Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10267

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
07-12-2018
Zaaknummer
17/00701
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:3074, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Is de Rechtbank buiten de rechtsstrijd getreden? Schending hoorplicht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-12-2018
V-N Vandaag 2018/2704
FutD 2018-3343 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2019/9.26.18
NTFR 2018/2915
NTFR 2018/2918
NLF 2018/2693 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 17/00701

uitspraakdatum: 27 november 2018

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z]

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 juni 2017, nummer UTR 17/1173, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd van € 62,90. Dit bedrag bestaat voor € 2,90 uit parkeerbelasting en € 60 aan kosten.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag vernietigd. Daarbij is het verzoek om een kostenvergoeding afgewezen.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Midden- Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 23 juni 2017 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2018 te Arnhem. Daarbij is verschenen mr. [A] , werkzaam bij [B] BV te [C] , als de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Belanghebbende noch zijn gemachtigde is verschenen. Belanghebbende is uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het hoger beroep bij aangetekende brief van 30 augustus 2018, verzonden naar het adres van zijn gemachtigde [a-straat 1] , [D] . Blijkens informatie van PostNL is de uitnodiging op 1 september 2018 op dat adres aangeboden en is daarbij voor ontvangst getekend.

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is houder van het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] (hierna: de auto). Op 22 december 2016 om omstreeks 15:24 heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto stond geparkeerd aan de Bussemersteeg te Hilversum. Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum aangewezen als plaats waar op dat tijdstip uitsluitend tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.

2.2

De parkeercontroleur heeft niet een geldig parkeerkaartje of een geldige vergunning zichtbaar en leesbaar achter de voorruit van de auto aangetroffen. Naar aanleiding daarvan heeft hij om 15:36 uur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Hij heeft van de situatie ter plaatse foto’s gemaakt waaronder een foto van de voorruit met dashboard en de stoelen aan de voorzijde van de auto.

2.3

Belanghebbende heeft mr. drs. [E] gemachtigd hem te vertegenwoordigen.

2.4

De gemachtigde heeft op 27 december 2016 een (pro forma) bezwaarschrift ingediend waarin op nog nader aan te voeren gronden bezwaar wordt gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De gemachtigde heeft de heffingsambtenaar verzocht telefonisch te worden gehoord. Daarnaast heeft hij – onder meer – om een proceskostenvergoeding verzocht.

2.5

De heffingsambtenaar heeft de gemachtigde bij brief van 6 februari 2017 uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting op 15 februari 2017 en verzocht de uitnodiging te bevestigen door een telefoonnummer op te geven waarop de gemachtigde kan worden bereikt. Bij brief van 22 februari 2017 heeft de heffingsambtenaar – onder meer – het volgende aan de gemachtigde geschreven:

“Op 06-02-2017 hebben wij u uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting op 15-02-2017. U heeft deze hoorzitting niet bevestigd noch u hiervoor afgemeld. Eveneens hebben wij telefonisch getracht u te bereiken. Desondanks is dit niet gelukt. Indien u alsnog gehoord wenst te worden kunt u uw beschikbaarheid op werkdagen tussen 09.00 en 17.00 uur doorgeven. Wij zullen u dan opnieuw uitnodigen voor een hoorzitting.

Gezien u een pro forma bezwaar heeft ingediend, wil ik u bij deze uitnodigen om uw nadere gronden aan ons te doen toekomen. Ik verzoek u binnen vier weken na dagtekening van het onderhavige schrijven uw inhoudelijke bezwaargronden aan mij kenbaar te maken.”

2.6

Bij brief van 26 februari 2017 heeft de gemachtigde het volgende geschreven aan de heffingsambtenaar:

“Geachte heer, mevrouw,

Het opgemelde bezwaarschrift zond ik u tijdig. De zaak is bij u ook bekend onder kenmerk [00000] .

De beslistermijn is thans verstreken zonder dat u de gevraagde beslissing op het administratieve beroep heeft genomen. Gelet daarop verzoek ik u binnen uiterlijk twee weken na heden en als in artikel 4:17 van de Awb de gevraagde beslissing te nemen.

Hoogachtend, (…)”

2.7

Bij brief van 12 maart 2017 heeft de gemachtigde aangevoerd dat de parkeerbelasting reeds was voldaan. Hij heeft daarbij een parkeerkaartje overgelegd waaruit blijkt dat op 22 december 2016 parkeerbelasting is voldaan voor de periode van 15:03 tot 16:03 uur.

2.8

De heffingsambtenaar heeft, zonder de gemachtigde te horen, op 31 maart 2017 uitspraak op bezwaar gedaan. Daarin heeft hij het bezwaar gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. De heffingsambtenaar heeft geen proceskostenvergoeding toegekend omdat niet sprake was van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid bij het opleggen van de naheffingsaanslag.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In hoger beroep is nog slechts in geschil of de heffingsambtenaar ervan heeft kunnen afzien belanghebbende in de bezwaarfase te horen en of de Rechtbank, met haar oordeel daarover, is getreden buiten de rechtsstrijd.

