Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10300

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
07-12-2018
Zaaknummer
15/01588 en 16/00060
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:7538, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1666
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Is een aanvankelijk in het buitenland geregistreerde personenauto met een kilometerstand van 881 nieuw? Historische nieuwprijs. Rente, immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-12-2018
FutD 2018-3239
V-N Vandaag 2018/2705
V-N 2019/13.1.1
Viditax (FutD), 13-12-2019
NTFR 2018/2853
NLF 2018/2655 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 15/01588 en 16/00060

uitspraakdatum: 27 november 2018

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

en van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Enschede (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 december 2015, nummer AWB 13/8205, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur

en

de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming; hierna: de Staat)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft voor het tijdvak juni 2013 € 89.061 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) op aangifte voldaan.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de voldoening op aangifte ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, het bedrag aan verschuldigde BPM verminderd tot € 88.997, de Staat veroordeeld tot het vergoeden van de door belanghebbende geleden schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 500, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.225 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

1.4.

Belanghebbende en de Inspecteur hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Over en weer hebben zij een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende en de Inspecteur hebben voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend, welke stukken telkens – door tussenkomst van de griffier – in afschrift aan de wederpartij zijn verstrekt.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2018. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat op 22 oktober 2018 aangetekend aan partijen is verzonden.

2. Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende handelt in auto’s van verschillende, (overwegend) exclusieve merken. Zij is geen erkende autodealer.

2.2.

Aan belanghebbende is krachtens artikel 8 van de Wet op de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2013; hierna: de Wet BPM) vergunning verleend om de BPM per tijdvak van een kalendermaand op aangifte te voldoen.

2.3.

Over de maand juni 2013 heeft belanghebbende aangifte gedaan ter zake van zeven personenauto’s, alle met een ‘datum eerste toelating’ in het buitenland. Het betreft de volgende voertuigen:

Auto

Merk en type

Datum eerste toelating

Datum op naam

Rest BPM

percentage

BPM bedrag in aangifte

1

FIAT 500

30-11-2012

04-06-2013

76,50%

€ 0,00

2

Porsche Cayenne S Diesel

16-01-2013

05-06-2013

81,00%

€ 18.306,00

3

Jaguar F-type

31-05-2013

08-06-2013

92,00%

€ 17.069,00

4

Mercedes SL 63 AMG

19-09-2012

13-06-2013

72,00%

€ 10.407,60

5

Jaguar F-type

27-05-2013

14-06-2013

92,00%

€ 10.155,88

6

Land Rover Range Rover

07-06-2013

24-06-2013

92,00%

€ 20.686,20

7

BMW X5

03-01-2013

24-06-2013

78,75%

€ 12.436,20

Totaal:

€ 89.060,88

Voor auto 1 (FIAT 500) is geen BPM in de aangifte begrepen. Voor auto 3 (Jaguar F-type) heeft belanghebbende geen korting toegepast maar het bruto BPM bedrag in de aangifte begrepen. Voor de overige auto’s (auto’s 2 en 4 tot en met 7) is het bedrag aan BPM berekend met inachtneming van een vermindering (afschrijving) als bedoeld in artikel 10 van de Wet BPM. Belanghebbende heeft zich hierbij niet beroepen op de tabelkorting van artikel 10, zesde lid, van de Wet BPM in verbinding met artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2013; hierna: de UR BPM) maar op artikel 10, zevende lid, van de Wet BPM.

2.4.

Belanghebbende heeft het totaalbedrag van € 89.061 op aangifte voldaan en hiertegen bezwaar gemaakt.

2.5.

De Inspecteur heeft bij zijn uitspraak het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. Voor de auto’s 3, 5, 6 en 7 is de Inspecteur uitgegaan van een nieuwe in plaats van een gebruikte auto. Voor de auto’s 2 en 4 heeft de Inspecteur de door belanghebbende gehanteerde verminderingsmethode niet geaccepteerd.

2.6.

Vervolgens heeft de Inspecteur met betrekking tot de auto’s 2 en 4 tot en met 7 een naheffingsaanslag BPM opgelegd ten bedrage van in totaal € 45.350, alsmede vergrijp- en verzuimboetes tot een totaalbedrag van € 11.214, waartegen belanghebbende eveneens bezwaar heeft gemaakt. Hierop heeft de Inspecteur nog niet beslist.

2.7.

