Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10122

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
21-001987-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:2442, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte voor het geven van feitelijke leiding aan het zich door afgifte ontdoen van verschillende bedrijfsafvalstoffen tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2019/11 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001987-17

Uitspraak d.d.: 21 november 2018

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Gelderland van 31 maart 2017 met parketnummer 05-987046-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1953,

wonende te [woonplaats]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 oktober 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. W.J.W. van Eijk, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw recht doen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1 primair:


hij eenmaal of meermalen op of omstreeks na te noemen data, te Hummelo, gemeente Bronckhorst en/of te Zelhem, gemeente Bronckhorst, althans in Nederland, (telkens) al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan (een) ander(en) van bedrijfsafvalstoffen, te weten (een mengsel van) half blad en/of half zeefgrond (dat - onder andere - plastic, klinkers, grote stukken hout en/of grove takken bevatte) heeft ontdaan, en wel:

27 en/of 28 november 2013, aan de maatschap [bedrijf 1] , - in totaal - 313,80 ton, althans een (grote) hoeveelheid,

en/of 18 en/of 19 december 2013, aan [bedrijf 2] - in totaal - 214,46 ton, althans een (grote) hoeveelheid;
1 subsidiair:


[bedrijf 3] eenmaal of meermalen op of omstreeks na te noemen data, te Hummelo, gemeente Bronckhorst en/of te Zelhem, gemeente Bronckhorst, althans in Nederland, (telkens) al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan (een) ander(en) van bedrijfsafvalstoffen, te weten (een mengsel van) half blad en/of half zeefgrond (dat - onder andere - plastic, klinkers, grote stukken hout en/of grove takken bevatte) heeft ontdaan, en wel:

27 en/of 28 november 2013, aan de maatschap [bedrijf 1] , - in totaal - 313,80 ton, althans een (grote) hoeveelheid,

en/of 18 en/of 19 december 2013, aan [bedrijf 2] - in totaal - 214,46 ton, althans een (grote) hoeveelheid,

zulks terwijl verdachte tot voornoemd feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven;

2 primair:


hij in of omstreeks na te noemen periode(n), te Zelhem, gemeente Bronckhorst, (telkens), al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan na te noemen (rechts- en/of natuurlijke) perso(o)n(en), althans (telkens) aan een ander, van na te noemen hoeveelheden bedrijfsafvalstoffen, althans een (grote) hoeveelheid, (als zodanig aangeduide) zeefgrond en/of humusrijke teelaarde (grond), heeft ontdaan:

periode: (rechts-)persoon: hoeveelheid:

13 en/of 14 november 2013 Loon- en Grondverzet- 340,9 ton (zeefgrond)

bedrijf [bedrijf 2]

18 februari 2014 tot en met Groenaannemings- 140 ton (humusrijke

20 oktober 2014 Loon- en Grondverzetbedrijf teelaarde);

[bedrijf 4]

2
2 subsidiair:


[bedrijf 3] in of omstreeks na te noemen periode(n), te Zelhem, gemeente Bronckhorst, (telkens), al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan na te noemen (rechts- en/of natuurlijke) perso(o)n(en), althans (telkens) aan een ander, van na te noemen hoeveelheden bedrijfsafvalstoffen, althans een (grote) hoeveelheid, (als zodanig aangeduide) zeefgrond en/of humusrijke teelaarde (grond), heeft ontdaan:

periode: (rechts-)persoon: hoeveelheid:

13 en/of 14 november 2013 Loon- en Grondverzet- 340,9 ton (zeefgrond)

bedrijf [bedrijf 2]

18 februari 2014 tot en met Groenaannemings- 140 ton (humusrijke

20 oktober 2014 Loon- en Grondverzetbedrijf teelaarde),

[bedrijf 4]

zulks terwijl verdachte tot voornoemd feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven;

3 primair:


hij eenmaal of meermalen op of omstreeks 11 en/of 22 juli 2014, te Zelhem, gemeente Bronckhorst en/of te Hummelo, gemeente Bronckhorst, althans in Nederland, (telkens) samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] , althans (telkens) aan een ander, van bedrijfsafvalstoffen, te weten - in totaal - 185,75 ton (als zodanig aangeduide) zeefgrond, heeft ontdaan;

3 subsidiair:


