Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:10047

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
200.242.110
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats, zorgregeling en vervangende toestemming verhuizing en inschrijving school.

Verklaring moeder dat zij, ongeacht beslissing hof, zal verhuizen; hoofdverblijfplaats bij vader en vaststelling voorlopige zorgregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.242.110

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 453431 en 453432)

beschikking van 15 november 2018

inzake

[verzoekster]

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.M. van Luijk te Utrecht,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. I.P.J. van den Heuvel-Beerens te Vleuten, gemeente Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 april 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 6 juli 2018;

- het verweerschrift tevens houdende (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met

producties;

- het verweerschrift in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep;

- een brief van mr. Van Luijk van 5 oktober 2018 met producties 12 tot en met 20;

- een brief van mr. Van den Heuvel-Beerens van 5 oktober 2018 met producties

19 tot en met 24;

- een journaalbericht van mr. Van Luijk van 8 oktober 2018 met productie 21;

- een journaalbericht van mr. Van den Heuvel-Beerens van 15 oktober 2018 met

productie 25.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 18 oktober 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [medewerker Raad] verschenen.

2.3

Artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.4

Desgevraagd heeft mr. Van Luijk ter mondelinge behandeling meegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van de brief van mr. Van den Heuvel met bijlage van 15 oktober 2018, dat hij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat hij instemt met overlegging van die bijlage zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die bijlage.

3 De feiten

3.1

Uit de relatie van partijen is op [geboortedatum] [naam dochter] (verder: [naam dochter] ) geboren. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [naam dochter] . [naam dochter] heeft haar hoofdverblijf bij de moeder.

3.2

De moeder heeft nog een zoon, te weten [naam zoon verzoekster] (verder: [naam zoon verzoekster] ), geboren op [geboortedatum] De huidige partner van de moeder heeft twee kinderen, [naam kind 1 partner verzoekster] van 15 jaar oud en [naam kind 2 partner verzoekster] van 18 jaar oud.

3.3

De vader heeft nog twee dochters, te weten [naam dochter 1 verweerder] , geboren op [geboortedatum] en [naam dochter 2 verweerder] , geboren op [geboortedatum] . De huidige partner van de vader heeft een zoon, [naam zoon partner verweerder] , van 9 jaar oud.

3.4

Na het uiteengaan (medio 2016) zijn partijen een zorgregeling overeengekomen waarbij [naam dochter] in de ene week op zondag bij de moeder verblijft en op maandagavond na het kinderdagverblijf (KDV) naar de vader gaat, op dinsdag naar het KDV gaat en daarna naar de vader tot woensdag 19.00 uur, waarna [naam dochter] naar de moeder gaat. Vervolgens op donderdag na KDV naar de moeder tot en met zaterdagochtend 11.30 uur, waarna [naam dochter] de rest van het weekend bij de vader verblijft tot maandag KDV, waarna [naam dochter] naar de moeder gaat en op dinsdag om 7.45 uur bij de vader wordt gebracht, naar het KDV gaat en van dinsdagavond tot woensdag 19.00 uur bij de vader verblijft, en daarna bij de moeder (met KDV op donderdag) tot maandag KDV. [naam dochter] verblijft afwisselend op KDV [naam kinderdagverblijf 1] of KDV [naam kinderdagverblijf 2] , dichtbij de werkplek van de vader.

3.5

De moeder heeft bij verzoekschrift van 17 januari 2018 de rechtbank verzocht een zorgregeling vast te stellen, vervangende toestemming te verlenen om met [naam dochter] te verhuizen en haar in te schrijven voor een kinderdagverblijf en basisschool. De vader heeft op 7 maart 2018 een verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken ingediend.

3.6

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank als regeling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken bepaald dat:

- [naam dochter] bij de vader verblijft in week 1 van zaterdag 10.00 uur tot woensdag tussen 17.00 uur

en 18.00 uur en in week 2 vanaf woensdag tussen 17.00 uur en 18.00 uur tot vrijdag tussen

17.00

uur en 18.00 uur;

- de vakanties en feestdagen bij helfte tussen partijen worden verdeeld;

- voor de zomervakantie 2018 geldt dat [naam dochter] in de periode van 3 augustus 2018 tot

29 augustus 2018 twee aaneengesloten weken bij de vader verblijft, en nog een

week in de periode gelegen vóór genoemde periode.