Tegen de onder 2.5 genoemde uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld. De Rechtbank heeft de hoogte van de verschuldigde BPM ter zake van de auto’s 2 tot en met 7 in geschil geacht. De uitspraak op de bezwaren tegen de onder 2.6 genoemde naheffingsaanslag en boetes is niet afgewacht, aangezien belanghebbende had aangegeven hier niet op te willen wachten. Met betrekking tot de bewijslastverdeling heeft de Rechtbank overwogen dat de Inspecteur in eerste instantie de bewijslast draagt dat niet teveel BPM is geheven. Naar het oordeel van de Rechtbank is in artikel 8a van de UR BPM gewaarborgd dat niet teveel BPM wordt geheven, aangezien de belastingplichtige kan kiezen voor vaststelling van de afschrijving aan de hand van een taxatierapport, een koerslijst of de tabel. Met betrekking tot auto 3 (Jaguar F-type) heeft de Rechtbank geoordeeld dat deze als nieuw moet worden aangemerkt, zodat geen grond bestaat voor de conclusie dat teveel BPM is voldaan. Met betrekking tot auto 4 (Mercedes SL 63 AMG) heeft de Rechtbank de door belanghebbende voor de vaststelling van de afschrijving gehanteerde XRAY-koerslijst voor margeauto’s gevolgd. Uitgaande van de daaruit volgende handelsinkoopwaarde van € 115.135 en historische nieuwprijs van € 251.388 heeft de Rechtbank de afschrijving berekend op 54,20% in plaats van 53,92% waar belanghebbende in haar aangifte van uit is gegaan. Volgens de Rechtbank betekent dit dat de op aangifte verschuldigde BPM met € 64 moet worden verminderd tot € 88.997. Vervolgens heeft de Rechtbank zowel het beroep van de Inspecteur op interne compensatie als het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding op grond van geleden renteverlies afgewezen. Wel heeft de Rechtbank aan belanghebbende een immateriële-schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (hierna: IMSV) van € 500 toegekend, te vergoeden door de Staat, alsmede een proceskostenvergoeding van € 1.225 voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De Rechtbank heeft geen aanleiding gezien om op grond van bijzondere omstandigheden van de forfaitaire bedragen af te wijken.

3 Geschil

3.1.

In geschil is de hoogte van het op aangifte voor juni 2013 voldane bedrag aan BPM.

3.2.

Wat betreft het hoger beroep van belanghebbende spitst het geschil zich toe op auto 3 (Jaguar F-type). In het bijzonder gaat het om het antwoord op de vraag of deze auto als gebruikte personenauto moet worden aangemerkt en, zo ja, met welke vermindering (afschrijving) rekening moet worden gehouden. Belanghebbende heeft voorts verzocht om toekenning van een IMSV en een rentevergoeding over een eventuele vermindering van BPM. Belanghebbende heeft voor deze zaak geen beroep gedaan op door de Inspecteur gewekt vertrouwen.

3.3.

Wat betreft het hoger beroep van de Inspecteur spitst het geschil zich toe op auto 4 (Mercedes SL 63 AMG). In het bijzonder gaat het om het antwoord op de vraag of de Rechtbank is uitgegaan van een juiste historische nieuwprijs voor de berekening van de toe te passen vermindering (afschrijving). Daarnaast is in geschil of bij de bepaling van de IMSV rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen.

3.4.

Belanghebbende heeft zich wat betreft de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase neergelegd bij het oordeel van de Rechtbank dat geen sprake is van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. In hoger beroep wordt overigens niet langer om een vergoeding van de werkelijke proceskosten gevraagd.

3.5.

De Inspecteur heeft zijn standpunt dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan laten varen, evenals zijn beroep op interne compensatie.

4 Beoordeling van het geschil

Nieuw of gebruikt: bewijslastverdeling

4.1.

