Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1016

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
01-02-2018
Zaaknummer
200.222.092/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak, Wwz. Hof is met de kantonrechter van oordeel dat de arbeidsovereenkomst moest worden ontbonden, zij het dat de kantonrechter op de g-grond heeft ontbonden en het hof van oordeel is dat ontbinding op de primair aangevoerde d-grond aangewezen was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/601
AR-Updates.nl 2018-0152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.222.092/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, 5917642)

beschikking van 31 januari 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerder, tevens verzoeker in het voorwaardelijke tegenverzoek,

hierna: [verzoeker] ,

advocaat: mr. M.C. Zaal,

tegen

de naamloze vennootschap

Achmea Interne Diensten N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in hoger beroep,
in eerste aanleg: verzoekster, tevens verweerster in het voorwaardelijke tegenverzoek,

hierna: Achmea,

advocaat: mr. B.S. Hagemann.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere) van 11 juli 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift (met producties) van [verzoeker] , ter griffie ontvangen op 21 augustus 2017;

- het verweerschrift (met producties) van Achmea;
- de aanvullende producties van [verzoeker] , ingekomen op 15 november 2017;

- de op 22 november 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

2.2

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald op 8 januari 2018 of zoveel eerder als mogelijk is. Op 8 januari 2018 is de beschikking aangehouden tot heden.

3
3. De feiten

3.1

In hoger beroep staan de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, vast.

3.2

[verzoeker] , geboren [in] 1959, is sinds [---] 1987 voor onbepaalde tijd in dienst van Achmea.

3.3

[verzoeker] is werkzaam in de functie van IT Specialist (officieel: Specialist binnen het IT-domein), laatstelijk tegen een salaris van € 5.406,80 bruto, exclusief emolumenten. Binnen deze functie had [verzoeker] de rol van Systeem Specialist met de specialisatie Business Intelligence (ook: BI). [verzoeker] heeft voornamelijk expertise opgebouwd binnen het aandachtsgebied GEO, dat zich richt op het maken, opslaan, beheren en gebruiken van geografische informatie.

3.4

Sinds eind 2014 wordt er binnen Achmea IT een functionele scheiding gehanteerd tussen run, build en steer activiteiten. ‘Run’ ziet op de instandhouding van de IT-processen, ‘build’ op de bouw en wijziging van IT-systemen en ‘steer’ op de besturing daarvan. De door medewerkers gewerkte uren worden wekelijks geschreven op de urencodes, die zijn getypeerd als run, build of steer. De werkzaamheden van [verzoeker] vallen onder de categorie build (waar ook data-analyse onder valt).

3.5

Achmea heeft het functioneren van [verzoeker] over 2015 als onvoldoende beoordeeld (4 op de aflopende schaal van 1 tot 5). In het beoordelingsformulier staat onder meer:

“1.1.15 Team en medewerker

(…)

Toelichting beoordeling: (…) Je duurzame inzetbaarheid is een zorg punt. Hoewel het eerste halve jaar duidelijk was dat je buiten GEO niet voldoende inzetbaar bent en je gekozen hebt om ETL te leren, is je inzet hierop traag. Je hebt inmiddels meerdere GEO trainingen gedaan en de ETL training is alleen nog maar gepland. Dit jaar zal je niet zelfstandig ETL kunnen ontwikkelen en daarmee heb je deze afspraak niet gehaald.

(…)

3. Eindbeoordeling

Eindbeoordeling en toelichting: 04: Afspraken deels gehaald

Een 4 beoordeling houdt in dat je niet alle afspraken hebt gehaald.

Op diverse punten haal je je afspraken dus wel. Je inzet is duidelijk en je hebt je basis op orde. Je bent resultaatgericht. Je hebt passie voor je vak en weet regelmatig anderen hier enthousiast voor te krijgen. Er zijn regelmatig lovende klantwaarderingen.

Verbetering is zeker mogelijk. Dit betreft vooral communicatie en samen naar resultaat werken. Volgend jaar nog meer dan dit jaar, is het van belang dat de toegevoerde waarde wordt aangetoond en dat er gestuurd wordt hier in te verbeteren.

Ten aanzien van het soort werk wat je doet, voorzie ik dat deze meer door de business zelf kan en zal worden uitgevoerd en dat GEO minder tot zelfbouw applicaties gaat leiden, maar dat de standaard functionaliteit breder in het bedrijf wordt gezet. Ik voorzie geen GEO competentie opbouw binnen het team analytics, maar afbouw. Bert stelt dat er nog heel veel groei mogelijk is. Bert, ik daag je natuurlijk uit om dit volgend jaar aan te tonen.”

3.6

De opmerking in dit beoordelingsformulier onder 1.1.15, dat de ETL training alleen nog maar gepland is, is in zoverre onjuist dat [verzoeker] van 27 oktober tot 30 oktober 2015 één module (de training ‘PowerCenter 9x: Developer, Level 1’) heeft gevolgd en het certificaat heeft behaald.

3.7

Op 17 december 2015 hebben afdelingsmanager [B] en P&O adviseur [C] met [verzoeker] gesproken naar aanleiding van een e-mail van die ochtend van [verzoeker] , waarin hij stelde dat hij aspecten van de bejegening van zijn leidinggevende [D] als pesten ervoer. Het verslag van dit gesprek is op 13 januari 2016 aan [verzoeker] toegestuurd. In het gespreksverslag staat onder meer:

“Onvermijdelijk hierin is onze indruk dat er tussen jou en [D] een visie verschil is over hoe de werkzaamheden van GEO door jou worden uitgevoerd in relatie tot de inrichting van Achmea IM&IT. Onze indruk hierbij is dat als gedreven GEO specialist en expert je graag met alle facetten van deze werkzaamheden bezighoudt teneinde toegevoegde waarde te creëren voor Achmea. Daarbij valt op dat het wel lastig blijkt te zijn om deze waarde creatie te gelde te maken in een omgeving zoals Achmea. Desondanks ga jij vol overtuiging en volharding door met Geo op de kaart zetten. Je creëert hierbij je eigen werk en je eigen netwerk (je benoemt ook dat klanten van ‘jou’ zijn). Gezegd moet worden dat je recent hierbij voor Achmea duidelijk in de spotlights bent geweest. De samenwerking met je directe collega en [D] komt op ons over als moeizaam en voor jou zelfs belemmerend. Kenmerkend hierin is dat jij je in de Geo werkzaamheden niet laat beperken door indeling, inrichting en hiërarchie. Deze gedrevenheid siert je maar lijkt de samenwerking ook in de weg te staan. De reflectie hierop wordt in het gesprek geprobeerd te bewerkstelligen maar het lijkt als we hierbij niet tot jou doordringen.

