Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10196

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-11-2018
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
200.246.741
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en (spoed)machtiging uithuisplaatsing. Rechtsmacht. Onmiddellijk en ernstig gevaar. Overdracht zaak aan Britse autoriteiten. 20 Brussel II-bis, 800 lid 3 Rv jo. 1:265b lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.246.741

(zaaknummer rechtbank Gelderland 342134)

beschikking van 22 november 2018

inzake

[verzoekster] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.T.B.J. Libosan-Besjes te Heumen,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Zwolle, locatie Arnhem,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de gecertificeerde instelling stichting Jeugdbescherming Gelderland,

gevestigd te Arnhem,

verder te noemen: de GI,

en

[de vader] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

verder te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 30 augustus 2018, en naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van
18 september 2018, die is hersteld bij beschikking van de kinderrechter in diezelfde rechtbank van 25 september 2018, beide uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder te noemen: de bestreden beschikkingen van 30 augustus 2018 en 18 september 2018).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties 1 tot en met 5 (dit betreft het dossier in eerste aanleg), ingekomen op 25 september 2018;

- een ongedateerde brief van de GI met het bericht dat zij geen verweerschrift zal indienen, ingekomen op 17 oktober 2018;

- het verweerschrift van de raad van 16 oktober 2018 met één (ongenummerde) productie;

- een journaalbericht van mr. Libosan-Besjes van 18 oktober 2018 met(ongenummerde) producties;

- een journaalbericht van mr. Libosan-Besjes van 23 oktober 2018 met producties 6 tot en met 9.

2.2

Op 22 oktober 2018 is de minderjarige [kind 1] verschenen, die buiten aanwezigheid van de ouders, de GI en de raad door het hof is gehoord.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 25 oktober 2018 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Libosan-Besjes, advocaat te Heumen. De vader is in persoon verschenen. De moeder en de vader werden bijgestaan door [tolk] , tolk Engels. Namens de raad is [lid van de raad van de kinderbescherming] verschenen. Namens de GI zijn verschenen [gezinsvoogd 1] (gezinsvoogd van [kind 1] en [kind 2] ), [gezinsvoogd 2] (gezinsvoogd van [kind 3] en [kind 4] ) en [persoon 1] .

3 De feiten

3.1

Uit het – op [datum] in Luton te Engeland gesloten – huwelijk van de ouders zijn geboren:

- [kind 5] , op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Engeland;

- [kind 1] , op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Engeland;

- [kind 2] , op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Engeland;

- [kind 3] , op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Duitsland;

- [kind 4] , op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Duitsland.

Onderhavige procedure ziet op de minderjarige kinderen [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] , hierna samen te noemen: de kinderen. De kinderen hebben allen de Britse nationaliteit.

3.2

De ouders wonen gescheiden sinds 2015. De kinderen hebben sindsdien bij de moeder gewoond. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.

3.3

[kind 4] en [kind 3] verblijven sinds 29 augustus 2018 in een pleeggezin. [kind 2] heeft sinds 29 augustus 2018 eerst in een pleeggezin verbleven en verblijft thans in een leefgroep. [kind 1] verblijft sinds 31 augustus 2018 in een accommodatie jeugdhulpaanbieder.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking van 30 augustus 2018 heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op verzoek van de raad:

- de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 30 augustus 2018 tot 30 november 2018;

- de GI gemachtigd [kind 2] , [kind 4] en [kind 3] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 30 augustus 2018 voor de duur van vier weken (tot uiterlijk
27 september 2018) en de beslissing voor het overige aangehouden;

- de GI gemachtigd [kind 1] uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 30 augustus 2018 voor de duur van vier weken (tot uiterlijk

27 september 2018) en de beslissing voor het overige aangehouden;

- de beslissing tot uithuisplaatsing van [kind 1] , [kind 2] , [kind 4] en [kind 3] uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2

Bij de bestreden beschikking van 18 september 2018 heeft de kinderrechter de GI gemachtigd [kind 2] , [kind 4] en [kind 3] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 27 september 2018 tot uiterlijk 30 november 2018 en de GI gemachtigd [kind 1] uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van
27 september 2018 tot uiterlijk 30 november 2018. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.3

De moeder is met negen grieven in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 30 augustus 2018 en 18 september 2018. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikkingen te vernietigen en zodanig verder te beslissen als het hof juist acht.