De Wet BPM maakt voor de berekening van de verschuldigde BPM onderscheid tussen een nieuwe personenauto en een gebruikte personenauto. Met betrekking tot een gebruikte personenauto wordt voor de berekening van de verschuldigde BPM een vermindering (afschrijving) toegepast, met betrekking tot een nieuwe personenauto niet. Onder een nieuwe personenauto moet worden verstaan een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest. Een personenauto die niet als een nieuwe personenauto kan worden aangemerkt, moet als een gebruikte personenauto worden aangemerkt. Beslissend is in welke staat (nieuw of gebruikt) de personenauto verkeert op het tijdstip waarop het belastbare feit voor de BPM plaatsvindt. Dat is het tijdstip van registratie van die personenauto in het kentekenregister. Indien in geschil is of de desbetreffende personenauto ten tijde van het belastbare feit in gebruikte staat verkeert, rusten de stelplicht en de bewijslast ter zake op de belanghebbende die zich op de vermindering van BPM beroept (vgl. HR 27 januari 2017, nr. 16/03401, ECLI:NL:HR:2017:79 en HR 21 september 2018, nr. 17/02947, ECLI:NL:HR:2018:1695).

Auto 3 (Jaguar F-type)

4.2.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, tegenover de betwisting door de Inspecteur, aannemelijk gemaakt dat auto 3 (Jaguar F-type) in een gebruikte staat verkeerde ten tijde van de registratie in het kentekenregister. Het Hof overweegt hiertoe als volgt.

4.3.

Ten tijde van de registratie in het kentekenregister bedroeg de kilometerstand van het voertuig 881 kilometer. Het voertuig was afkomstig uit Duitsland, alwaar belanghebbende het op 24 mei 2013 heeft gekocht van [A] GmbH voor een prijs van € 83.000. De ter zake opgemaakte factuur vermeldt ‘Erstzulassung / First Permission - Neuwagen mit Tageszulassung (Tageszulassing wirdt später gemacht)’ en ‘Kilometer / Miles - Werkskilometer / factory miles’. Het voertuig heeft 31 mei 2013 als datum van eerste toelating in Duitsland, per welke datum het ook weer is uitgeschreven.

4.4.

Belanghebbende heeft over de herkomst en het gebruik van het voertuig verklaard, dat het een destijds nieuw model betrof dat door de verkoper als demonstratieauto is gebruikt op een circuit om klanten hiermee kennis te laten maken. Voor het gebruik op een circuit is geen registratie in Duitsland vereist. Ten tijde van de verkoop aan belanghebbende bedroeg de kilometerstand 712 kilometer, pas daarna heeft registratie in Duitsland plaatsgevonden. De Inspecteur heeft een en ander niet weersproken.

4.5.

Hiervan uitgaande kan niet worden gezegd dat het voertuig na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest. Het voertuig kan daarom niet als een nieuwe personenauto worden aangemerkt. Dit betekent dat het bedrag aan BPM op grond van artikel 10 van de Wet BPM moet worden berekend met inachtneming van een vermindering (afschrijving).

4.6.

Belanghebbende bepleit een vermindering (afschrijving) die is berekend aan de hand van handelswaardegegevens afkomstig van Autotelex Pro met als opschrift ‘Bijlage: Waardebepaling koerslijst (04-06-2013)’. Volgens belanghebbende betreft dit een koerslijst als bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel a, van de UR BPM. Uit die gegevens volgt een nieuwprijs van € 152.509 en een handelswaarde ten tijde van de registratie in het kentekenregister van € 103.118. Die handelswaarde moet volgens belanghebbende nog worden verminderd met 5% om te komen tot de handelsinkoopwaarde van een marge-auto.

4.7.

De Inspecteur weerspreekt dat de van Autotelex Pro afkomstige handelswaardegegevens gebaseerd zijn op een koerslijst als bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel a, van de UR BPM. Volgens de Inspecteur gaat het om een waardebepaling van het voertuig door Autotelex Pro, niet zijnde een taxatierapport als bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de UR BPM. De handelswaarde die volgt uit de handelswaardegegevens van Autotelex Pro acht de Inspecteur onrealistisch laag, gezien de prijs van € 127.500 die belanghebbende bij verkoop van de auto heeft behaald. Bovendien moet worden uitgegaan van een btw-auto omdat voertuigen als het onderhavige (nog) niet als marge-auto op markt worden verhandeld, aldus nog steeds de Inspecteur.

4.8.