Je geeft aan dat de oplossing zou kunnen zijn door de werkzaamheden in de keten onder [E] te gaan uitvoeren onder leiding van [F] . Je geeft ook aan hierover met hem in gesprek te zijn. In reactie hierop geven we aan dat we hiermee de ontstane situatie verplaatsen en stellen we ons de vraag of dit daadwerkelijk iets oplost. Reden hiervoor is dat werkzaamheden zowel voor Geo of voor andere tooling gedifferentieerd is binnen IM&IT en dat betekent dat je altijd maar met delen van welke tooling dan ook te maken zult hebben en er derhalve op termijn opnieuw wrijving met jou zal ontstaan over hoe jij je werk uitvoert.”

3.8

Op 18 december 2015 heeft [verzoeker] een e-mailbericht aan Achmea gestuurd met als onderwerp “Overplaatsing?”, waarin [verzoeker] voorstelt om een aantal diensten over te laten gaan naar IT Delivery S&I en dat hij als werknemer dat werk volgt. [B] heeft bij

e-mailbericht van 18 december 2015 geantwoord op deze mail dat er geen sprake is van een reorganisatie en al helemaal niet van een 'mens volgt werk situatie'. Voorts heeft [B] onder meer geschreven dat de functionele scheiding die is aangebracht niet aansluit bij de wijze waarop [verzoeker] heeft gewerkt in de afgelopen periode, dat dit heeft geleid tot wederzijdse irritatie tussen [verzoeker] en zijn direct leidinggevende in de bijsturing daarop en dat hiervoor een structurele oplossing moet komen.

3.9

Op 14 januari 2016 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden. Een verslag van dit gesprek is op 5 februari 2016 aan [verzoeker] toegestuurd. In dit verslag staat dat tijdens het gesprek is bevestigd dat van overplaatsing geen sprake is. Verder staat er onder meer:

“Je geeft aan bij voorkeur vanuit cc BI GEO werkzaamheden te verrichten waarbij je de GEO dienstverlening verder wil door ontwikkelen. In reactie hierop is aangegeven dat dit uitsluitend mogelijk is als proces- en functionele scheiding zoals deze o.a. vastligt in het IM&IT proces model wordt gerespecteerd. Dit betekent dat jij eventuele run werkzaamheden overdraagt aan de run en dat je voornamelijk declarabel bent op data analyse en build in het GEO domein. Dit sluit ook aan bij je functie namelijk systeem specialist. (…) Uit jou werkwijze blijkt dat jij de vraag ophaalt in de keten door o.a. ongevraagd advies en informering over de mogelijkheden van GEO en ook tot uitvoering over gaat, (…). Dit is niet in lijn met het procesmodel. (…) Uit PPMC komt naar voren dat je op het moment van het gesprek niet geclaimd bent voor GEO werkzaamheden. Gezien de targetsetting voor 2016 kunnen we ons dat niet permitteren.

Hierover hebben wij afgesproken dat er een roadmap moet komen over hoe GEO dienstverlening vanuit de condities van cc BI vorm kan worden gegeven en welke targets hierbij horen. Jij wordt geacht hier invulling aan te geven waarbij [D] in samenwerking met ondergetekende een ‘kapstok’ bieden zodat voor jou helder is hoe je hier invulling aan kan geven. (…) Aan de hand van de ‘kapstok’ vul jij de afspraken in je Compas aan. Het realiseren van de afspraken zal daarna 2 wekelijks worden besproken tussen jou, [D] en ondergetekende.

Compas is een online omgeving binnen Achmea waarin afspraken over functie, resultaten en persoonlijke groei worden vastgelegd.

3.10

Vervolgens hebben tweewekelijks gesprekken plaatsgevonden. Bij e-mailbericht van 20 maart 2016 heeft [B] aan [verzoeker] onder meer geschreven:

“Morgen bespreken we we weer de voortgang inzake afspraken compas. Tijdens onze vorige afspraak heb ik aangegeven dat de voortgang tot nu toe onvoldoende is en dat de kaderstelling in het compas nog steeds onvoldoende concreet door jou is ingevuld. Als we nu na bijna één kwartaal in 2016 een voorlopige beoordeling opmaken dreig je op een onvoldoende beoordeling uit te komen. Daarom zal ik morgen het verbetertraject agenderen. Doel van een verbetertraject is dat binnen een periode van maximaal 6 maanden verbetering in het functioneren zal optreden. (…) Indien de resultaten onvoldoende zijn kan je je huidige functie niet meer uitoefenen en zullen we overgaan tot een vaststellingsovereenkomst.”

3.11

In het verbeterplan, dat op 6 april 2016 onder protest is ondertekend door [verzoeker] , staat onder meer:

“Naar aanleiding van

- Jouw eindbeoordeling 2015: 4 Afspraken deels gehaald

- Een dreigende onvoldoende eindbeoordeling 2016. Deze zorg is het gevolg van de voortgang en beoordeling van de volgende compas afspraken:

* 1.2.12: werken conform ingerichte processen

* 1.2.13: transparant maken hoe runwerkzaamheden worden afgebouwd voor juli 2016

* 1.2.14: transparant maken welke innovatie en promotie werkzaamheden plaats vinden inclusief welk resultaat dit oplevert.”

In het verbeterplan staat dat de build werkzaamheden moeten worden opgepakt en uitgevoerd conform proces (starten met en doorlopen van het intakeproces, aangevraagd via PPMC, boeken op WBS code) en dat het aantal run uren in juni 2016 daalt naar 0. Werkzaamheden die wel voor run worden gedaan, zijn aantoonbaar per e-mail aangevraagd door het runteam en betreffen kennisoverdracht, niet zelf doen. Daarnaast bevat het verbeterplan afspraken met betrekking tot innovatie en promotie (niet meer dan 16 uur per maand; van te voren duidelijkheid waar innovatie en promotie toe leidt in het verschil in aantal gebruikers van de vernieuwing, afstemming met leidinggevende bij afwijking), business case data analyses (minimaal terugverdienen van gemaakte kosten en inzet van uren, daadwerkelijke data analyse door [verzoeker] ), vertrouwd communiceren (voldoen aan richtlijnen) en werken volgens scrum (werkzaamheden op scrumboard, sprintplanning past op beschikbare uren).

Na afloop van het verbetertraject van zes maanden volgt een evaluatie en wordt bepaald of [verzoeker] duurzaam inzetbaar is en blijft.

3.12

Op 6 april 2016 is het verbetertraject gestart en vanaf dat moment hebben ongeveer iedere twee weken gesprekken plaatsgevonden tussen [D] en [verzoeker] . Van deze gesprekken zijn elf verslagen gemaakt, gedateerd op 14 april 2016, 21 april 2016, 4 mei 2016, 18 mei 2016, 1 juni 2016, 22 juni 2016, 6 juli 2016, 10 augustus 2016, 24 augustus 2016, 19 september 2016, 5 oktober 2016.