[bedrijf 3] eenmaal of meermalen op of omstreeks 11 en/of 22 juli 2014, te Zelhem, gemeente Bronckhorst en/of te Hummelo, gemeente Bronckhorst, althans in Nederland, (telkens) samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] , althans (telkens) aan een ander, van bedrijfsafvalstoffen, te weten - in totaal - 185,75 ton (als zodanig aangeduide) zeefgrond, heeft ontdaan,

zulks terwijl verdachte tot voornoemd feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven;

4 primair:


hij een aantal malen in of omstreeks na te noemen periode(n) te Zelhem, gemeente Bonckhorst en/of te Hummelo, gemeente Bronckhorst, (telkens) al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan na te noemen (rechts)perso(o)n(en) van bedrijfsafvalstoffen, te weten (geheel of gedeeltelijk verteerd) (sloot-/berm)maaisel/gras en/of groenafval, heeft ontdaan, te weten:

A.

periode van 4 maart 2014 tot en met 5 december 2014, aan [bedrijf 2] , ongeveer 774,3 ton, althans een (grote) hoeveelheid,

en/of

B.

op of omstreeks 20 oktober 2014, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, aan de stille maatschap [naam] ongeveer 10,48 ton, althans een (grote) hoeveelheid;

4 subsidiair:


[bedrijf 3] een aantal malen in of omstreeks na te noemen periode(n) te Zelhem, gemeente Bronckhorst en/of te Hummelo, gemeente Bronckhorst, (telkens) al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan na te noemen (rechts)perso(o)n(en) van bedrijfsafvalstoffen, te weten (geheel of gedeeltelijk verteerd) (sloot-/berm)maaisel/gras en/of groenafval, heeft ontdaan, te weten:

A.

periode van 4 maart 2014 tot en met 5 december 2014 aan [bedrijf 2] , - in totaal - ongeveer 774,3 ton, althans een (grote) hoeveelheid,

en/of

B.

op of omstreeks 20 oktober 2014, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, aan de stille maatschap [naam] ongeveer 10,48 ton, althans een hoeveelheid,

zulks terwijl verdachte tot voornoemd feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. In feit 4 subsidiair onder A is de periode onvolledig opgenomen in de tenlastelegging. Het hof zal deze periode verbeterd lezen als “4 maart 2014 tot en met 5 december 2014”, net zoals ten laste is gelegd in feit 4 primair onder A. De verdachte is hierdoor niet geschaad in zijn verdediging.

Voorwaardelijk verzoek

Indien het hof van oordeel is dat het onderzoeksrapport van [adviesbureau] onvoldoende is voor de beoordeling van de gevoerde verweren, heeft de raadsman verzocht om een deskundige te benoemen die de vraag kan beantwoorden of de in de tenlastelegging bedoelde stromen vallen onder het bereik van de Meststoffenwet of het Besluit bodemkwaliteit.

Het hof wijst dit verzoek van de raadsman af. Daartoe overweegt het hof dat het zich, gelet op de inhoud van het politieproces-verbaal en de door verdachte afgelegde verklaringen, voldoende voorgelicht acht om de gevoerde verweren te kunnen beoordelen.

Vrijspraak van de onder 1, 2, 3 en 4 primair tenlastegelegde feiten

Het hof zal verdachte, net als de rechtbank heeft gedaan, vrijspreken van de onder 1, 2, 3 en 4 primair tenlastegelegde feiten. Met de raadsman merkt het hof verdachte niet aan als pleger van deze feiten.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van de onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde feiten

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle subsidiair tenlastegelegde feiten. Hij heeft daartoe - kort gezegd - het volgende aangevoerd.

Primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de in de tenlastelegging genoemde materialen vallen onder het bereik van artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet milieubeheer. Dat heeft tot gevolg dat deze materialen niet als afvalstoffen kunnen worden beschouwd en hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is. Volgens de raadsman gaat het steeds om niet-gevaarlijk materiaal afkomstig uit de land- of bosbouw dat wordt gebruikt in de landbouw. Het begrip “land- en bosbouw”, zoals bedoeld in artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet milieubeheer, dient ruim uitgelegd te worden. Volgens de raadsman kunnen groenstromen van hoveniers daar ook onder vallen. Uit vaste rechtspraak blijkt dat “stoorstoffen”, zoals plastic en klinkers, een partij groen of grond niet tot afval maakt.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de in de tenlastelegging genoemde materialen moeten worden aangemerkt als meststoffen, zodat hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is ingevolge artikel 22.1, negende lid, van de Wet milieubeheer. Volgens de raadsman voldoen de stromen aan het begrip “meststoffen”, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, van de Meststoffenwet. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat de bedoelde stromen als “compost” kunnen worden beschouwd in de zin van artikel 1, eerste lid, onder f van het Uitvoeringsbesluit meststoffenwet. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman gewezen op het onderzoeksrapport van [adviesbureau] van 15 juli 2016.

