwestie van de omslag over praktijken of fte's weer aan de orde. [appellant] was aanwezig. Hij heeft toen als zijn standpunt verwoord dat hij niet akkoord ging met de omslag over de praktijken. Ook hier geldt weer dat sprake was van een algemene ledenvergadering van de Coöperatie, dat niet blijkt dat het de bedoeling was ook anderen dan leden voor die vergadering uit te nodigen en dat [appellant] niet kenbaar heeft gemaakt slechts als praktijkhouder-niet-lid een standpunt uit te dragen. De aanwezigheid, het uitdragen van zijn standpunt en het uitblijven van enig voorbehoud of protest ten aanzien van het lidmaatschap heeft de Coöperatie wederom mogen opvatten als een uiting van [appellant] , inhoudende dat hij lid wilde zijn, ook al was hij het met de besluiten over de omslagkwestie niet eens.

Conclusie

4.11

De kantonrechter heeft nog meer omstandigheden in zijn oordeelsvorming betrokken. Het hof laat die onbesproken. De hiervoor wél besproken omstandigheden zijn namelijk, in onderling verband, voldoende krachtig om het oordeel te dragen dat de Coöperatie de uitingen en overige gedragingen van [appellant] overeenkomstig de zin die de Coöperatie daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht toekennen, heeft opgevat als een door [appellant] tot de Coöperatie gerichte verklaring, inhoudende dat [appellant] lid wilde zijn. Op het ontbreken van een met die verklaring overeenstemmende wil kan [appellant] zich om die reden niet beroepen.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Coöperatie zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 716,-

- salaris advocaat € 1.138,50 (1,5 punten x tarief I à € 759,-)

Omdat het verweer van de Coöperatie in deze zaak nagenoeg identiek is aan dat in de parallelle zaak met nummer 200.211.061/01 en de behandeling ter comparitie van beide zaken gelijktijdig is geweest heeft het hof aan die comparitie in totaal 1 punt toegerekend, hetgeen per zaak een half punt oplevert.

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 31 januari 2017;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Coöperatie vastgesteld op € 716,- voor verschotten en op € 1.138,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.M. ter Berg, mr. M.W. Zandbergen en mr. H.M. Fahner en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 november 2018.