Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10268

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
07-12-2018
Zaaknummer
17/00631
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:2364, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Bekendmaking naheffingsaanslag. Aanbrengen van het aanslagbiljet op of aan het voertuig. Schending hoorplicht? Is sprake van laden en lossen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-12-2018
V-N Vandaag 2018/2724
FutD 2018-3343 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2019/9.26.24
NTFR 2018/2855
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 17/00631

uitspraakdatum: 27 november 2018

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 13 juni 2017, nummer Awb 17/236, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Twente (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd van € 62,70. Dit bedrag bestaat voor € 2,70 uit parkeerbelasting en € 60 aan kosten.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en de heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht van € 46 aan belanghebbende te vergoeden.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2018. Daarbij zijn verschenen [A] als de gemachtigde van belanghebbende alsmede namens de heffingsambtenaar [B] .

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is houder van het voertuig met kenteken [YY-YY-00] (hierna: de auto).

2.2.

Op 1 februari 2016 omstreeks 18:20 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto stilstond in een parkeervak aan de Hoge Bothofstraat te Enschede, waar op dat tijdstip uitsluitend tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Naar aanleiding daarvan is aan belanghebbende ter zake van het parkeren zonder parkeerbelasting te hebben voldaan een naheffingsaanslag opgelegd.

2.3.

De parkeercontroleur heeft daarover het volgende verklaard:

‘Op 01 februari 2016, omstreeks 18.20 uur, heb ik een naheffingsaanslag uitgeschreven voor een Seat met kenteken [YY-YY-00] . Op dit tijdstip hebben mijn collega […] en ik geen laad- en los activiteiten waargenomen in een tijdsbestek van tien minuten, in dit tijdsbestek hebben wij samen vier naheffingsaanslagen op deze locatie uitgeschreven.’

2.4.

Met dagtekening 31 mei 2016 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een duplicaat van de naheffingsaanslag toegezonden.

2.5.

[A] (hierna: de gemachtigde) heeft namens belanghebbende bij brief van 13 juni 2016 een bezwaarschrift ingediend.

2.6.

Bij brief van 9 december 2016 heeft de heffingsambtenaar het volgende aan de gemachtigde geschreven:

‘U hebt bezwaar aangetekend tegen de aanslag met nummer [00000] met dagtekening 31 mei 2016. We hebben uw bezwaar op 15 juni 2016 ontvangen. Aangezien u in uw bezwaarschrift hebt verzocht om te worden gehoord, zenden wij u hierbij een concept-uitspraak. Wij verzoeken u om binnen 14 dagen uw telefoonnummer per e-mail aan […] door te geven met als kenmerk [00001] . Wij wijzen u er daarbij op dat wij, indien u in het geheel nalaat om binnen de termijn te reageren, zullen aannemen dat u niet langer wenst te worden gehoord en definitief uitspraak zullen doen.

Uw bezwaar

We hebben uw argumenten als volgt samengevat: U maakt bezwaar tegen de naheffingsaanslag aangezien in uw ogen sprake was van laden en lossen.

Uitspraak

Wij verklaren uw bezwaarschrift ongegrond. Wij zullen u uitleggen waarom. Uit rechtspraak volgt dat onder in- en uitstappen wordt verstaan: “het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring in- en uit laten stappen van personen, gedurende de tijd die daarvoor nodig is”.

Op het moment van controle nam de parkeercontroleur geen activiteit waar waaruit zou kunnen blijken dat van onmiddellijk in- of uitstappen sprake was. Daarom zien wij geen aanleiding de naheffingsaanslag parkeerbelastingen in te trekken en blijft deze dan ook gehandhaafd.’

2.7.

Bij e-mail van 22 december 2016 heeft de gemachtigde het volgende aan de heffingsambtenaar geschreven:

‘Ik heb op 09 december 2016 een besluit ontvangen voor bovenstaande cliënt maar deze was niet compleet. Zou u mij deze nogmaals toe kunnen sturen?’

2.8.

Bij brief van 2 januari 2017 heeft de gemachtigde het volgende aan de heffingsambtenaar geschreven:

‘Geachte heer/mevrouw.

Ik treed op als gemachtigde van [belanghebbende]. Een machtiging is reeds in uw bezit.

Naar aanleiding van een door ondergetekende ingediend bezwaarschrift van 13 juni 2016 en vanwege het uitblijven van een tijdige wettelijke beslissing van zes weken uwerzijds, ontvangt u dit schrijven mijnerzijds met het verzoek om het ingediende bezwaarschrift namens cliënt met voortvarendheid en binnen de daarvoor wettelijk vastgestelde termijn van twee weken te behandelen.

Hoogachtend, (…)’

2.9.

De heffingsambtenaar heeft op 6 januari 2017 zonder belanghebbende te horen uitspraak op bezwaar gedaan. Daarin heeft hij het bezwaar ongegrond verklaard.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Rechtbank het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voor het geval het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, is in geschil of de hoorplicht is geschonden en of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid van het bezwaar

4.1.

Op grond van artikel 8 van de Invorderingswet 1990 wordt de belastingaanslag bekend gemaakt door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet. Op grond van artikel 234, zevende lid, van de Gemeentewet (hierna: Gemw.) kan, indien het niet mogelijk is het aanslagbiljet terstond aan de belastingschuldige uit te reiken, worden volstaan met het aanbrengen van het aanslagbiljet op of aan het voertuig.

4.2.

Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. Ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in samenhang gelezen met artikel 231 van de Gemw., vangt deze termijn voor het indienen van een bezwaarschrift aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.