Meer subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten bepleit dat verdachte een beroep toekomt op de in artikel 10.2, tweede lid, aanhef en onder b, sub 2, van de Wet milieubeheer opgenomen vrijstelling, zodat het verbod van artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer niet van toepassing is. Deze vrijstelling geldt op basis van artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen, nu in deze zaak sprake is van het toepassen van grond in de zin van het Besluit bodemkwaliteit. Volgens de raadsman voldoen de partijen zeefgrond aan de definitie van “grond” in artikel 1 van dit besluit en komt verdachte dus een beroep toe op de hiervoor genoemde vrijstelling.

Oordeel van het hof

Het hof zal alle verweren van de raadsman bespreken bij de bewijsoverwegingen, aangezien de raadsman aan zijn verweren de conclusie heeft verbonden dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat het niet om “afvalstoffen” zou gaan.

Het hof is van oordeel dat de namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In het bijzonder overweegt het hof als volgt.

Algemeen

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de feitelijke leiding had binnen de rechtspersoon [bedrijf 3] Deze onderneming was een groenrecyclingbedrijf dat (onder meer) in de tenlastegelegde periode groenafval innam van gemeenten, bedrijven - waaronder hoveniers en aannemers - en particulieren. De onderneming had een vergunning voor het innemen van dit afval en stond op de VIHB-lijst.

[bedrijf 3] heeft bij haar ingeleverd afval gezeefd en heeft vervolgens de in de tenlastelegging genoemde materialen (grond, aarde en maaisel/gras) (hierna: materialen) geleverd aan de verschillende in de tenlastelegging genoemde bedrijven en personen. De geleverde zeefgrond werd door deze afnemers gebruikt als structuur-verbeteraar voor landbouwgrond. Al deze bedrijven en personen staan niet vermeld op de VIHB-lijst (lijst van Vervoerders, Inzamelaars, Handelaars en Bemiddelaars). Dat betekent dat zij niet bevoegd zijn om afvalstoffen te ontvangen gelet op het verbod van artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Het hof zal de vraag moeten beantwoorden of de door [bedrijf 3] geleverde materialen aangemerkt kunnen worden als “bedrijfsafvalstoffen” of dat er een uitzondering of vrijstelling van toepassing is waardoor hiervan geen sprake is dan wel waardoor het tenlastegelegde handelen (het zich door afgifte ontdoen van bedrijfsafvalstoffen) niet strafbaar is.

De uitzondering van artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet milieubeheer

Zoals hiervoor al is vermeld, heeft de raadsman allereerst een beroep gedaan op de in artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet milieubeheer vermelde uitzondering.

Het huidige artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet milieubeheer luidt als volgt:

1. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende stoffen, preparaten en voorwerpen:

f. uitwerpselen, voor zover niet vallend onder onderdeel h, onder 1˚, stro en ander natuurlijk, niet-gevaarlijk landbouw- of bosbouwmateriaal dat wordt gebruikt in de landbouw, de bosbouw of voor de productie van energie uit die biomassa door middel van processen of methoden die onschadelijk zijn voor het milieu en die de menselijke gezondheid niet in gevaar brengen.”

De hiervoor genoemde uitzondering betreft de implementatie van één van de in artikel 2, eerste lid, van de Kaderrichtlijn afvalstoffen genoemde uitzonderingen. Het hof stelt voorop dat volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie het begrip afvalstof niet restrictief mag worden uitgelegd.1 Naar het oordeel van het hof past daar een restrictieve uitleg en toepassing van de genoemde uitzonderingen op de toepasselijkheid van de regelgeving bij.