3.2

Belanghebbende stelt dat in bezwaar nog in geschil was of een proceskostenvergoeding moest worden toegekend en dat daarom niet van het horen had mogen worden afgezien. Hij concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de heffingsambtenaar, en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank. Voorts verzoekt hij om toekenning van een vergoeding voor proceskosten in hoger beroep.

3.3

De heffingsambtenaar verdedigt dat het hoger beroep ongegrond moet worden verklaard. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar daaraan toegevoegd dat, ook indien zou zijn gehoord, niet anders op het bezwaar zou zijn beslist omdat uit het fotomateriaal blijkt dat geen parkeerkaartje zichtbaar aanwezig was en het besluit ook in het geval zou zijn gehoord niet zou zijn herroepen wegens een aan hem te wijten onrechtmatigheid. Hij concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft de heffingsambtenaar ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

Is de Rechtbank buiten de rechtsstrijd getreden?

4.1

Belanghebbende heeft in beroep aangevoerd dat de heffingsambtenaar, uit het achterwege blijven van een reactie op de gezonden brieven, niet zonder meer heeft mogen concluderen dat hij geen prijs meer stelde op een hoorzitting. Hij heeft daarbij gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2009, nr 08/00437, ECLI:NL:HR:2009:BI3751. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift voor de Rechtbank opgemerkt dat, vanwege het ontbreken van een aan hem te verwijten onrechtmatigheid, geen proceskosten zijn vergoed. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank, met haar oordeel dat van het horen kon worden afgezien omdat geheel aan het bezwaar is tegemoetgekomen, buiten de rechtsstrijd treedt omdat dit geen betoog van de heffingsambtenaar is geweest.

4.2

Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken voor de behandeling van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed voor zover het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

4.3

Op grond van artikel 7:3 van de Awb kan – voor zover hier van belang – van het horen worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is (onderdeel b) of indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord (onderdeel d).

4.4

De vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen en de daarop gegronde rechtspraak, is een rechtsvraag die door de rechter moet worden beoordeeld in het licht van de vaststaande feiten en omstandigheden en van hetgeen door de partijen daaromtrent is aangevoerd. Daarbij komt het ook aan op de bedoeling van de partijen en niet louter op hetgeen zij woordelijk hebben gesteld. Naar het oordeel van het Hof is de Rechtbank niet buiten de rechtsstrijd getreden met haar oordeel omtrent de vraag of de heffingsambtenaar in het onderhavige geval heeft kunnen afzien van het horen van de belanghebbende omdat uit de feiten, met name het fotomateriaal, bleek dat geen sprake was van een aan hem te wijten onrechtmatigheid. Dat de heffingsambtenaar zich niet woordelijk op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond beroep omdat geheel aan het bezwaar is tegemoetgekomen, doet daaraan niet af. Daarbij geldt dat niet alleen met betrekking tot het materiële geschil maar ook met betrekking tot de bijkomende beslissingen zoals de proceskostenvergoeding, met overeenkomstige toepassing van artikel 7:3 van de Awb kan worden beslist.

Kon de heffingsambtenaar afzien van het horen in de bezwaarfase?

4.5

Als de parkeerbelasting wordt voldaan bij een parkeerautomaat, is het parkeerkaartje het bewijs van de betaling. Door kennisneming daarvan weet de heffingsambtenaar of voor een auto op een parkeerplaats parkeerbelasting is voldaan. Voordat de parkeercontroleur namens de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag vaststelt, moet hij naar het oordeel van het Hof met normale zorgvuldigheid vaststellen of de parkeerbelasting is voldaan. Hij dient daarvoor de auto te controleren op de aanwezigheid van een parkeerkaart.

4.6

Op de naheffingsaanslag is vermeld: “Geen geldige parkeerticket aangebracht, niet telefonisch aangemeld”. De parkeercontroleur, die bij de aanvaarding van zijn betrekking blijkens de inhoud van de stukken de ambtseed heeft afgelegd, heeft, bij het opleggen van de naheffingsaanslag, foto’s gemaakt van de auto.

4.7

Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar de normale zorgvuldigheid betracht bij het vaststellen van de naheffingsaanslag. Hij heeft verklaard dat de parkeercontroleur in de auto geen parkeerkaartje heeft aangetroffen. De verklaring van de parkeercontroleur wordt bevestigd door de diverse foto’s die van de auto zijn gemaakt. De foto’s onderbouwen naar het oordeel van het Hof de verklaringen van de heffingsambtenaar en de parkeercontroleur voldoende. De heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof opgemerkt dat uit de stukken kan worden opgemaakt dat belanghebbende in bezwaar aanvankelijk heeft verklaard dat de parkeerautomaat defect was. Ook dat is naar zijn mening een bevestiging van de constatering dat geen parkeerkaartje aanwezig was.