4.4

De raad voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Bevoegdheid

5.1

De moeder betoogt in haar eerste grief dat de kinderrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. Volgens haar is geen sprake meer van een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 20 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 november 2003 (verder te noemen: Brussel II-bis), zoals die ontstond direct na haar aanhouding door de politie op 29 augustus 2018. Zij stelt dat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Groot-Brittannië hebben en dat op grond van artikel 8 Brussel II-bis rechtsmacht toekomt aan de Britse rechter.

5.2

De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de onderhavige verzoeken kennis te nemen, wordt beantwoord aan de hand van de situatie ten tijde van het indienen van de inleidende verzoeken bij de kinderrechter. De raad heeft zijn verzoeken in eerste aanleg mondeling ingediend op 30 augustus 2018 (het verzoekschrift is op 31 augustus 2018 bij de griffie van de rechtbank binnengekomen). De moeder heeft niet bestreden dat op dat moment sprake was van een spoedeisend geval zoals bedoeld in artikel 20 Brussel II-bis, waarin het treffen van de verzochte kinderbeschermingsmaatregelen was geboden. Gebleken is dat de moeder toen niet beschikbaar was voor de kinderen, doordat zij de dag ervoor was aangehouden wegens verdenking van winkeldiefstal en vervolgens in verzekering was gesteld, en dat de vader niet bereikbaar was, omdat zijn gegevens (waaronder zijn verblijfplaats en telefoonnummer) niet bekend waren.

Aan de overige vereisten van artikel 20 Brussel II-bis is ook voldaan. De kinderen bevonden zich ten tijde van het indienen van de inleidende verzoeken in Nederland en de getroffen maatregelen naar Nederlands recht hebben een voorlopig karakter. De bestreden beschikkingen van 30 augustus 2018 en 18 september 2018 zijn dan ook beide gegeven naar aanleiding van de voor de kinderen ontstane (onduidelijke) situatie vanaf 29 augustus 2018, die in hun belang een onmiddellijke voorziening, gebaseerd op artikel 20 Brussel II-bis, rechtvaardigde.

De voorlopige ondertoezichtstelling

5.3

De moeder kan zich met de beslissing van de kinderrechter om de kinderen voorlopig onder toezicht te stellen, die is gebaseerd op artikel 1:257 van het Burgerlijk Wetboek (BW), niet verenigen. Zij verzoekt daarom in hoger beroep de bestreden beschikking van 30 augustus 2018 voor zover het die beslissing betreft te vernietigen.

5.4

Gelet op het bepaalde in artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen beschikkingen op grond van artikel 1:257 BW geen hoger beroep open. Om die reden zal het hof de moeder in dit verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

De spoedmachtigingen tot uithuisplaatsing

5.5

De vraag ligt voor of ten tijde van verlening door de kinderrechter van de (spoed)machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen met ingang van 30 augustus 2018 voor de duur van vier weken (hierna: de spoedmachtigingen tot uithuisplaatsing) is voldaan aan de voorwaarde van onmiddellijk en ernstig gevaar voor de kinderen, zoals is bepaald in artikel 800 lid 3 Rv jo artikel 1:265b lid 1 BW.

5.6

Vaststaat dat ten tijde van verlening van de spoedmachtigingen tot uithuisplaatsing de moeder in verzekering was gesteld en de vader niet bereikbaar was (zie hiervoor rechtsoverweging 5.2). Als gevolg hiervan waren de kinderen op dat moment zonder (één van) de ouders en ontstond er onmiddellijk en ernstig gevaar voor de kinderen. Gelet op deze omstandigheid is naar het oordeel van het hof reeds voldaan aan de wettelijke vereisten voor het verlenen van de spoedmachtigingen tot uithuisplaatsing, nog daargelaten hetgeen hierna wordt overwogen over de bij bestreden beschikking van 18 september 2018 verleende machtigingen tot uithuisplaatsing met ingang van 27 september 2018 tot 30 november 2018.