Bij de beantwoording van de vraag of de in artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet milieubeheer genoemde uitzondering van toepassing is, acht het hof de volgende omstandigheden, die volgen uit de bewijsmiddelen, van belang:

- niet alleen landbouwers, maar ook gemeenten, hoveniers en particulieren leverden afval in bij [bedrijf 3] Dit betrof (voornamelijk) tuinafval;

- de in de tenlastelegging genoemde zeefgrond ontstond door het shredderen van het ingeleverde groenafval. Elke keer als er na een shredderbeurt zeefgrond vrijkwam, werd dit op de al opgeslagen partij zeefgrond gegooid in plaats van dat deze grond afzonderlijk werd opgeslagen. Door het shredderen en zeven bleef er ook hout achter. Al het ingezamelde groenafval dat het terrein van [bedrijf 3] verliet, was door de zeef geweest;

- het in de tenlastelegging genoemde maaisel/gras was afkomstig van zowel het waterschap als van [bedrijf 5] Dit materiaal kwam op het terrein van [bedrijf 3] op één bult met het materiaal van het waterschap terecht;

- door [bedrijf 3] zijn geen monsters genomen van de verschillende hiervoor genoemde materialen. Er vond slechts een visuele inspectie plaats.

Het hof concludeert uit het voorgaande dat de uitzondering van artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet milieubeheer niet opgaat. Daartoe overweegt het hof dat niet is gebleken dat de hiervoor genoemde bij [bedrijf 3] gestorte materialen allemaal afkomstig zijn uit de landbouw of bosbouw. Er werd immers ook tuinafval geleverd door gemeenten, hoveniers en particulieren. Mede gelet op de restrictieve uitleg die moet worden gegeven aan de hiervoor genoemde uitzondering is het hof van oordeel dat dit tuinafval niet valt onder de uitzondering van artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet milieubeheer. Daarbij komt dat de hiervoor genoemde materialen op het terrein van [bedrijf 3] zijn bewerkt en samengevoegd met andere partijen waarvan de herkomst niet vast stond. Ook daarom kan verdachte zich niet beroepen op voornoemde uitzondering, die - zoals gezegd - restrictief moet worden toegepast.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat het hiervoor bedoelde materiaal geen landbouw- of bosbouwmateriaal is dat wordt gebruikt in de landbouw en de bosbouw.

Het verweer van de raadsman op dit punt wordt verworpen.

De raadsman heeft ook nog een beroep gedaan op artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht. Hij heeft aangevoerd dat het huidige artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet milieubeheer gunstiger is dan deze bepaling ten tijde van het tenlastegelegde. Gelet op de - op de interpretatie van het toepasselijke EU-recht gebaseerde - uitleg die het hof heeft gegeven aan de huidige bepaling behoeft dit verweer geen verdere bespreking.

Meststoffen

De raadsman heeft verder betoogd dat de in de tenlastelegging genoemde materialen moeten worden aangemerkt als meststoffen, zodat hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is. Volgens de raadsman is sprake van “compost” in de zin van artikel 1, eerste lid, onder f van het Uitvoeringsbesluit meststoffenwet.

In artikel 1, eerste lid, onder f van het Uitvoeringsbesluit meststoffenwet wordt het begrip “compost” als volgt gedefinieerd:

“product dat bestaat uit één of meer organische afvalstoffen die al dan niet met bodembestanddelen zijn gemengd en die met behulp van micro-organismen zijn afgebroken en omgezet tot een homogeen en zodanig stabiel eindproduct dat daarin alleen nog een langzame afbraak van humeuze verbindingen plaatsvindt en dat niet mede bestaat uit dierlijke meststoffen.”

Bij de beantwoording van de vraag of de in de tenlastelegging genoemde materialen als compost in voornoemde zin kunnen worden aangemerkt, acht het hof de volgende omstandigheden, die volgen uit de bewijsmiddelen, van belang:

- verdachte en verschillende werknemers van [bedrijf 3] hebben verklaard dat voornoemde materialen niet als compost kunnen worden beschouwd. Binnen [bedrijf 3] werd niet gecomposteerd;

- het door [bedrijf 3] ingenomen materiaal is in 2013 niet gekeurd of geanalyseerd. Ook de partij gras/maaisel werd niet bemonsterd of onderworpen aan een analyse. Verdachte heeft over laatstgenoemde partij verklaard dat hij de kwaliteit van het aan de afnemers verstrekte maaisel niet kende;

- ten aanzien van de in januari 2014 onderzochte humusrijke zeefgrond is geconstateerd dat niet is voldaan aan de samenstellingseisen van compost zoals bedoeld in de Uitvoeringsregeling meststoffenwet;