Het Hof neemt de van Autotelex Pro afkomstige handelswaarde tot uitgangspunt voor de berekening van de gezochte handelsinkoopwaarde. Aan de Inspecteur kan worden toegegeven dat er niet veel transacties zullen zijn in jonge, exclusieve voertuigen als het onderhavige. Dit neemt niet weg dat Autotelex Pro, een van belanghebbende onafhankelijke marktpartij die (onder meer) een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland uitgeeft, hiervoor toch een handelswaarde heeft kunnen bepalen die door Autotelex Pro zelf een ‘Waardebepaling koerslijst’ wordt genoemd. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende het voertuig als wederverkoper op de markt heeft gekocht van een onafhankelijke derde, zij het niet op de Nederlandse maar op de Duitse markt. Het valt echter niet uit te sluiten dat ook op de Nederlandse markt inkooptransacties door wederverkopers plaatsvinden van voertuigen als het onderhavige. Voor de bepaling van de vermindering (afschrijving) hoeft het - in het licht van artikel 110 van het VWEU - maar om één voertuig te gaan ter zake waarvan een handelsinkoopwaarde bekend is. Het Hof heeft ook geen aanleiding om te veronderstellen dat de door Autotelex Pro gegeven handelswaarde van € 103.118 te laag is, in aanmerking nemende dat belanghebbende zelf als wederverkoper € 83.000 voor het voertuig heeft betaald. Dat belanghebbende het voertuig uiteindelijk voor een substantieel hoger bedrag heeft doorverkocht, doet hieraan niet af.

4.9.

Naar het oordeel van het Hof moet ook in het onderhavige geval, waarin sprake is van een jong en exclusief voertuig, worden uitgegaan van de handelsinkoopwaarde van een marge-auto. Niet valt uit te sluiten dat op de binnenlandse markt een dergelijk voertuig als marge-auto wordt verhandeld. Artikel 110 VWEU brengt mee dat dan van die (lagere) handelsinkoopwaarde van een marge-auto moet worden uitgegaan bij de berekening van de vermindering (afschrijving). Tegen het door belanghebbende voorgestane correctie-percentage van 5% heeft de Inspecteur zich als zodanig niet verzet. Het Hof sluit zich hierbij aan. Voor de berekening van de vermindering (afschrijving) zal daarom de door Autotelex Pro gegeven handelswaarde van € 103.118 met 5% worden verminderd tot € 97.962.

4.10.

Nu de historische nieuwprijs (€ 152.509) en de bruto BPM (€ 17.069) tussen partijen verder niet in geschil zijn, leidt dit voor auto 3 (Jaguar F-type) tot de volgende berekening van de verschuldigde BPM en vermindering van de op aangifte voldane BPM:

Afschrijving: (€ 152.509 - € 97.962) / € 152.509 maal 100% = 35,77%

Bruto BPM:

€ 17.069

Vermindering:

35,77% van € 17.069 =

€ 6.106

-/-

Rest BPM:

€ 10.963

Op aangifte voldaan:

€ 17.069

-/-

Vermindering:

€ 6.106

Auto 4 (Mercedes SL 63 AMG)

4.11.

Tussen partijen is niet in geschil dat auto 4 (Mercedes SL 63 AMG) is aan te merken als een gebruikte personenauto waarvoor een vermindering (afschrijving) van de verschuldigde BPM in acht moet worden genomen. Het Hof sluit zich hierbij aan.

4.12.

Volgens de Inspecteur is de vermindering (afschrijving) door de Rechtbank gebaseerd op een verkeerde historische nieuwprijs van het voertuig, uitgaande van een onjuist btw-tarief van 21% in plaats van 19%. Belanghebbende heeft dat laatste als zodanig niet betwist. Gezien de datum van eerste toelating van 19 september 2012 en de verhoging van het btw-tarief van 19% naar 21% per 1 oktober 2012, sluit het Hof zich ook hierbij aan.

4.13.

De Inspecteur heeft de historische nieuwprijs van het voertuig vervolgens berekend op € 249.837, uitgaande van een netto-catalogusprijs van € 181.260 vermeerderd met een bedrag van € 34.439 aan btw (19% van € 181.260) en € 34.138 aan bruto BPM (tarief 2012). Belanghebbende is in haar ‘Berekening bpm’ bij de aangifte uitgegaan van eenzelfde netto-catalogusprijs. Ook de gegevens van Autotelex die belanghebbende bij haar aangifte heeft overgelegd, gaan hiervan uit. Het Hof heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de Inspecteur het bedrag aan btw en BPM onjuist heeft berekend.

4.14.