4.3.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ontvankelijk geacht. Daarbij is de heffingsambtenaar ervan uitgegaan dat bekendmaking van de naheffingsaanslag heeft plaatsgevonden door toezending aan belanghebbende van het duplicaat daarvan.

4.4.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag op 1 februari 2016 aan belanghebbende is uitgereikt. De Rechtbank heeft daarbij gewezen op de verklaring van de parkeercontroleur waarin deze heeft verklaard dat hij op 1 februari 2016 omstreeks 18:20 uur een naheffingsaanslag heeft uitgeschreven voor de auto van belanghebbende.

4.5.

Belanghebbende heeft betwist de naheffingsaanslag op de auto te hebben aangetroffen. Het Hof is van oordeel dat, nu niet kan worden vastgesteld dat de naheffingsaanslag op 1 februari 2016 aan belanghebbende is uitgereikt, bekendmaking heeft plaatsgevonden door toezending aan belanghebbende van het duplicaat van de naheffingsaanslag op 31 mei 2016. De heffingsambtenaar is hiervan ook uitgegaan. Het bezwaarschrift van belanghebbende van 13 juni 2016 is daarmee tijdig ingediend. De Rechtbank heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

4.6.

Indien de aanslag op 1 februari 2016 zou zijn bekendgemaakt door het aanslagbiljet overeenkomstig artikel 234, zevende lid, van de Gemw. aan te brengen op of aan het voertuig, staat niet vast dat belanghebbende het aanslagbiljet daar ook heeft aangetroffen. In dat geval is het bezwaar weliswaar te laat ingediend, maar kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake daarvan in verzuim is geweest, omdat hij pas met de ontvangst van het duplicaat van de naheffingsaanslag daarvan op de hoogte is geraakt. Ook in dat geval moet niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege blijven (artikel 6:11 van de Awb).

Horen

4.7.

Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift verzocht om te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onderdeel d, van de Awb kan van het horen worden afgezien, indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Met deze bepaling heeft de wetgever willen voorkomen dat bestuursorganen ook voor belanghebbenden die niet op de uitnodiging reageren, een hoorzitting moeten organiseren, met het risico op onnodig tijdverlies als vervolgens geen van de belanghebbenden komt opdagen (Kamerstukken II, 32.450, nr. 3, p. 16).

4.8.

De heffingsambtenaar heeft de gemachtigde bij brief van 9 december 2016, bestaande uit één pagina, een conceptuitspraak op bezwaar toegezonden. Daarin heeft de heffingsambtenaar gevraagd om binnen 14 dagen een telefoonnummer door te geven in verband met het verzoek om te worden gehoord. De gemachtigde heeft op die brief gereageerd (zie 2.7), maar is niet ingegaan op een eventuele hoorzitting. Zonder enige verwijzing naar inhoudelijke gronden of het verzoek te worden gehoord heeft de gemachtigde in zijn brief van 2 januari 2017 (zie 2.8) slechts volstaan met een ingebrekestelling ter zake van het tijdig beslissen op het bezwaar. Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar onder deze omstandigheden in redelijkheid kon menen dat belanghebbende na ontvangst van de conceptuitspraak op bezwaar niet langer prijs stelde op een hoorzitting. In dit geval is geen sprake van een situatie waarin de heffingsambtenaar ‘zonder meer’ heeft geconcludeerd dat belanghebbende geen prijs meer stelde op een hoorzitting (vgl. HR 15 mei 2009, nr. 08/00437, ECLI:NL:HR:2009:BI3751).

Naheffingsaanslag

4.9.

Ingevolge artikel 1, onderdeel a, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2016 van de gemeente Enschede wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

4.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de auto gedurende een zekere aaneengesloten periode heeft stilgezet in een parkeervak aan de Hoge Bothofstraat te Enschede.

4.11.

Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Hij betoogt dat geen sprake was van parkeren, maar van laden en lossen. De gemachtigde voert daartoe aan dat belanghebbende tegenover hem heeft verklaard dat hij een grote en zware doos met auto-onderdelen heeft afgeleverd.

4.12.

De bewijslast voor de vraag of sprake is van het onmiddellijk laden en lossen van zaken rust op belanghebbende. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, tegenover de betwisting door de heffingsambtenaar, onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat sprake was van laden en lossen. De enkele mededeling omtrent de aard van de afgeleverde goederen aan de gemachtigde van belanghebbende is, zonder verdere concrete en controleerbare gegevens, in dit geval naar het oordeel van het Hof daartoe onvoldoende. De naheffingsaanslag is naar het oordeel van het Hof terecht is opgelegd.

Slotsom


Op grond van het onder 4.1 tot en met 4.6 overwogene is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart wegens een onjuiste beslissing van de Rechtbank die de heffingsambtenaar niet heeft uitgelokt, bepaalt het Hof, op grond van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb, dat de griffier aan belanghebbende het bij het Hof betaalde griffierecht vergoedt.

Het Hof ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken, zulks overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht. Gelet op de omstandigheid dat het hoger beroep uitsluitend gegrond is omdat de Rechtbank het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, zal het Hof de voor vergoeding in aanmerking komende kosten op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht verminderen door een wegingsfactor van 0,5 toe te passen.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken aldus vast op € 501 (2 punten (hogerberoepschrift en zitting) x wegingsfactor 0,5 x € 501).

Omdat het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond is, bestaat geen aanleiding voor vergoeding van het bij de Rechtbank betaalde griffierecht en evenmin voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 501, en

– bepaalt dat de griffier aan belanghebbende het betaalde griffierecht terugbetaalt, te weten € 124 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. A.J. van Lint, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 27 november 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 27 november 2018.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.