3.13

Op 11 oktober 2016 zijn tijdens een gesprek de uitkomsten van het verbetertraject met [verzoeker] besproken. De eindconclusie van Achmea was dat [verzoeker] onvoldoende functioneert. Van het gesprek is een verslag gemaakt, waarin onder meer staat:

Terugkoppeling op de verbeterpunten over de 11 meetmomenten heen en gecombineerd met de resultaatafspraken van het compas:

[verzoeker] presteert onvoldoende. Als zijn leidinggevende ben ik tevreden over [verzoeker] zijn ondernemerschap en over zijn resultaten als gevolg van buildopdrachten. Deze buildopdrachten betreffen (in de periode januari t/m september 2016) ongeveer 1/5 deel van [verzoeker] zijn beschikbare tijd. Ik ben ontevreden over het grootste deel van [verzoeker] zijn inzet. Het is onvoldoende duidelijk welk resultaat er geleverd is. Ik ben zeer ontevreden over de manier waarop [verzoeker] zich niet conformeert naar de organisatorische inrichting en werkt conform ingerichte processen. Dit is van belang om transparantie te hebben over aanleiding van werkzaamheden en welke resultaten verwacht mogen worden.

[verzoeker] wil graag een GEO competentie neerzetten en GEO producten leveren. Echter of de organisatie daar behoefte aan heeft, wacht hij niet af. De verbeterpunten zijn sterk gerelateerd aan dit eigenzinnige gedrag van [verzoeker] . Omdat [verzoeker] geen noodzaak ziet om te verbeteren en dat wel gevraagd is en omdat [verzoeker] vindt dat de verbeterdoelstellingen al kort na aanvang van het verbetertraject zijn gerealiseerd, loopt spanning hoog op en neemt vertrouwen af. Dit blijkt uit diverse escalaties naar senior management, afdeling Human Resources, de Ondernemingsraad en het snel inschakelen van een jurist door [verzoeker] nog voordat het verbeterplan halverwege is.

[verzoeker] wil of kan niet veranderen tenzij hij in eigen persoon de verandering initieert. In een bewegende organisatie zoals Achmea leidt dit tot frustratie en onvoldoende resultaat.

1. Build werkzaamheden (Build werkzaamheden worden conform proces opgepakt en uitgevoerd)

Verbeterpunt: De gevraagde verbetering wordt niet getoond. [verzoeker] start met opdrachten zodra hem bekend is wat hij moet doen. Dit is klantgericht.

Of er budget beschikbaar is of een formele aanvraag op inzet, wacht hij met regelmaat niet af. Dit leidt tot onduidelijkheid of het werken voor oneigenlijke opdrachtgevers. (…)

Compas-werkplan: Het resultaat wat [verzoeker] levert ten gevolge van de build aanvragen conform ingericht proces, worden regulier goed tot zeer goed ontvangen door de opdrachtgever. [verzoeker] is duidelijk bedreven met GEO tooling en in staat om snel resultaat te leveren.

De combinatie van bovenstaande punten leidt ertoe dat wanneer er voldoende vraag is naar [verzoeker] zijn inzet, de tevredenheid toeneemt, maar wanneer deze vraag stokt doet [verzoeker] , wat hij vindt dat hem gevraagd zou moeten worden. Dit is in strijd met wat zijn leidinggevende van hem vraagt. Inzet op GEO build moet alleen gebeuren op vraag van budget dragende stakeholder.

2. Run werkzaamheden (Het aantal uren dat je ingezet bent op run werkzaamheden daalt in juni 2016 naar 0).

Verbeterpunt: De gevraagde verbetering wordt regelmatig getoond. Echter juist aan het einde van het verbetertraject (september) verzet [verzoeker] test werkzaamheden in plaats van kennis overdracht in te zetten. De leidinggevende van het RUN team is in deze keuze niet betrokken. Zijn eigen leidinggevende is in deze keus niet betrokken.

Compas-werkplan : De gevraagde resultaten op de RUN zijn niet gehaald. Uiterlijk 1 juli werd een plan verwacht waarmee de RUN organisatie van voldoende kennis wordt voorzien om zonder hulp van [verzoeker] haar verantwoordelijkheden te kunnen invullen. Na 1 juli is er een aanvullend plan gemaakt door [verzoeker] omdat het originele plan niet volledig was.

3. Innovatie en promotie waaronder ook opleiding van collega’s (Innovatie en promotie beperkt tijd aan besteden en resultaat transparant maken)

Verbeterpunt: [verzoeker] houdt zich aan beschikbaar gestelde uren. De resultaten die geleverd worden zijn niet specifiek of meetbaar en daarmee niet voldoende.

Compas-werkplan: (…) De gerelateerde resultaten zijn niet specifiek of meetbaar. Een compas werkplan gaat juist over aantoonbare resultaten. Op dit punt is het compas werkplan onvoldoende.

4. Business case data analyse (Business case data analyse moet worden uitgevoerd binnen de hiervoor gestelde kaders)

Verbeterpunt: [verzoeker] heeft veel ideeën voor data analyses. Veel ideeën van [verzoeker] zijn niet geschikt om zelf impact na te jagen. (…) [verzoeker] houdt zich aan het gegeven kader om te verbeteren en haalt daarmee dit verbeterpunt.

Compas-werkplan: (…) [verzoeker] is niet succesvol in het bewaken en najagen van impact en deze blijft uit. Het resultaat is daarmee onvoldoende.

5. Vertrouwd communiceren (…)

6. Werken volgens scrum (Alle werkzaamheden met uitzondering van overleg met eigen leidinggevende worden uitgevoerd volgens scrum methode)

Verbeterpunten: Het lijkt alsof [verzoeker] pas later in het verbetertraject begrepen heeft, dat aantoonbaar planmatig werken, helpt om transparant te zijn. (…) Mijn indruk is dat [verzoeker] best planmatig kan werken, maar dat [verzoeker] het niet nodig vindt. Dit blijkt uit zijn weerstand om te starten met scrum en uit het maken van planningen die primair bestaan uit activiteit en startdatum.

3.14

Op 17 oktober 2016 heeft [verzoeker] in het gespreksverslag van 11 oktober 2016 een reactie gegeven (in blauw font). Daarop heeft [D] in datzelfde verslag (in groen) zijn reactie weer gegeven. In reactie op de ‘terugkoppeling’ heeft [verzoeker] onder meer geschreven:

“Ik conformeer me aan de organisatorische inrichting, en werk al jaren conform processen. Toen de Run urencode werd ‘afgepakt’ heb ik me gericht op verbeterplannen maken en innovatie, zoals gevraagd werd. Toen de innovatie code werd ‘afgepakt’ heb ik rechtstreeks met de klant een urencode geregeld. De klant is namelijk tevreden over mijn werk en wil ook dat dat werk voortgezet wordt. We hadden wellicht eerder klantafspraken moeten maken? N.b. het is niet eenvoudig te werken onder iemand die het tegenovergestelde doet van faciliteren, nl. urencodes afpakken.”

3.15

In reactie daarop heeft [D] geschreven:

Reactie [D] : De run urencode werd ‘afgepakt’ omdat de scheiding van run en build al meer dan een half jaar een feit was en [verzoeker] had gekozen voor build. De runcode werd door hem gebruikt om de GEO opdrachten uit te voeren die niet werden gevraagd door business vertegenwoordigers met beschikbaar budget.

