Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10304

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
21-002765-18
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2018:10303
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis van de rechtbank met uitzondering van de opgelegde straf. Het hof veroordeelt verdachte ter zake van het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs en volstaat daarbij, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de omstandigheid dat artikel 63 Sr van toepassing is, met een voorwaardelijke taakstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002765-18

Uitspraak d.d.: 26 november 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 7 maart 2018 met parketnummer 16-007417-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1961] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 november 2018 alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke taakstraf van 30 uur, met een proeftijd van 2 jaar.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman,

mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht, naar voren is gebracht. Door en namens de verdachte is een strafmaatverweer gevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 7 maart 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van besturen van een personenauto terwijl zij wist dat haar rijbewijs ongeldig was verklaard veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen, behalve voor zover het betreft de aan de verdachte opgelegde straf.

Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor het overige op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient het vonnis met de gronden te worden bevestigd.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Door en namens de verdachte is verzocht om toepassing te geven aan artikel 9a Sr, kort gezegd, omdat het ten laste gelegde in deze zaak plaatsvond op dezelfde dag en plaats als het ten laste gelegde in de zaak tegen de verdachte onder parketnummer 21-000331-18 en, in geval deze zaken onder één parketnummer zouden zijn afgedaan, aan de verdachte geen andere of hogere straf zou zijn opgelegd dan de straf die aan de verdachte is opgelegd in de zaak met parketnummer 21-000331-18.

Verdachte heeft een motorvoertuig bestuurd terwijl zij wist dat haar rijbewijs ongeldig was verklaard. Door zo te gaan rijden heeft de verdachte de wet overtreden en de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden is ter terechtzitting van het hof van 12 november 2018 voorts gebleken dat verdachte vrijwillig hulp heeft gezocht bij Reclassering Nederland, die haar heeft aangemeld bij Stichting [stichting] . Uit het voortgangsverslag toezicht d.d. 9 november 2018 volgt dat verdachte in tien maanden voor het opmaken van dit verslag van tafel en bed is gescheiden van haar echtgenoot. Verdachte woont thans bij familie en heeft onder meer een budgetbegeleider geaccepteerd. Ook is zij gemotiveerd om mee te werken aan onderzoek naar eventuele persoonlijkheidsproblematiek en behandeling daarvoor alsook aan het vinden van een zinvolle dagbesteding en een passende woonvorm.

Het hof is van oordeel dat deze recentelijk positieve ontwikkelingen zouden worden doorkruist als aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou worden opgelegd, zoals de eerste rechter heeft gedaan. Het hof acht dat onwenselijk.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat artikel 63 Sr van toepassing is vanwege de in hoger beroep gelijktijdig maar niet gevoegd behandelde zaak tegen de verdachte onder parketnummer 21-000331-18.

Het hof heeft in voornoemde omstandigheden aanleiding gezien om te volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke taakstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaar. Met oplegging van deze voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde met zich brengt dat geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 9a Sr.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. P.J. Hödl, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 26 november 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 26 november 2018.

Tegenwoordig:

mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter,

W Peute, advocaat-generaal,

mr. N.E. Versloot, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.