De machtigingen tot uithuisplaatsing

5.7

De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte de machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen over de periode van 27 september 2018 tot 30 november 2018 (hierna: de machtigingen tot uithuisplaatsing) heeft verleend.

De raad voert gemotiveerd verweer.

5.8

In de bestreden beschikking van 18 september 2018 heeft de kinderrechter naar het oordeel van het hof deugdelijk gemotiveerd welke ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen bestaat en waarom een uithuisplaatsing in het belang van hun verzorging en opvoeding noodzakelijk is. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor een machtiging tot uithuisplaatsing op grond van artikel 1:265b lid 1 BW. Het hof is het eens met de overwegingen van de kinderrechter in die bestreden beschikking en maakt die tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd.

5.9

Het hof is uit de processtukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat nog steeds ernstige zorgen bestaan over de verzorging en opvoeding van de kinderen. De kinderen laten signalen zien van betrokkenheid bij diefstal, [kind 2] en [kind 1] kunnen niet lezen en schrijven en er is sprake van ernstige gebitsproblemen bij de kinderen. Verder bestaat nog steeds onduidelijkheid op meerdere vlakken, onder andere ten aanzien van de verblijfplaats van het gezin afgelopen jaren tot heden en de vraag of en welk onderwijs de oudste twee kinderen hebben genoten. De moeder voert aan dat de gewone verblijfplaats van haar en de kinderen in Groot-Brittannië is en dat [kind 2] en [kind 1] thuisonderwijs krijgen, maar dit is naar het oordeel van het hof niet aangetoond. De raad verricht onderzoek naar de achtergrond en verblijfsgegevens van de kinderen en de ouders via de sociale diensten van de bij de raad bekende (door de ouders opgegeven) woonplaats en via het Britse consulaat, maar dit heeft nog niet tot concrete informatie en duidelijkheid geleid. Door middel van de huidige uithuisplaatsing is – in afwachting van de resultaten van het lopende onderzoek – gewaarborgd dat de kinderen op een veilige plek verblijven en dat passend onderwijs en passende hulpverlening voor hen wordt ingezet.

Concluderend is aan de wettelijke gronden voor de machtigingen tot uithuisplaatsing voldaan. Dat sprake is van een hechte familieband tussen de ouders en de kinderen, hetgeen de moeder aanvoert en uit de processtukken, het kindgesprek met [kind 1] en het verhandelde ter zitting ook duidelijk naar voren komt, leidt niet tot een ander oordeel. Gebleken is dat de GI oog heeft voor die hechte familieband en er voor zorg draagt dat voldoende frequent contact tussen de ouders en de kinderen plaatsvindt.

5.10

Indien de kinderen hun gewone verblijfplaats in Groot-Brittannië blijken te hebben, hetgeen ten tijde van de behandeling ter zitting niet vaststond, dan ligt het naar het oordeel van het hof voor de hand dat de raad de zaak zo spoedig mogelijk overdraagt aan de Britse autoriteiten.

6 De slotsom

De moeder zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek in hoger beroep tegen de bestreden beschikking van 30 augustus 2018 met betrekking tot de voorlopige ondertoezichtstelling van de kinderen.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen falen de grieven en zal het hof de bestreden beschikkingen van 30 augustus 2018 en 18 september 2018 bekrachtigen met betrekking tot de verleende machtigingen tot uithuisplaatsing van alle kinderen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep tegen de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 30 augustus 2018 voor zover dat betrekking heeft op de voorlopige ondertoezichtstelling van de kinderen;

bekrachtigt de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 30 augustus 2018 en 18 september 2018, die is hersteld bij beschikking van
25 september 2018, met betrekking tot de verleende machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, E.B. Knottnerus en M.J. Stolwerk, bijgestaan door de griffier, en is op 22 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.