De innovatie/promotie urencode is [verzoeker] gegeven als laatste kans voor hem om tijdens het verbetertraject te laten zien wat de toegevoegde waarde is als hij werkt als eigen opdrachtgever. Het betrof 16 uur per maand. Bij onvoldoende resultaat is dit na het verbetertraject stopgezet.

3.16

De conclusie van de eindevaluatie was dat [verzoeker] niet werkzaam kon blijven in zijn huidige functie. Daarop zou een termijn starten van drie maanden waarbinnen een passende functie zou worden gezocht. Achmea heeft ook een beëindigingsregeling voorgesteld met outplacement, welk aanbod [verzoeker] heeft afgewezen.

3.17

Bij e-mailbericht van 8 november 2016 heeft [G] (HR-adviseur) aan [D] bericht dat zij hem en [verzoeker] wekelijks een vacatureoverzicht zal toesturen.

3.18

Op 10 november 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Achmea en [verzoeker] over de stand van zaken op dat moment. Ter voorbereiding op dat gesprek heeft [D] aan [verzoeker] enkele vragen gestuurd. In antwoord daarop heeft [verzoeker] op 10 november 2016 aan [D] gemaild:

Zelf zoeken naar vacatures door [verzoeker] (hoeveel tijd besteed je nu hieraan?)

Ik heb hier niet veel tijd aan besteed. Er is ook geen echte aanleiding voor. Er is werk genoeg in mijn huidige functie. Ik heb eenmaal gesolliciteerd toen ik dacht dat een vacature van het WOK-team aansloot - ook al zet ik mijn huidige werk het liefst voort. Die functie bleek niet aan te sluiten.

Herhalen vrijstelling van reguliere werkzaamheden van [verzoeker] tbv vinden van een passende functie

Ik wil mijn werk graag voortzetten. Het is zelfs behoorlijk druk momenteel. Ook voor 2017 staat er weer genoeg op de planning. Het huidige werk is passend.

Wat kunnen [H] , HR-adviseur, hof] en [D] doen (doorstroom pool - vacature advies)

Wellicht kunnen [H] en [D] met de S&I keten praten over een vacature-stelling? Divisie S&I betaalt immers verreweg de meeste Geo kosten. Ik ben bereid om mijn werk bij Delivery voort te zetten.”

3.19

Van dit gesprek is een verslag gemaakt dat op 14 november 2016 aan [verzoeker] is toegestuurd. Vervolgens heeft op 21 november 2016 nog een gesprek plaatsgevonden tussen partijen en een verslag daarvan is diezelfde dag aan [verzoeker] toegestuurd. Bij e-mailbericht van 23 november 2016 heeft [verzoeker] daarop gereageerd.

3.20

Op 23 november 2016 heeft [verzoeker] aan Achmea een e-mailbericht gestuurd, waarin hij heeft aangegegeven dat er nog steeds sprake is van pestgedrag door [D] . Bij brief van 29 november 2016 heeft [B] op dat e-mailbericht gereageerd.

3.21

Op 8 december 2016 heeft [verzoeker] op de brief van [B] gereageerd en mediation voorgesteld. Er hebben vervolgens voorgesprekken en een verkennend gesprek plaatsgevonden. Op 17 februari 2017 heeft de mediator schriftelijk laten weten de conclusie te trekken dat de mediation niet van start kan gaan.

3.22

Per 1 januari 2017 is [D] opgevolgd door [I] als leidinggevende.

4 Het verzoek aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

Achmea heeft de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verzoeker] te ontbinden op de d-grond, de g-grond of de h-grond, onder toekenning van de transitievergoeding aan [verzoeker] .

4.2

[verzoeker] heeft afwijzing van het verzoek bepleit. Voor het geval het verzoek mocht worden toegewezen heeft [verzoeker] om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding verzocht.

4.3

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking (die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard) de arbeidsovereenkomst per 1 september 2017 ontbonden op de g-grond onder toekenning van de transitievergoeding van € 80.215,- bruto. [verzoeker] is in de proceskosten in eerste aanleg veroordeeld.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

[verzoeker] heeft in zijn hoger beroepschrift, onder aanvoering van vijftien grieven, verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

1. primair: Achmea te veroordelen om met ingang van 1 september 2017, althans een door het hof in goede justitie te bepalen datum, de arbeidsovereenkomst te herstellen;

2. voor het geval Achmea wordt veroordeeld de arbeidsovereenkomst te herstellen na 1 september 2017, een voorziening te treffen in die zin dat Achmea wordt veroordeeld tot betaling van € 5.406,80 bruto per maand, te vermeerderen met emolumenten, alsmede een bedrag inzake gemis aan pensioenopbouw, tot aan de datum van herstel van de arbeidsovereenkomst;

3. subisidiair: Achmea te veroordelen om aan [verzoeker] een billijke vergoeding van € 220.590,- bruto te voldoen;

4. primair en subsidiair: Achmea te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.

5.2

Achmea heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking.

5.3

[verzoeker] heeft onder randnummer 7 en verder van het beroepschrift alsmede met de grieven 1 en 2 enige kritiek geuit op de door de kantonrechter vastgestelde feiten. Het hof heeft onder 3 van deze beschikking de feiten opnieuw vastgesteld, met inachtneming van deze kritiek. Bij een verdere beoordeling van de grieven ten aanzien van de feitenvaststelling heeft [verzoeker] geen belang. Overigens is de rechter, meer in het algemeen, niet gehouden álle gestelde en niet betwiste feiten in zijn uitspraak op te nemen.

5.4

[verzoeker] heeft zich onder de grieven 1 tot en met 10 gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat:

- eind 2015 en begin 2016 onduidelijkheid bestond over de vraag of sprake zou zijn van een reorganisatie van Geo en waar de buildwerkzaamheden van Geo lagen;

- Achmea weliswaar stelt dat [verzoeker] werkzaamheden verricht die zij niet wil, maar dat Achmea aan [verzoeker] nimmer een andere opdracht heeft verstrekt;

- [verzoeker] alleen Run-werkzaamheden heeft verricht op verzoek van Run, wat ook de afspraak was;

- Achmea niet aantoont dat [verzoeker] werkt in strijd met de geldende processen;

- Achmea blijft steken in algemeenheden maar geen concrete voorbeelden noemt;

- Achmea niet concreet benoemt welke werkzaamheden [verzoeker] heeft verricht waar geen opdracht tegenover staat;

- het werkelijke probleem is gelegen in de communicatie tussen [verzoeker] en Achmea, aan welk probleem Achmea, afgezien van de reguliere training ‘vertrouwd communiceren’, niets heeft gedaan;

- geen sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, nu [verzoeker] onder zijn nieuwe leidinggevende [I] geen problemen ondervindt en er evenmin problemen zijn tussen [verzoeker] en het team.

