Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10176

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-11-2018
Datum publicatie
22-11-2018
Zaaknummer
21-006605-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling tijdens ontgroening studentenvereniging.

Tenlastegelegd is primair zware mishandeling, subsidiair poging tot zware mishandeling en meer subsidiair mishandeling. De rechtbank heeft het primaire feit (zware mishandeling) bewezen verklaard en verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. De vordering van de benadeelde partij is voor een bedrag van

€ 5.066,80 door de rechtbank toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

In hoger beroep heeft de advocaat-generaal bevestiging van het vonnis gevorderd. De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.

Het hof komt anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal tot vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling. Gemotiveerde (deel-)vrijspraken en bewijsoverwegingen. Ook wijst het hof het subsidiaire verzoek van de advocaat-generaal tot nader onderzoek door een deskundige op het terrein van neurologie af. Het hof legt een geldboete ter hoogte van € 1.000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis op. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting vormt voor de behandeling in hoger beroep.

Uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland: ECLI:NL:RBNNE:2017:4461

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006605-17

Uitspraak d.d.: 22 november 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 23 november 2017 met parketnummer 18-830133-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. T. van der Goot, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Noord-Nederland heeft in deze zaak op 23 november 2017 vonnis gewezen, naar aanleiding van het onderzoek op de zitting op 9 november 2017. De rechtbank heeft het primair tenlastegelegde (zware mishandeling) bewezen verklaard en verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Tevens heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 5.066,80, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is veroorzaakt, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen. Het hof komt tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging dan de rechtbank. Ook komt het hof tot een andere beslissing met betrekking tot de vordering benadeelde partij. Daarom zal het hof opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 25 augustus 2016, in de [gemeente] , aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, immers heeft verdachte opzettelijk, terwijl die [slachtoffer] op de grond (betonnen vloer) lag, (met kracht) zijn geschoeide voet op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] gezet/geplaatst en/of (vervolgens) (daarbij) druk op het hoofd van die [slachtoffer] uitgeoefend;

subsidiair:
hij op of omstreeks 25 augustus 2016, in de [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, terwijl die [slachtoffer] op de grond (betonnen vloer) lag, (met kracht) zijn geschoeide voet op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft gezet/geplaatst en/of (vervolgens) (daarbij) druk op het hoofd van die [slachtoffer] heeft uitgeoefend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:
hij op of omstreeks 25 augustus 2016, in de [gemeente] , opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer] , heeft mishandeld, immers heeft verdachte opzettelijk, terwijl die [slachtoffer] op de grond (betonnen vloer) lag, (met kracht) zijn geschoeide voet op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] gezet/geplaatst en/of (vervolgens) (daarbij) druk op het hoofd van die [slachtoffer] uitgeoefend, ten gevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak primair en subsidiair tenlastegelegde

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep wordt bevestigd.

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Met betrekking tot het primair en subsidiair tenlastegelegde, heeft hij samengevat het volgende aangevoerd.

De rechtbank heeft de feiten niet op juiste wijze vastgesteld. Aan de aangifte kent de rechtbank voor het bewijs doorslaggevende waarde toe, terwijl voor essentiële delen van die aangifte geen steunbewijs aanwezig is. Van zwaar lichamelijk letsel is gezien de wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad, geen sprake. Tijdens onderzoeken in het ziekenhuis is niet gebleken van vocht uit het oor. Dit vocht uit het oor is enkel op een (veel) later moment door familieleden waargenomen. Daarnaast kan niet worden vastgesteld wat de aard van het vocht is geweest en is niet vastgesteld dat het hersenvocht betrof. Al met al kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een schedelbasisfractuur. Ook is operatief ingrijpen niet noodzakelijk geweest.

Nu van vol opzet niet blijkt, dient beoordeeld te worden of er sprake was van voorwaardelijk opzet. In dit specifieke geval zijn er geen ervaringsregels waaruit de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel kan worden afgeleid. Van de aanvaarding van een dergelijke kans door verdachte blijkt niet op grond van getuigenverklaringen, maar ook niet op grond van de uiterlijke verschijningsvorm, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Aan verdachte is primair zware mishandeling tenlastegelegd en subsidiair poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Om tot een bewezenverklaring van één van deze verwijten te komen, dient er in elk geval wettig en overtuigend bewijs te zijn voor verdachtes opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijke letsel.