Het meer of anders verzochte is afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen zijn in geschil de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de vervangende toestemming tot verhuizing en inschrijving van [naam dochter] bij een kinderdagverblijf en school.

4.2

De moeder is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

9 april 2018. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) de moeder vervangende toestemming te verlenen om zo spoedig mogelijk, uiterlijk met ingang van 1 december 2018, met [naam dochter] te verhuizen naar [plaats] ;

b) haar vervangende toestemming te verlenen om [naam dochter] , vanaf de datum van verhuizing:

- op de maandag, dinsdag en donderdag naar het kinderdagverblijf [naam kinderdagverblijf 3]

te laten gaan;

- tegen de tijd dat dat zal gaan spelen naar de [naam school 1] ,

[naam school 2] of [naam school 3] te laten gaan.

c) een zorgregeling vast te stellen waarbij [naam dochter] bij de vader verblijft in week 1 van donderdag 19 uur tot zondag 19 uur en in week 2 vanaf dinsdag 19 uur tot woensdag 19 uur.

4.3

De vader voert verweer en is op zijn beurt met vier grieven in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de hoofdverblijfplaats van [naam dochter] , de zorgregeling en de proceskosten.

De vader verzoekt het hof, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A) de moeder in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken van de moeder zoals beschreven in haar beroepschrift van 5 juli 2018 af te wijzen en de bestreden beschikking met nummer 453432 te bekrachtigen en de beslissing ten aanzien van de bestreden beschikking met nummer 453431 te vernietigen en bij wijze van incidentele verzoeken:

- de zorgregeling voor de vader met [naam dochter] als volgt vast te stellen:

week 1 van woensdag 19.00 uur tot woensdag in week 2 19.00 uur waarna [naam dochter] van

woensdag in week 2 om 19.00 uur tot woensdag 19.00 uur in week 3 bij de moeder

verblijft. Vervolgens herhaalt de regeling zich weer.

- de schoolvakanties zoals die jaarlijks gelden voor de regio Midden­Nederland bij helfte

tussen partijen te verdelen.

- in het geval het hof het verzoek voor de zorgregeling zal toewijzen dan verzoekt de vader

bij wijze van incidenteel verzoek de feestdagen onderdeel van de zorgregeling te

laten zijn met uitzondering van Vaderdag (die [naam dochter] bij de vader doorbrengt) en

Moederdag (die [naam dochter] bij de moeder doorbrengt).

- in het geval het hof het verzoek voor de zorgregeling zal afwijzen en tot een andere

zorgregeling zal komen dan week op/week af bij helfte dan verzoekt de vader bij wijze

van incidenteel verzoek de feestdagen bij helfte tussen partijen te verdelen èn te

bepalen dat Vaderdag bij de vader doorgebracht dient te worden en Moederdag bij de

moeder.

B) De vader verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van incidentele (voorwaardelijke) verzoeken:

1. bij wijze van voorwaardelijk incidenteel verzoek de hoofdverblijfplaats van [naam dochter] bij de

vader te bepalen, namelijk in het geval de moeder geen toestemming van de vader c.q.

vervangende toestemming van het hof zal krijgen, maar feitelijk wel zal verhuizen.

2. bij wijze van voorwaardelijk incidenteel verzoek in het geval van hetgeen hierboven

onder B nummer 1 voormeld een zorgregeling van [naam dochter] met de moeder te bepalen,

namelijk een keer per twee weken van donderdag 18.00 uur tot maandag 18.00 uur.

- de schoolvakanties zoals die jaarlijks gelden voor de regio Midden­ Nederland bij helfte

tussen partijen te verdelen.

- be feestdagen bij helfte te verdelen.

3. bij wijze van incidenteel verzoek, indien de moeder wel vervangende toestemming

gegeven zal worden om te verhuizen, de volgende zorgregeling met de vader op te leggen:

- week 1 van woensdag 19.00 uur tot woensdag in week 2 19.00 uur waarna [naam dochter] van

woensdag in week 2 om 19.00 uur tot de woensdag 19.00 uur in week 3 bij de moeder

verblijft. Vervolgens herhaalt de regeling zich weer.