5.5

Het hof overweegt als volgt. De primaire grond waarop Achmea de ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft verzocht is disfunctioneren (de d-grond). Als (een van) de grieven zou slagen, dan zou het gestelde disfunctioneren in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep alsnog, nu de kantonrechter meteen tot beoordeling van de g-grond is overgegaan, beoordeeld moeten worden. Het hof ziet aanleiding om daarmee te beginnen.

5.6

De kern van het door Achmea gestelde disfunctioneren zit erin dat [verzoeker] zich in wezen alleen met Geo-werkzaamheden wil bezighouden en zich niet houdt aan de kaders waarbinnen vanaf de compartimentering van IT-werkzaamheden sinds eind 2014 dient te worden gewerkt en dat hij, voor zover er onvoldoende vraag is naar buildopdrachten op het gebied van Geo, de overige tijd niet besteedt aan werk waar wel vraag naar is (bijvoorbeeld data-analyse), maar eigenzinnig vult met door hem gezocht Geo-gerelateerd werk waarvan het te verwachten resultaat onvoldoende duidelijk is.

5.7

Uit het verbeterplan wordt duidelijk dat Achmea verwacht dat [verzoeker] zijn werkzaamheden volgens de genoemde functiescheiding inricht en dat hij dus in beginsel uitsluitend ‘build’ werkzaamheden verricht. Dat blijkt uit de doelen (‘compas afspraken’) werken conform ingerichte processen en transparant maken hoe runwerkzaamheden worden afgebouwd voor juli 2016. Verder was duidelijk dat uitsluitend op basis van een opdracht van een interne opdrachtgever (een ‘ppmc-opdracht’) werkzaamheden mochten worden opgepakt. Daarnaast moesten de niet-declarabele werkzaamheden, zoals promotie en innovatie, tot een maximum aantal uren beperkt blijven, waarbij bovendien het te verwachten resultaat daarvan inzichtelijk moest worden gemaakt.

5.8

Voor zover [verzoeker] een punt maakt van het aanvangstijdstip van het verbetertraject, te weten 6 april 2016 terwijl het traject volgens het opschrift zou lopen van 21 maart 2016 tot en met 21 september 2016, gaat het hof aan dat bezwaar voorbij. [verzoeker] heeft het plan op 6 april 2016 (onder protest) getekend. Hij was op 21 maart 2016 bekend met de verbeterpunten die in het verbeterplan werden benoemd. Vervolgens is het traject geëvalueerd op 11 oktober 2016, dat wil zeggen meer dan zes maanden na 6 april 2016. Het laatste tweewekelijkse evaluatiemoment vóór de terugkoppeling van 11 oktober 2016 was op 5 oktober 2016. Het verbetertraject heeft dus, zoals de bedoeling was, zes maanden geduurd. Onder die omstandigheden is de vraag of het verbetertraject nu al dan niet officieel op 21 maart 2016 of op 6 april 2016 van start is gegaan niet relevant.

5.9

[verzoeker] heeft verder aangevoerd dat het verbetertraject niet goed van start is gegaan omdat hem niet duidelijk was of Geo build in zijn team thuis hoorde. Het hof volgt [verzoeker] daarin niet. Uit het verbeterplan en de tweewekelijkse besprekingen blijkt duidelijk dat [verzoeker] wel degelijk Geo build werkzaamheden kon verrichten, mits daar vraag naar was (door middel van een ppmc-opdracht). Verder blijkt daaruit dat hij de Geo run activiteiten diende af te bouwen naar nul. Het hof gaat daarom ook aan dit verweer voorbij.

5.10

[verzoeker] heeft voorts aangevoerd dat er sprake is van een feitelijke onjuistheid in zijn beoordeling 2015: hij heeft wel een ETL-training gevolgd. Achmea heeft niet betwist dat in de beoordeling sprake is van deze feitelijke onjuistheid. Dat staat dus vast. [verzoeker] heeft dat echter direct aansluitend aan de beoordeling al medegedeeld. Dat heeft uiteindelijk de beoordeling niet anders doen uitvallen. Achmea heeft deze enkele training te weinig bevonden gelet op de tijd die [verzoeker] had om zijn expertise op dit aandachtsgebied te versterken. Voor de beoordeling of aan het verbetertraject is voldaan, is dit voorts niet relevant.

5.11

De kernvraag is of Achmea heeft bewezen dat sprake is van disfunctioneren. Daarbij is van belang dat het begrip ‘disfunctioneren’ een normatief, beoordelend, element kent. Uitgangspunt is dat het in eerste instantie aan de werkgever is om te beoordelen of een werknemer nog voldoet aan de eisen die aan een functie worden gesteld, maar dat niet tot ontbinding dient te worden overgegaan wanneer een werkgever niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen of zelfs blaam treft, zoals bijvoorbeeld in het geval een werknemer van de ene dag op de andere dag wordt ontslagen wegens onvoldoende functioneren terwijl hij daar nooit eerder op is aangesproken of de werkgever zich niet in voldoende mate heeft ingespannen om hierin verbetering aan te brengen. Dit betekent dat voldoende feiten en omstandigheden moeten komen vast te staan waaruit redelijkerwijs kan worden afgeleid dat sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van de bedongen arbeid. Dat [verzoeker] zich in zijn functioneren diende te conformeren aan de scheiding tussen build, run en steer, en dat hij diende te werken volgens de door Achmea verlangde werkprocessen, staat niet ter discussie.

5.12

Achmea heeft aangevoerd dat sprake is van disfunctioneren. Daarbij heeft zij zich gebaseerd op:

- de onvoldoende beoordeling 2015;

- het (niet succesvol doorlopen van het) verbetertraject en meer in het bijzonder de terugkoppeling van de evaluatie daarvan.

5.13

Bij de beoordeling in dit hoger beroep is met name van belang het verbetertraject en de evaluatie daarvan. Het gaat immers om de vraag of ná het verbetertraject (nog steeds) sprake is van disfunctioneren. Bij de evaluatie van het verbetertraject is verder de vraag of deze overeenstemt met althans is terug te voeren op de tweewekelijkse gesprekken tussen [verzoeker] en [D] .

5.14

Wat betreft de runwerkzaamheden (afbouw naar 0 per 1 juli 2016) is in de tweewekelijkse evaluatieverslagen het volgende te lezen.

- 6 juli 2016: “Het is duidelijk dat de BI run nog enkele maanden langer gebruik wil maken van de kennis van [verzoeker] . Het derde punt van deze verbeterafspraak is daarmee niet haalbaar, maar dit ligt niet aan [verzoeker] . De verbetering is op dit punt zichtbaar. Aandacht is nog wel dat [verzoeker] scherp houdt wat run is en wat build. (….)”

-10 augustus 2016: “De run heeft 48 uur hulp gevraagd vanaf 1 juli 2016. Urenoverzicht laat zien dat je 31 uur besteed hebt sindsdien. Dit gaat dus prima. Je komt naar mij met ideeën om dingen te verbeteren tbv beheersbaarheid zonder dat de run hier zelf om vraagt. Dit is niet de bedoeling. Laat verantwoordelijkheid waar deze is belegd. Je kan escaleren als je stelt dat deze verantwoordelijkheid wordt geschonden. Dit was niet het geval. Dit gaat nog niet goed genoeg.”