Aangever heeft over het incident verklaard dat hij op voornoemde wijze op de grond lag en verdachte zijn voet van verdachte op zijn hoofd had gezet. Al na ongeveer een seconde nam de druk heel snel toe. Aangever kreeg hoofdpijn. Hij begon te schreeuwen en probeerde de voet van verdachte van zijn hoofd te halen. Hij slaagde er echter niet in om zich aan de situatie te onttrekken. Daarna ging verdachte nog ongeveer vijf seconden door.

Verdachte heeft erkend dat hij op 25 augustus 2016 tijdens de ontgroeningstijd bij studentenvereniging [vereniging] , hierna [vereniging] , een geschoeide voet op de linkerzijde van het hoofd van aangever heeft geplaatst. Aangever lag op dat moment op zijn buik, met zijn rechterwang op een betonnen vloer. Verdachte heeft daarbij enige druk met zijn voet uitgeoefend.

Aan het hof ligt de vraag voor of er sprake was van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Er is geen bewijs in het dossier aanwezig dat verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, in die zin dat het zijn bedoeling was om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Het hof dient vervolgens te beoordelen of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De concrete handeling van het plaatsen van de geschoeide voet op een hoofd is op zichzelf

- gelet op de uiterlijke verschijningsvorm - geen handeling die zonder meer gericht is op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel.

Dat kan anders zijn indien er in toenemende mate druk wordt uitgeoefend. Als een persoon haar of zijn voet op het hoofd van een slachtoffer plaatst en het slachtoffer dan schreeuwt, kan dat een duidelijke aanwijzing zijn dat er met die voet veel druk op het hoofd wordt uitgeoefend.

Aangever heeft zoals hierboven vermeld verklaard dat hij al heel erg snel een hoge druk op zijn hoofd voelde en dat hij heeft geschreeuwd en dat hij nog vragen heeft beantwoord.

Verdachte heeft echter niet gemerkt dat aangever op een andere manier heeft laten blijken dat hij zich in een ongemakkelijke of pijnlijke positie bevond, door bijvoorbeeld te schreeuwen.

Geen van de in de directe omgeving aanwezige getuigen heeft verklaard dat zij aangever hoorden schreeuwen of roepen.

De verklaring van aangever is de enige bron waaruit kan blijken dat hij geschreeuwd heeft of verbaal heeft aangegeven pijn te hebben gehad. Zijn verklaring vindt op dit specifieke punt onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat een grammaticale interpretatie van 'schreeuwen' voor de hand ligt. De door de rechtbank gegeven interpretatie van de term schreeuwen past niet bij het dagelijkse spraakgebruik. Schreeuwen duidt op hard roepen. Een schreeuw is hoorbaar voor personen in de nabije omgeving.

Nu er geen steunbewijs voorhanden is dat aangever heeft geschreeuwd terwijl de voet van verdachte op zijn gezichtshelft was geplaatst, kan niet worden bewezen dat verdachte met een zodanige kracht met zijn voet op het hoofd van aangever heeft gedrukt dat daaruit volgt dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ander bewijs voor dat opzet ontbreekt.

Het hof acht, gezien het hiervoor overwogene, het primair en subsidiair tenlastegelegde dan ook niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging mishandeling zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebbend

Een minder verstrekkend verwijt dat in de tenlastelegging staat, is dat verdachte aangever heeft mishandeld. Wel staat daar in die tenlastelegging bij dat die mishandeling zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.

De vraag is of er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor dat zwaar lichamelijk letsel is.

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat dat bewijs er niet is.

Het hof overweegt daarover als volgt.

Als juridische toetsingskader heeft het hof gelet op recente rechtspraak van de Hoge Raad. Hij overwoog1:

Het Wetboek van Strafrecht bevat geen definitie of omschrijving van zwaar lichamelijk letsel. Art. 82 Sr geeft echter wel tot op zekere hoogte invulling aan dat begrip doordat deze bepaling inhoudt dat onder zwaar lichamelijk letsel wordt begrepen: "ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden, en afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw", alsmede "storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft". Blijkens de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8-10 besproken wetsgeschiedenis strekt art. 82 Sr ertoe buiten twijfel te stellen dat in de in die bepaling genoemde gevallen sprake is van zwaar lichamelijk letsel, maar is niet beoogd in art. 82 Sr een limitatieve opsomming te geven.