- op het terrein van [bedrijf 3] werden partijen zeefgrond telkens aangevuld met nieuwe, niet-gekeurde partijen, bestaande uit groenafval van verschillende leveranciers. Het hof leidt hieruit af dat de aard en de samenstelling van de partijen steeds veranderden, terwijl de milieuhygiënische kwaliteit van de afzonderlijke toegevoegde partijen onbekend was.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - concludeert het hof dat de in de tenlastelegging genoemde materialen niet aangemerkt kunnen worden als compost zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f van het Uitvoeringsbesluit meststoffenwet. Meer in het bijzonder is niet aannemelijk geworden dat de genoemde materialen voldeden aan het in de hierboven weergegeven definitie genoemde criterium van een homogeen en stabiel eindproduct. De bedoelde materialen zijn dus ook geen meststoffen in de zin van de Meststoffenwet, zodat de uitzondering van artikel 22.1, negende lid, van de Wet milieubeheer niet van toepassing is. Het hof is - met de rechtbank - van oordeel dat het onderzoeksrapport van [adviesbureau] van 15 juli 2016 dit oordeel niet anders maakt. Daartoe overweegt het hof dat dit rapport betrekking heeft op analyses uit 2010 en 2011. Daarbij komt dat deze analyses bovendien niet representatief zijn voor alle in de tenlastelegging genoemde materialen, nu de aard en de samenstelling van de verschillende materialen op het terrein van [bedrijf 3] - zoals hiervoor al is vermeld - telkens veranderden door het toevoegen van niet-gecontroleerde afvalstromen die afkomstig waren van verschillende ontdoeners.

Het verweer van de raadsman op dit punt wordt ook verworpen.

Besluit bodemkwaliteit

De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verdachte zich ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 kan beroepen op de vrijstelling van artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen. Volgens de raadsman is sprake van “het toepassen van grond” in de zin van het Besluit bodemkwaliteit.

Het hof overweegt dat in het Besluit bodemkwaliteit strenge eisen worden gesteld aan het toepassen van grond. Zo wordt in artikel 38, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit bepaald dat degene die de grond wil toepassen de kwaliteit daarvan, met inbegrip van de emissiewaarden, laat vaststellen door een persoon of instelling die daartoe over een erkenning beschikt. In het tweede lid wordt bepaald dat de kwaliteit van de grond en het gestelde in het eerste lid moet blijken uit een milieuhygiënische verklaring die bij de betreffende partij aanwezig is. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat [bedrijf 3] de kwaliteit van de bedoelde grond telkens niet heeft laten vaststellen door een erkend bedrijf. Ook beschikte [bedrijf 3] niet over een milieu-hygiënische verklaring. Verdachte kan zich daarom niet beroepen op de vrijstelling van artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen.

Het verweer van de raadsman op dit punt wordt ook verworpen.

Conclusie

Het hof verklaart bewezen dat verdachte alle subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan. Naar het oordeel van het hof zijn de feiten telkens door [bedrijf 3] gepleegd en heeft verdachte daaraan feitelijke leiding gegeven. Het hof acht - net als de rechtbank - bewezen dat ten aanzien van feit 3 en feit 4 onder B sprake is van medeplegen tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 2]

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 subsidiair:


[bedrijf 3] eenmaal of meermalen op of omstreeks na te noemen data, te Hummelo, gemeente Bronckhorst en/of te Zelhem, gemeente Bronckhorst, althans in Nederland, (telkens) al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan (een) ander(en) van bedrijfsafvalstoffen, te weten (een mengsel van) half blad en/of half zeefgrond (dat - onder andere - plastic, klinkers, grote stukken hout en/of grove takken bevatte) heeft ontdaan, en wel:

27 en/of 28 november 2013, aan de maatschap [bedrijf 1] , - in totaal - 313,80 ton, althans een (grote) hoeveelheid,

en/of 18 en/of 19 december 2013, aan [bedrijf 2] - in totaal - 214,46 ton, althans een (grote) hoeveelheid,

zulks terwijl verdachte tot voornoemd feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven;

2 subsidiair:


[bedrijf 3] in of omstreeks na te noemen periode(n), te Zelhem, gemeente Bronckhorst, (telkens), al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan na te noemen (rechts- en/of natuurlijke) perso(o)n(en), althans (telkens) aan een ander, van na te noemen hoeveelheden bedrijfsafvalstoffen, althans een (grote) hoeveelheid, (als zodanig aangeduide) zeefgrond en/of humusrijke teelaarde (grond), heeft ontdaan:

periode: (rechts-)persoon: hoeveelheid:

13 en/of 14 november 2013 Loon- en Grondverzet- 340,9 ton (zeefgrond)

bedrijf [bedrijf 2]

18 februari 2014 tot en met Groenaannemings- 138,98 ton (humusrijke

20 oktober 2014 Loon- en Grondverzetbedrijf teelaarde),

[bedrijf 4]

zulks terwijl verdachte tot voornoemd feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven;

3 subsidiair:


[bedrijf 3] eenmaal of meermalen op of omstreeks 11 en/of 22 juli 2014, te Zelhem, gemeente Bronckhorst en/of te Hummelo, gemeente Bronckhorst, althans in Nederland, (telkens) samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] , althans (telkens) aan een ander, van bedrijfsafvalstoffen, te weten - in totaal - 185,75 ton (als zodanig aangeduide) zeefgrond, heeft ontdaan,

zulks terwijl verdachte tot voornoemd feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven;

4 subsidiair:


[bedrijf 3] een aantal malen in of omstreeks na te noemen periode(n) te Zelhem, gemeente Bronckhorst en/of te Hummelo, gemeente Bronckhorst, (telkens) al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan na te noemen (rechts)perso(o)n(en) van bedrijfsafvalstoffen, te weten (geheel of gedeeltelijk verteerd) (sloot-/berm)maaisel/gras en/of groenafval, heeft ontdaan, te weten:

A.

periode van 4 maart 2014 tot en met 5 december 2014 aan [bedrijf 2] , - in totaal - ongeveer 681,8 ton, althans een (grote) hoeveelheid,

en/of

B.

op of omstreeks 20 oktober 2014, samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, aan de stille maatschap [naam] ongeveer 10,48 ton, althans een hoeveelheid,

zulks terwijl verdachte tot voornoemd feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

Het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

Het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij daaraan feitelijke leiding heeft gegeven

en

medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ten aanzien van de onder 1, 2, 3 en 4 primair tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis.

De rechtbank heeft verdachte voor de onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis van de rechtbank wordt bevestigd.

Indien het hof tot een bewezenverklaring komt van de tenlastegelegde feiten heeft de raadsman verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. In dit verband heeft hij - onder meer - gewezen op het faillissement van [bedrijf 3] en de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Als het hof toch overgaat tot strafoplegging, heeft de raadsman bepleit om een gematigde taakstraf op te leggen, vanwege de slechte financiële situatie van verdachte.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich als feitelijke leidinggever verschillende keren schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet milieubeheer door zich van (voornamelijk) bedrijfsafvalstoffen te ontdoen terwijl de afnemers niet bevoegd waren om deze afvalstoffen in te nemen. Om financiële redenen lijkt verdachte te hebben afgezien van de op grond van de milieuwetgeving vereiste keuringen van het materiaal dat werd ingenomen door het groenrecyclingbedrijf. Met dit handelen heeft verdachte het zicht en de controle op grote hoeveelheden afvalstoffen bemoeilijkt.

In het voordeel van verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 september 2018 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Verder houdt het hof in het voordeel van verdachte rekening met het tijdsverloop. De tenlastegelegde feiten zijn gepleegd in de periode van 13 november 2013 tot 5 december 2014 en het hof wijst uiteindelijk arrest op 21 november 2018.

Tot slot houdt het hof in het voordeel van verdachte rekening met het faillissement van [bedrijf 3] en de nadelige gevolgen hiervan voor verdachte.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat ten aanzien van de door het hof bewezen-verklaarde feiten kan worden volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaar. Anders dan de raadsman, ziet het hof geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.37 van de Wet milieubeheer.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijst af het voorwaardelijk verzoek van de raadsman om een deskundige te benoemen.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. M. Barels en mr. L.E.M. Hendriks, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Jansen, griffier,

en op 21 november 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. L.E.M. Hendriks is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 21 november 2018.

Tegenwoordig:

mr. C.M.E. Lagarde, voorzitter,

mr. M. van Leent, advocaat-generaal,

mr. W.B. Kok, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 Vgl. o.m. Afdeling bestuursrechtspraak RvS 25 april 2018, ECLI:NLRVS:2018:1344.