- 24 augustus 2016: “Er zijn inmiddels meer dan 50 uur geboekt op run afgelopen weken en er ligt een akkoord op meer inzet van [verzoeker] . [verzoeker] zet alleen in op kennis overdracht. Dit gaat prima.”

- 19 september 2016: “44 uur geboekt in de weken 34 t/m 37. Je bijlage toont alleen een bericht van 22 augustus dat [J] akkoord is op de planning. Je vertelt niet dat er daarna nog wat veranderingen op de planning zijn gekomen met hulp van [K] en het aantal uren fors is gedaald waar jij en [K] op inzetten. Welke opdracht staat hier tegenover ? Besproken, blijft allemaal vaag.”

- 5 oktober 2016: “evaluatie: 5 oktober AB: Ik heb de afgelopen 2 weken geen vraag gezien voor inzet op run.

NB Punt 3 (vanaf juli 2016 is er geen inzet meer op run werkzaamheden, hof) staat nog steeds overeind als niet meer relevant omdat er kennis is verdwenen uit het run team waardoor soms jouw kennis nog gevraagd is. Het niet halen van punt 3 is daarmee niet verwijtbaar. Afspraak gehaald met de kanttekening dat het veel meer moeite kost van 2 teammanagers dan verwacht mag worden van iemand met jouw functie/schaal.”

5.15

In het licht van deze evaluaties acht het hof het niet begrijpelijk dat Achmea in deze procedure aanvoert dat aan [verzoeker] te wijten is dat hij de run-uren niet per 1 juli 2016 heeft teruggebracht tot 0 en dat hij onvoldoende aandacht heeft gehad voor kennisoverdracht. Uit de evaluatie van 5 oktober 2016, in de laatste week van het verbetertraject, blijkt immers dat de leidinggevende van [verzoeker] het niet halen van punt 3 niet verwijtbaar acht omdat er kennis is verdwenen uit het run team. Wel heeft Achmea een terecht punt van kritiek waar zij aanvoert dat [verzoeker] in september 2016 run-werkzaamheden heeft verricht zonder dat daar een schriftelijke opdracht van een leidinggevende aan ten grondslag lag (zie evaluatieverslag d.d. 19 september 2016: “welke opdracht staat hier tegenover?”). [verzoeker] is op 19 september 2016 per e-mail door [L] (de betreffende manager) aangesproken (prod. 2 bij verweerschrift in hoger beroep). Het verweer van [verzoeker] (randnummer 6 van de pleitnotities in hoger beroep), dat [verzoeker] naar aanleiding van deze e-mail contact met [L] heeft gehad en heeft uitgelegd waarom hij tot meer uren was gekomen, alsmede dat [L] daarop niet meer heeft gereageerd, is ontoereikend. Voor alle werkzaamheden diende er immers van te voren een schriftelijk opdracht/akkoord van de betreffende leidinggevende te zijn. Ook zijn beroep op de e-mailwisseling van januari 2016 (prod. 28 zijdens [verzoeker] in hoger beroep) is ontoereikend, in het licht van het door Achmea gestelde en door [verzoeker] niet betwiste feit dat op 1 september 2016 aan [verzoeker] is bericht dat het aantal benodigde uren voor een specifiek stuk overdracht flink naar beneden was bijgesteld. Dit terechte punt van kritiek, het verrichten van werk buiten de vastgestelde kaders om, komt ook bij de hierna te bespreken build werkzaamheden aan de orde.

5.16

Wat betreft de buildwerkzaamheden werden de volgende eisen gesteld:

- alle build werkzaamheden starten met en doorlopen het intake proces;

- alle build werkzaamheden zijn aangevraagd via PPMC;

- alle build werkzaamheden worden op de WBS code geboekt. Dit betreft de WBS code conform de hoofdcode van de PPMC aanvraag.

5.17

Op dit punt is kritiek gegeven in de volgende tweewekelijkse verslagen:

- 14 april 2016: “in de periode week 12 t/m week 14 zijn er 2 PPMC aanvragen actief voor Bert. PPMC codes en WBS codes komen in week 13 niet overeen (wbs code 951/9010 komt niet overeen met een PPMC aanvraag)”.

- 21 april 2016: “in de periode week 14 t/m 15 is één intake proces nog niet gestart en de werkzaamheden wel. Dit moet beter. PPMC aanvragen zijn conform build opdrachten waar aan gewerkt wordt. Build werkzaamheden worden geboekt op wbs code, maar een deel ook op overleg. Dit moet beter.”

- 4 mei 2016: “intake is niet in lijn met PPMC aanvraag. Ik verwacht dat je PPMC aanvraag en urencode krijgt en indien niet dat je naar leidinggevende escaleert.”

- 18 mei 2016: “intake is niet in lijn met PPMC aanvraag. Dit was twee weken geleden ook zo. Intake is niet onhold gezet. Leidinggevende is niet geraadpleegd. Niet in orde.”

- 1 juni 2016: “Geen buildwerkzaamheden in deze periode, dus wbs code is correct.”

- 22 juni 2016: “Build werkzaamheden zijn gestart zonder PPMC aanvraag. Leidinggevende is niet betrokken om te besluiten afwijkend van het regulier proces te handelen. PPMC aanvraag is achteraf wel binnengekomen (…). De meting die je zelf aanreikt zegt onvoldoende of je de voldoet aan de afspraak.”

- 6 juli 2016: “Net als de vorige evaluatie: De meting die je aanreikt zegt onvoldoende of je de voldoet aan de afspraak. De build uren die geschreven zijn, zijn voor een build traject dat volgens intake en volgens PPMC afgerond hadden moeten zijn. Ik ga er van uit dat dit een administratie is, die niet is bijgewerkt. De gevraagde verbetering laat je niet zien.”

- 10 augustus 2016: “Er is gewerkt aan een build traject (KIZ/RUN OHR) waar geen PPMC aanvraag tegenover staat.”

- 24 augustus 2016: “Er is gewerkt aan een build traject (KIZ/RUN OHR). Hoewel hier al enkele weken aan gewerkt wordt, staat het intake proces nog op “intake”. Het intake proces wordt niet doorlopen. Status “uitvoering” wordt hier verwacht.

Voor CBA data driven taxeren is akkoord [D] om te boeken op leegloop zolang projectleiding niet in staat is om de juiste urencode (in het juiste tijdvak) te gebruiken.

Nog niet ideaal, maar evalueer deze op voldoende voor tijdvlak week 32, 33.”

- 19 september 2016: “Intake 1141 verwacht ik niet op status “nieuw”, maar op status “on hold” omdat deze al op 25 augustus 2016 is opgevoerd en er geen PPMC opdracht is.

Je zou zelf achter de tijdelijke leegloop aangaan om opdracht en urencode te verkrijgen. Meer dan vier weken later is dit niet gelukt. Gaat redelijk, nog voor verbetering vatbaar.”