In lijn met de wetsgeschiedenis is in de rechtspraak van de Hoge Raad vooropgesteld dat art. 82 Sr de rechter de vrijheid laat om ook buiten de hiervoor onder 2.2 aangeduide gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen wanneer dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Gelet op de uiteenlopende vormen waarin lichamelijk letsel zich kan voordoen, kan bezwaarlijk precies worden aangegeven wanneer dat letsel als zwaar lichamelijk letsel geldt.

Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. (Vgl. onder meer HR 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5802, NJ 2000/510.) De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit (vgl. HR 15 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5618).

De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen hetgeen algemene ervaringsregels omtrent die gezichtspunten leren.

Wat de aard van het letsel betreft, kan uit de onder 2.2 genoemde wetsgeschiedenis worden afgeleid dat, buiten de in art. 82 Sr genoemde gevallen, ook het verlies van het gebruik van een zintuig, verminking en verlamming als zwaar lichamelijk letsel zijn te beschouwen. Van zodanig letsel kan eveneens sprake zijn bij ernstige lichamelijke schade aan de gezondheid, bijvoorbeeld vanwege een inwendige biochemische ontregeling die haar oorsprong vindt in het achterwege laten van het gebruik van voor de gezondheid onontbeerlijke geneesmiddelen of vanwege een besmetting van een persoon met een bacterie of virus, zoals het HIV-virus (vgl. HR 1 maart 1983, ECLI:NL:HR:1983:AB7540, NJ 1983/497, respectievelijk HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552).

Psychische gevolgen die niet zonder meer zijn aan te merken als een (ver)storing van de verstandelijke vermogens zoals bedoeld in art. 82, tweede lid, Sr, kunnen echter niet worden aangemerkt als "zwaar lichamelijk letsel" (vgl. met betrekking tot thans art. 248, zevende lid, Sr, HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407, NJ 2013/436).

Een veelvoorkomende categorie letsel betreft (bot)fracturen. Indien sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, geldt in de regel dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Ten aanzien van gebitsschade, zoals afgebroken tanden, verdient opmerking dat, nu gebitsschade niet zonder meer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, in beginsel nadere specifieke vaststellingen met betrekking tot in het bijzonder de noodzaak en de aard van het medische (tandheelkundige) ingrijpen, noodzakelijk zijn. Overigens kan, in relatie tot de hier genoemde alsook andersoortige vormen van letsel, relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen.

Een ander mogelijk gezichtspunt betreft het uitzicht op herstel. Daarbij geldt – ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden – dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, doch ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Voorts kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. Daarom is bijvoorbeeld de enkele vaststelling dat sprake is van een (al dan niet zware) hersenschudding, niet toereikend voor de kwalificatie "zwaar lichamelijk letsel"; daarvoor zijn nadere vaststellingen noodzakelijk (vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:89).

In voorkomende gevallen kan in de beoordeling voorts worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.

De beantwoording van de vraag of letsel als "zwaar lichamelijk letsel" moet worden aangemerkt, is buiten de hiervoor onder 2.2 aangeduide gevallen in belangrijke mate voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zijn oordeel dienaangaande kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Indien echter uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie.

Vaststelling en waardering van de feiten

In het dossier bevindt zich een aantal medische verklaringen naar aanleiding van aangevers klachten. Die klachten bestonden onder meer uit hoofdpijn en vochtverlies uit het oor.

Volgens de medische verklaring van neuroloog Dr. Van der Naalt had aangever licht traumatisch hersenletsel.

Over de diagnose van een schedelbasisfractuur zijn de ingeschakelde deskundigen zeer terughoudend. Zo schrijft Van der Naalt in zijn verslag: "een bijkomende schedelbasisfractuur is niet met zekerheid uitgesloten gezien de anamnese van progressieve hoofdpijn en braken verergerd door overeind komen met het vochtverlies uit het oor, hoewel er geen retro-auriculaire of peri-orbitale hematomen zijn waargenomen".

Het hof begrijpt uit de verklaring die forensisch geneeskundige Vonk ter zitting van de rechtbank heeft afgelegd dat als het door aangever beschreven vochtverlies uit het oor hersenvocht is, sprake is van een schedelbasisfractuur. Van der Naalt laat zich daar echter veel terughoudender over uit, terwijl Vonk ook heeft verklaard dat onderzoek moe(s)t uitwijzen dat het hersenvocht betrof.

Het hof stelt vast dat de aard van dat vocht niet vastgesteld is en acht het niet aannemelijk dat zulk nader onderzoek nog kan plaatsvinden. Gezien de inhoud van het dossier concludeert het hof dat voor nader onderzoek geen onderzoeksmateriaal aanwezig is.