Het Hof zal daarom voor de berekening van de vermindering (afschrijving) uitgaan van een historische nieuwprijs van € 249.837, en niet van € 251.388 waarvan de Rechtbank is uitgegaan. De enkele vermelding van dat laatste bedrag als ‘cat. prijs incl. opties (H)’ in de gegevens van XRAY is onvoldoende om daarbij aan te sluiten, nu onduidelijk is hoe tot die prijs is gekomen. Dit betekent dat, anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, er geen grond bestaat voor vermindering van de BPM ter zake van dit voertuig met € 64. De vraag of daarnaast aanleiding bestaat om ter zake van dit voertuig BPM na te heffen, zoals de Inspecteur bij naheffingsaanslag heeft gedaan, kan niet in deze procedure betreffende de voldoening op aangifte aan de orde komen.

Hoogte BPM

4.15.

Gelet op het voorgaande moet de voor het tijdvak juni 2013 op aangifte voldane BPM worden verminderd tot (€ 89.061 -/- € 6.106 =) € 82.955.

Rentevergoeding

4.16.

Ingevolge artikel 30ha, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt belastingrente vergoed indien recht ontstaat op een terug te geven bedrag dat verband houdt met een door de inspecteur ingenomen standpunt ter zake van de bij wege van voldoening op aangifte verschuldigde of terug te geven belasting.

4.17.

Nu in hoger beroep de verschuldigde BPM ter zake van auto 3 (Jaguar F-type) wordt verminderd omdat – anders dan door de Inspecteur bepleit – moet worden uitgegaan van een gebruikte personenauto, dient de Inspecteur over het terug te geven bedrag van € 6.106 rente te vergoeden overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VA van de AWR.

IMSV

4.18.

De Inspecteur heeft zich wat betreft de door de Rechtbank toegekende IMSV beroepen op bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn moet worden verlengd. De omstandigheden waarop de Inspecteur doelt betreffen het al dan niet in overleg met belanghebbende aanhouden van bezwaren.

4.19.

De Rechtbank heeft in de bestreden uitspraak een overschrijding van de redelijke termijn geconstateerd welke volledig is toegerekend aan de beroepsfase. Daarom is de Staat der Nederlanden veroordeeld tot het vergoeden van de door belanghebbende als gevolg hiervan geleden immateriële schade ten bedrage van € 500. Het is aan de Staat der Nederlanden om hiertegen op te komen in hoger beroep, hetgeen hij niet heeft gedaan. De Inspecteur staat hier verder buiten. Zijn grieven betreffende de door de Rechtbank aan belanghebbende toegekende IMSV kunnen daarom geen doel treffen.

4.20.

Belanghebbende heeft tegen de beslissing van de Rechtbank over de IMSV in hoger beroep geen grieven aangevoerd, zodat het Hof die in stand zal laten.

4.21.

Ook in hoger beroep heeft belanghebbende geklaagd over een overschrijding van de redelijke termijn. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld. Het oudste hogerberoepschrift, dat van de Inspecteur, is op 31 december 2015 ter griffie van het Hof ontvangen. Tot aan de datum van deze uitspraak zijn sindsdien twee jaar en elf maanden verstreken. Tussen partijen is niet in geschil dat de redelijke termijn in dit geval met zeven maanden moet worden verlengd, omdat de behandeling van het hoger beroep heeft stilgelegen vanwege de omstandigheid dat belanghebbende eind oktober 2017 van gemachtigde is gewisseld en op die grond om uitstel heeft verzocht tot juni 2018. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt derhalve vier maanden. Hierdoor bestaat aanspraak op een IMSV van € 500, te vergoeden door de Staat. Gelet op de omvang van dit bedrag, behoeft de Minister voor Rechtsbescherming niet als partij in deze procedure te worden gehoord (Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, 20210).

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is zowel het hoger beroep van belanghebbende als dat van de Inspecteur gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

Het Hof stelt de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het door haar ingestelde hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.002 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 501).

Over de beslissingen van de Rechtbank omtrent het griffierecht en de proceskosten is in hoger beroep niet geklaagd, zodat het Hof die beslissingen in stand zal laten.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de IMSV, de proceskosten en het griffierecht,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– vermindert de verschuldigde BPM voor het tijdvak juni 2013 tot € 82.955,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk VA van de AWR rente vergoedt over de onverschuldigd betaalde BPM,

– veroordeelt de Staat in de door belanghebbende geleden schade (IMSV) tot een bedrag van € 500,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.002, en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 497 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.R. Woeltjes, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 27 november 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen. In verband daarmee is de

uitspraak ondertekend door mr. Spek.

(S. Darwinkel) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 27 november 2018.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.