- 5 oktober 2016: “De uitgevoerde werkzaamheden zijn niet aangevraagd via PPMC. Op deze manier blijft het onduidelijk hoeveel uur er naar verwachting gemaakt worden. Ik heb geen begrip dat [verzoeker] stelt dat PPMC is gevuld. Ik heb je dit niet gemeld; waar baseer je dit dan op? Build werkzaamheden zijn niet conform proces opgepakt en uitgevoerd. Afspraak niet gehaald.”

5.18

Uit deze weergave blijkt dat op twee tot drie uitzonderingen na bij álle tweewekelijkse evaluatiemomenten kritiek bestond op de overeenstemming tussen het feitelijke werk en de aanwezigheid van een PPMC-opdracht dan wel de status daarvan. Daarmee strookt dus dat de terugkoppeling van 11 oktober 2016 op het punt van de build werkzaamheden concludeert: “… maar wanneer deze vraag stokt doet [verzoeker] , wat hij vindt dat hem gevraagd zou moeten worden. Dat is in strijd met de wat zijn leidinggevende van hem vraagt. Inzet op Geo build moet alleen gebeuren op vraag van een budget dragende stakeholder.”

5.19

[verzoeker] heeft aangevoerd dat deze kritiek niet terecht is. Hij heeft gesteld dat hem slechts twee gevallen bekend zijn van werkzaamheden waar geen formele opdracht tegenover stond. Wat betreft het eerste, dat kennelijk betrekking heeft op het evaluatieverslag van 10 augustus 2016, stelt [verzoeker] in zijn e-mail van 29 augustus 2016 (prod. 5 bij beroepschrift) onder bijvoeging van een screenprint dat er wel een PPMC-opdracht aan de onderhoudsrelease Geo/Gis 2016 ten grondslag lag. Wat betreft het tweede, dat kennelijk betrekking heeft op het evaluatieverslag van 5 oktober 2016, stelt [verzoeker] dat sprake was van een foutje van de divisie Schade & Inkomen, die verzuimd had een urenallocatie voor [verzoeker] in PPMC te laten zetten. Deze kritiek van [verzoeker] op de evaluaties van 10 augustus 2016 en 5 oktober 2016, is echter onvoldoende ter weerlegging van de gedurende het gehele verbetertraject terugkomende aspect dat alleen gewerkt mag worden op basis van een PPMC-code die overeenstemt met een WBS-code, terwijl de status van de code klopt en dat [verzoeker] zich daar niet goed (genoeg) aan houdt. Deze kritiek van [verzoeker] is dan ook onvoldoende als onderbouwing van zijn verweer dat hij, anders dan stelselmatig uit de tweewekelijkse evaluaties naar voren komt, zich wél aan de door Achmea verlangde procesgang heeft gehouden.

5.20

Wat betreft ‘innovatie en promotie’ komt de terugkoppeling (“Bert houdt zich aan beschikbaar gestelde uren. De resultaten die geleverd worden zijn niet specifiek of meetbaar en daarmee niet voldoende”) overeen met de tweewekelijkse evaluatieverslagen. Daarbij is van belang dat Achmea, zoals blijkt uit de reactie van [D] op het commentaar van [verzoeker] op de terugkoppeling (zie 3.15), aan [verzoeker] voor 16 uren per maand een urencode heeft gegeven ‘als laatste kans voor hem om tijdens het verbetertraject te laten zien wat de toegevoegde waarde is als hij werkt als eigen opdrachtgever’. Daarmee maakte de meetbaarheid van de mogelijk toegevoegde waarde van de op deze code gewerkte uren uitdrukkelijk deel uit van het verbetertraject. [D] heeft in de evaluatieverslagen vanaf juni 2016 erop gehamerd dat de verwachting van de baten van deze activiteiten duidelijk moet zijn, inclusief termijn (zie de verslagen van 22 juni 2016, 6 juli 2016, 10 augustus 2016, 24 augustus 2016, 19 september 2016 en 5 oktober 2016). In het verslag van 19 september 2016 heeft [D] genoteerd: “Je lijst wordt steeds langer en de relevante vraag wordt niet beantwoord: wat levert het op (Specifiek en Meetbaar). Het resultaat blijft onvoldoende concreet.”. De lijst met innovatie- en promotie-activiteiten had op dat moment 9 onderdelen. [verzoeker] heeft hiertegenin gebracht (zie nr. 41 beroepschrift) dat de resultaten wel meetbaar waren, met als opmerking: de resultaten staan gewoon in de verbeterverslagen. Hij heeft als voorbeeld gegeven € 50.000 besparing op externe trainingskosten, uren en reiskosten, promotie voor het gebruik van een webservice met hectometerpalen heeft goed geholpen bij de Roadguard App van Centraal Beheer en de innovatie met satelliet radarbeelden na hagel. Het hof is echter van oordeel dat Achmea, ondanks deze drie voorbeelden, redelijkerwijs kon oordelen dat de resultaten van de tweewekelijks besproken lijsten van innovatie- en promotiewerkzaamheden onvoldoende concreet waren. Die lijsten omvatten immers veel meer werkzaamheden dan deze drie.

5.21

Het hof is van oordeel dat reeds uit de evaluatie van deze aspecten van het verbetertraject, en dan met name wat betreft de build werkzaamheden, volgt dat sprake is van disfunctioneren van [verzoeker] , in die zin dat hij zich niet houdt aan de door Achmea verlangde compartimentering en rationalisering van de werkprocessen. Dit blijkt ook uit de reactie van [verzoeker] op de terugkoppeling, waaruit blijkt dat [verzoeker] zijn werk voortzet door te zoeken naar een andere ingang om hetzelfde werk te verrichten (zie het citaat onder 3.14 hiervoor: ‘toen Run urencode werd ‘afgepakt’ heb ik me gericht op verbeterplannen maken en innovatie, zoals gevraagd werd. Toen de innovatie code werk ‘afgepakt’ heb ik rechtstreeks met de klant een urencode geregeld.’). [verzoeker] heeft nog aangevoerd dat Achmea hem nimmer een andere opdracht heeft verstrekt, maar hij heeft naar aanleiding van het daarop gevoerde verweer van Achmea dat de werknemers eerst zelf werk (op basis van een PPMC-opdracht) dienen te zoeken/genereren en, als dat niet lukt, bij hun leidinggevende om werk kunnen vragen, niet betwist. Daarop stuit dit verweer af. Het staat Achmea als werkgever vrij haar werknemers te instrueren volgens bepaalde, strak vormgegeven, processen te werken opdat haar interne kosten kunnen worden geëxpliciteerd en beheerst. Uit de beoordeling van 2015 en (de evaluatie van) het verbetertraject in 2016 blijkt dat [verzoeker] zich niet aan die processen houdt. Dat maakt hem ongeschikt tot het verrichten van de bedongen arbeid. Deze ongeschiktheid is niet het gevolg van ziekte of gebrek. Achmea heeft [verzoeker] met het verbetertraject voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn functioneren te verbeteren. Evenmin is deze ongeschiktheid het gevolg van onvoldoende zorg van Achmea voor de scholing (zie hierna nog 5.23) of voor de arbeidsomstandigheden van [verzoeker] . Aan de voorwaarden van artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder d BW is dan ook voldaan. Het voorgaande betekent dat de grieven 1 tot en met 10, die alle gericht zijn tegen het oordeel van de kantonrechter dat er sprake is van een redelijke grond voor ontbinding, falen.