Conclusie over het tenlastegelegde letsel

Het hof acht onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachtes handelen bij aangever een schedelbasisfractuur heeft veroorzaakt. Evenmin acht het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat dat handelen ander zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt nu het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat.

Wel acht het hof, ook gezien het verslag van Van der Naalt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachtes handelen bij aangever licht traumatisch hersenletsel heeft veroorzaakt. Dat gevolg kan redelijkerwijs aan verdachtes handeling worden toegerekend.

Daarnaast heeft verdachte bij aangever pijn veroorzaakt. Aangever lag met zijn rechterwang op een betonnen vloer, terwijl een geschoeide voet van verdachte op een zijkant van zijn gezicht was geplaatst en verdachte daarbij met die voet enige druk heeft uitgeoefend. Aangever moet daardoor pijn hebben ondervonden.

Beslissing over de voorwaardelijke vordering tot nader onderzoek

De advocaat-generaal heeft ter zitting van het hof een voorwaardelijke vordering gedaan. Zij heeft gevorderd dat het hof nader onderzoek door een neurologisch professor zal laten verrichten als er twijfel bestaat over de duiding van het vocht dat aangever heeft verloren.

Het hof toetst deze vordering aan het noodzaak-criterium.

Het hof stelt vast dat deze vordering in de fase van het hoger beroep is gedaan en dan pas ten tijde van het requisitoir. Daarnaast acht het hof de benoeming van een dergelijke deskundige nutteloos omdat - zoals het hof net al overwoog - niet aannemelijk is dat zulk nader onderzoek nu nog kan plaatsvinden.

Het hof wijst de vordering dan ook af.

Overweging over de wederrechtelijkheid

Het minst ernstige verwijt dat in de tenlastelegging staat, hoewel impliciet geformuleerd, is dat verdachte aangever heeft mishandeld. Dat mishandelen bestaat uit het opzettelijk toebrengen van pijn en/of letsel aan aangever.

De raadsman heeft in hoger beroep eveneens vrijspraak bepleit van die mishandeling. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat er geen bewijs in het dossier voorhanden is voor het impliciete bestanddeel 'wederrechtelijkheid'. Onder verwijzing naar de literatuur heeft hij betoogd dat in het onderhavige geval sprake is van een impliciete toestemming die wordt gegeven tijdens de introductietijd voor lichte feiten, waarbij een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording aan het lichaam kan ontstaan, en ook pijn.

Het hof stelt vast dat verdachte op 25 augustus 2016 in het kader van de ontgroeningstijd bij [vereniging] een geschoeide voet op het hoofd van aangever heeft geplaatst. Aangever lag op dat moment op zijn buik, met zijn rechterwang op een betonnen vloer.

Het hof dient te beoordelen of verdachte door aldus te handelen wederrechtelijk heeft gehandeld.

Het hof begrijpt het gevoerde verweer zo dat de raadsman een beroep doet op geldende rechtspraak over sport- en spelsituaties,2 waarmee volgens de raadsman een ontgroeningstijd vergelijkbaar zou kunnen zijn.

De Hoge Raad overwoog daarover onder meer:

4.5.

Opmerking verdient dat de omstandigheid dat de gedraging is verricht in een sport- of spelsituatie, in een geval als het onderhavige wel van belang zou kunnen zijn voor de vraag of het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als mishandeling (vgl. HR 10 september 1996, DD 97.0040). De deelnemers aan een sport, zoals voetbal, hebben immers tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over en weer van elkaar te verwachten, terwijl bij een door duidelijke spelregels afgebakende sport die spelregels mede van belang zijn voor het bepalen van de grenzen van de wederrechtelijkheid. Dat geldt echter in de regel niet voor gedragingen die los staan van een spelsituatie waarbij een speler een andere speler letsel toebrengt, terwijl bij gedragingen die in een spelsituatie plaatsvinden, een speler de spelregels op dusdanige wijze kan schenden en zo gevaarlijk kan handelen dat van het ontbreken van wederrechtelijkheid geen sprake kan zijn.

Naar het oordeel van het hof is er hier geen sprake geweest van een gedraging van verdachte die een aspirant student bij een ontgroening kan verwachten.

Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat er geen sprake is van impliciet gegeven toestemming door aangever voor de handelwijze van verdachte. De rechtspraak waarnaar de raadsman heeft verwezen ziet, zoals hij zelf ook aangaf, op 'lichte feiten'. Het opzettelijk veroorzaken van pijn en/of letsel bij een ander door een geschoeide voet op of tegen het hoofd van een eerstejaars student te plaatsen valt daar niet onder.

Verdachte heeft daarnaast ook zelf verklaard dat het een gouden regel is dat 'je zoiets niet doet', daarmee doelend op het plaatsen van een voet op het hoofd.3 De handeling die verdachte verrichtte past dan ook niet binnen de voor de ontgroeningsperiode geldende 'spelregels'.

De gedraging die verdachte heeft verricht is wederrechtelijk.

Het hof acht het dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever heeft mishandeld, zoals meer subsidiair tenlastegelegd.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

meer subsidiair:
hij op 25 augustus 2016, in de gemeente [gemeente] , opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer] , heeft mishandeld, immers heeft verdachte opzettelijk, terwijl die [slachtoffer] op de grond (betonnen vloer) lag, zijn geschoeide voet op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] gezet/geplaatst, waardoor die [slachtoffer] pijn en letsel heeft bekomen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Tijdens de ontgroeningsperiode bij [vereniging] heeft verdachte aangever, een aspirant-lid van de studentenvereniging, mishandeld. Een ontgroeningsperiode gaat doorgaans gepaard met enig ongemak, maar mishandeling kan en mag ook daarbij niet aan de orde zijn. Net als de rechtbank houdt het hof er rekening mee dat verdachte aangever niet alleen pijn heeft gedaan, maar ook persoonlijk heeft willen vernederen. Verdachte immers heeft als voorzitter van de [commissie] uitsluitend aangever op deze wijze bejegend, terwijl binnen de commissie drie andere, kennelijk binnen de vereniging geaccepteerde, vormen van de correctie van gedrag van 'feuten' waren afgesproken.

Uit de slachtofferverklaring van aangever blijkt dat het incident erg veel impact heeft gehad op hem en zijn familie en dat het ook nu nog steeds een rol speelt in hun dagelijks leven. Aangever onderkent in zijn verklaring dat de mate van impact is beïnvloed door de grote mediabelangstelling die er is geweest voor dit incident.

Daarnaast is hem door toedoen van verdachte een zorgeloze start van zijn studententijd ontnomen.

Het hof houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover die uit het dossier blijken en op de zittingen van het hof en de rechtbank naar voren zijn gekomen. Vanwege de uitgebreide media-aandacht voor deze zaak en de aanwezigheid van journalisten bij de behandeling van de zaak, heeft verdachte geen uitgebreide toelichting willen geven op zijn huidige persoonlijke situatie.

Het hof komt anders dan de rechtbank tot vrijspraak van de verdachte verweten zware mishandeling en veroordeelt hem voor mishandeling. Dat is een beduidend minder ernstig feit. Bij het bepalen van de straf heeft het hof acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS ter zake mishandeling.

Gezien deze feiten en omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om verdachte een gevangenisstraf of een taakstraf op te leggen.

Alles afwegende, komt het hof tot de oplegging van een geldboete ter hoogte van € 1.000,-.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt € 5.066,80. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De vordering is in hoger beroep voor de volle omvang aan de orde.

De verdediging heeft de vordering uitdrukkelijk betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de beoordeling van de civiele schadevergoeding dient het hof te kunnen vaststellen in hoeverre de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het strafbare handelen van verdachte. De onderbouwing van de gevorderde schadevergoeding is met name gebaseerd op het zwaar lichamelijke letsel dat zou zijn ontstaan. Het hof heeft de door verdachte verrichte en bewezen verklaarde handeling niet gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, maar gekwalificeerd als pijn en letsel. Omdat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel, heeft dit consequenties voor de beoordeling van de civiele vordering.

De behandeling en beoordeling van de civiele vordering levert naar het oordeel van het hof onder de gegeven omstandigheden een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof ziet geen aanleiding, mede vanwege de complexiteit van de vordering, om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen, teneinde de benadeelde partij een op de bewezenverklaarde mishandeling toegespitste onderbouwing te laten geven. Dit brengt mee dat de benadeelde partij in het strafproces in hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Zij kan haar vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. A. van Holten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.M. de Groot-Fondse, griffier,

en op 22 november 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Deuring is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051.

2 HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7087, rechtsoverweging 4.5.

3 Pagina 479 van het dossier.