4.8

Belanghebbende heeft eerst met zijn brief van 12 maart 2017 en het daarbij gevoegde parkeerkaartje in de bezwaarfase het standpunt ingenomen dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Nadat belanghebbende bij brief van 22 maart 2017 in beroep was gekomen wegens – kort gezegd – het uitblijven van een beslissing op bezwaar, heeft hij pas in de aanvulling van 28 april 2017 op dat beroep – nadat de heffingsambtenaar alsnog uitspraak op bezwaar had gedaan –aangevoerd dat het parkeerkaartje van buiten af zichtbaar achter de stijl van de voorruit was geplaatst.

4.9

Het in 4.8 verwoorde standpunt van belanghebbende maakt het in 4.7 gegeven oordeel van het Hof niet anders. Het is aan belanghebbende te wijten dat de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag heeft opgelegd. De heffingsambtenaar heeft immers – nadat hij de normale zorgvuldigheid heeft betracht – niet kunnen constateren dat belanghebbende de parkeerbelasting al had voldaan. Belanghebbende heeft geen feitelijke gegevens verstrekt waaruit zou kunnen blijken dat de constateringen van de parkeercontroleur ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag onjuist zijn geweest. De enkele stelling dat het kaartje achter de stijl van de voorruit was geplaatst is daartoe onvoldoende.

4.10

De heffingsambtenaar is voor wat betreft de naheffingsaanslag volledig aan het bezwaar van belanghebbende tegemoetgekomen, zodat hij, met betrekking tot het primaire besluit, op grond van artikel 7:3, aanhef en onder e, van de Awb, van het horen heeft kunnen afzien.

4.11

Belanghebbende betwist dat de heffingsambtenaar volledig aan het bezwaar is tegemoetgekomen. De heffingsambtenaar heeft immers het verzoek om een vergoeding van de kosten van het bezwaar afgewezen.

4.12

De heffingsambtenaar heeft aangegeven – samengevat en zakelijk weergegeven – dat hij het verzoek van belanghebbende om te worden gehoord ter zake van het verzoek tot vergoeding van de proceskosten achterwege heeft gelaten, omdat hij dit verzoek kennelijk niet toewijsbaar achtte. Volgens de heffingsambtenaar is duidelijk dat van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid geen sprake is nu de parkeercontroleur geen parkeerkaartje in de auto heeft aangetroffen.

4.13

Van een kennelijke niet toewijsbaarheid is naar het oordeel van het Hof sprake, indien uit het verzoek en de stukken dienaangaande blijkt dat het verzoek niet toewijsbaar is en redelijkerwijs, ten tijde van het doen van de uitspraak, geen twijfel mogelijk is over die conclusie.

4.14

Belanghebbende heeft het verzoek om een proceskostenvergoeding niet gemotiveerd. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit de bevindingen van de parkeercontroleur en de foto’s dat er geen parkeerkaartje in de auto aanwezig was. Bij de afwijzing van het verzoek was er dan ook redelijkerwijs geen twijfel mogelijk, dat er geen grond voor de toekenning van een proceskostenvergoeding was, omdat de heffingsambtenaar het bestreden besluit niet heeft herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De heffingsambtenaar heeft daarom met een beroep op de overeenkomstige toepassing van de in artikel 7:3, aanhef en onderdeel b, van de Awb genoemde uitzonderingsgrond, het hoorgesprek ter zake van het verzoek om een proceskostenvergoeding achterwege kunnen laten.

4.15

Ook overigens is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar heeft kunnen afzien van het horen van belanghebbende. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende desgevraagd bij brief van 24 januari 2017 de door de parkeercontroleur gemaakte foto’s en de gegevens met betrekking tot de naheffingsaanslag toegezonden. In de brieven van 6 en 22 februari 2017 heeft de heffingsambtenaar de gemachtigde verzocht te reageren op het aanbod telefonisch te worden gehoord. In de laatstgenoemde brief is tevens verzocht om inhoudelijke gronden van het bezwaar. Daarop heeft de gemachtigde niet inhoudelijk gereageerd. Zonder enige verwijzing naar inhoudelijke gronden of het verzoek te worden gehoord heeft de gemachtigde in zijn brief van 26 februari 2017 slechts volstaan met een ingebrekestelling ter zake van het tijdig beslissen op het bezwaar, gevolgd door een beroepschrift bij de Rechtbank van 22 maart 2017. Op grond daarvan kon de heffingsambtenaar in redelijkheid menen dat belanghebbende niet langer prijs stelde op een hoorzitting. Niet gezegd kan worden dat de heffingsambtenaar ‘zonder meer’ die conclusie trok uit het achterwege blijven van een reactie van belanghebbende.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. A.J. van Lint, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 27 november 2018 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema)

(J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 27 november 2018.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.