5.22

[verzoeker] heeft zich in de grieven 11 en 12 gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat er voor [verzoeker] geen ander passend werk voorhanden is, dat Achmea heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting om [verzoeker] te herplaatsen en dat niet is komen vast te staan dat er momenteel of op korte termijn een vacature voor een passende functie zal zijn. [verzoeker] heeft betoogd dat er een mogelijkheid bestaat dat hij per 1 januari 2018 een overstap zou kunnen maken naar de divisie Schade & Inkomen als de Geo-werkzaamheden inderdaad zouden worden overgeheveld (pleitnotities, randnummer 13).

Het hof stelt voorop dat de redelijke termijn voor herplaatsing, bedoeld in artikel 7:669 lid 1 BW, nader is bepaald in artikel 10 lid 1 van de Ontslagregeling: die termijn is gelijk aan de opzegtermijn bedoeld in artikel 7:672 leden 2 en 3 BW. Binnen die door de kantonrechter in acht te nemen termijn is herplaatsing niet mogelijk gebleken. [verzoeker] heeft de kantonrechter niet op vacatures voor andere functies gewezen waarvoor hij wel belangstelling had. Uit de door Achmea bij haar verweerschrift in hoger beroep als productie 4 overgelegde COR-adviesaanvraag van 1 september 2017, blijkt overigens ook dat er geen sprake zal zijn van overplaatsing van medewerkers van BI naar S&I. Daarmee heeft Achmea voldoende aangetoond dat de door [verzoeker] gestelde vacature/functie ook (kort) na de voor hem geldende herplaatsingstermijn niet voorhanden zou komen. Ook grief 11 faalt.

5.23

In grief 12 voert [verzoeker] daarnaast nog aan dat hij gedurende het jaar 2016 diverse verzoeken voor scholing heeft ingediend teneinde data-analyse werkzaamheden te kunnen verrichten, maar dat deze steeds (gedeeltelijk) door Achmea zijn afgewezen. Daardoor heeft ook de door [I] gesignaleerde ‘gap’ tussen vraag en aanbod kunnen ontstaan, aldus [verzoeker] . Ter onderbouwing van deze grief heeft [verzoeker] verwezen naar productie 2 bij beroepschrift. Dit betreft een e-mail van 21 maart 2016 van [D] in reactie op een verzoek van [verzoeker] van diezelfde datum om een cursus Python van aanbieder ESRI te mogen volgen. [D] heeft daarop geantwoord dat hij heeft toegezegd op een algemene training Python via coursera. Verder heeft [verzoeker] verwezen naar een e-mailwisseling tussen hem en [D] van 9 juni 2016. [verzoeker] verzocht om de data science cursus van coursera (kosten € 355,-). [D] antwoordde: “Ik zou de data scientist toolbox oppakken omdat dit een breder beeld geeft. Getting en cleaning data zou voldoende behandeld moeten zijn in je powercenter training. De rest is onderdeel van kennis die je nodig hebt om een 8-stappen traject succesvol te kunnen doorlopen.” Ten slotte bevat deze productie een e-mail van 4 juli 2017 van toenmalig leidinggevende [I] aan [verzoeker] , waarbij op een verzoek voor een programma van SAS van vijf weken, werd gereageerd met de opmerking dat [I] verwacht dat een training voor SAS enterprise guide (volgens [verzoeker] : van twee dagen in plaats van vijf weken) beter aansluit. Uit het voorgaande volgt dat aan scholingsverzoeken uit 2016, weliswaar in aangepaste vorm, gevolg is gegeven. Daar komt bij dat met name de gevraagde scholing in juli 2017 prijzig was (€ 10.450,- voor een training gedurende vijf weken), terwijl niet voldoende aannemelijk is geworden dat de beschikbare analisten-functies, ook na deze scholing, binnen vier maanden na 11 juli 2017 zullen aansluiten bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van [verzoeker] . Ten slotte is nog relevant dat het disfunctioneren dat Achmea ten grondslag heeft gelegd aan haar ontbindingsverzoek, met name is gelegen in het niet volgen van de door haar verlangde werkprocessen en het eigenzinnig door [verzoeker] blijven aansturen op Geo-werk. Dit betreft veeleer een houding dan een beperking in het functioneren die met scholing kan worden bijgestuurd. Grief 12 faalt daarmee ook.

5.24

Grief 13 mist naast de voorgaande grieven zelfstandige betekenis. Deze grief leidt dan ook niet tot een ander oordeel.

5.25

Met grief 14 betoogt [verzoeker] dat Achmea ernstig verwijtbaar jegens hem heeft gehandeld door niet het communicatieprobleem tussen partijen aan te pakken maar te kiezen voor een verbetertraject zonder enige ondersteuning. Hierin wordt [verzoeker] niet gevolgd. Het door Achmea gestelde disfunctioneren zit niet (vooral) in de communicatie maar in het feit dat [verzoeker] zich niet conformeert aan de door Achmea gewenste werkprocessen. Om [verzoeker] de gelegenheid te geven zich daarin te verbeteren heeft Achmea een verbetertraject gevolgd waarin zij tweewekelijks evaluatiegesprekken met [verzoeker] heeft gevoerd. Daarmee heeft zij [verzoeker] wel degelijk ondersteuning geboden. Dat Achmea met deze handelwijze ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, vermag het hof niet in te zien. Dat [verzoeker] een dienstverband van 30 jaar heeft gehad bij Achmea leidt evenmin tot een ander oordeel. Tussen partijen staat immers vast dat bij Achmea sinds 2014 sprake was van de genoemde compartimentering van de werkprocessen in run, build en steer. Het disfunctioneren dat ten grondslag ligt aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kon dan ook pas vanaf 2014 aan het licht komen. Nu geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Achmea, bestaat voor de toekenning van een billijke vergoeding geen grond.

5.26

Grief 15, die ziet op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, faalt omdat [verzoeker] in eerste aanleg als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 237 Rv moet worden beschouwd.

6 Slotsom

Het hoger beroep faalt. Het hof zal [verzoeker] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Achmea zullen tot aan deze beschikking worden vastgesteld op € 716,- voor griffierecht en op € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten, tarief € 894,- in hoger beroep).

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van dit hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van Achmea vastgesteld op € 716,- voor griffierecht en op € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze beschikking, voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.B. ter Heide, M.E.L. Fikkers en A.A. van Rossum, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door de oudste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2018.