- de schoolvakanties zoals die jaarlijks gelden voor de regio Midden­ Nederland bij helfte

tussen partijen te verdelen.

In het geval het hof dit zelfstandig verzoek voor de zorgregeling zal toewijzen dan verzoekt de vader de feestdagen onderdeel van de zorgregeling te laten zijn met uitzondering van Vaderdag (die [naam dochter] bij de vader doorbrengt) en Moederdag (die [naam dochter] bij de moeder doorbrengt).

In het geval het hof dit verzoek voor de zorgregeling zal afwijzen en tot een andere zorgregeling zal komen dan week op/week af bij helfte dan verzoekt de vader de feestdagen bij helfte tussen partijen te verdelen én te bepalen dat Vaderdag bij de vader doorgebracht dient te worden en Moederdag bij de moeder.

4. bij wijze van incidenteel verzoek te bepalen dat het paspoort van [naam dochter] bij de vader zal

zijn en de ID-kaart van [naam dochter] bij de moeder.

5. Bij wijze van incidenteel verzoek de moeder te veroordelen in de kosten van dit geding.

4.5

Het hof zal de grieven in het principaal en het incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

vervangende toestemming

5.1

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.

5.2

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en het kind, de schoolkeuze van het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

5.3

Overeenkomstig vaste rechtspraak dient het hof bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder:

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de

verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in

een vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de

verhuizing;

- de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is

in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;

- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

5.4

De ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft, dient in beginsel de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen. Hierna zal worden beoordeeld of de keuze van de moeder om te verhuizen in het kader van de verdere belangenafweging te rechtvaardigen valt.

5.5

Het hof ziet in hetgeen de moeder in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding om anders dan de rechtbank te beslissen.

Uit de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling besproken blijkt dat de moeder zonder enig overleg met de vader heeft besloten met haar nieuwe partner een woning te kopen in [plaats] en daarheen te gaan verhuizen. Zij heeft haar plannen niet vooraf besproken met de vader omdat zij bang was voor zijn reactie. Op de moeder lag echter de verantwoordelijkheid om zich ervan te vergewissen dat de vader geen bezwaar had tegen een verhuizing naar een plaats buiten [woonplaats] . De vader had en heeft een gerechtvaardigd belang om niet akkoord te gaan met een verhuizing naar [plaats] , omdat dit zijn betrokkenheid bij [naam dochter] in aanzienlijke mate belemmert. Met name de meer dagelijkse betrokkenheid, die bij het handhaven van een gezamenlijke woonplaats mogelijk is, kan niet voortduren wanneer er een zodanig grote afstand tussen de woonplaatsen bestaat dat het sociale leven van [naam dochter] zich naar buiten [woonplaats] verplaatst, zoals bij een verhuizing naar [plaats] onvermijdelijk het geval is. Nu wonen partijen slechts enkele minuten van elkaar verwijderd terwijl met een verplaatsing naar [plaats] een reistijd van minimaal 35 minuten is gemoeid. Dit gemis kan niet volledig gecompenseerd worden met meer of langere omgang, nog daargelaten dat uitbreiding van omgang straks, als [naam dochter] naar school gaat, nauwelijks mogelijk is. Dit geldt temeer omdat partijen na het uiteengaan een zeer ruime zorgregeling zijn overeengekomen, neerkomend op co-ouderschap, en zij [naam dochter] samen hebben ingeschreven op basisschool [naam basisschool] in [woonplaats] . Het hof is van oordeel dat de moeder bij het nemen van haar beslissing om te gaan verhuizen omdat zij graag met haar nieuwe partner wilde samenwonen, te weinig rekening heeft gehouden met de gevolgen daarvan voor de (rol van) vader.

5.6

Ter mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat zij, ongeacht de beslissing van dit hof, met [naam zoon verzoekster] zal verhuizen naar [plaats] . De huidige situatie van deels in [woonplaats] wonen, deels in [plaats] wonen, en werken in [plaats] is voor haar niet langer vol te houden. Verder wil zij meer afstand creëren tussen haar en de vader, want zij voelt zich gecontroleerd door de vader. De moeder acht het in het belang van [naam dochter] om samen met haar broertje [naam zoon verzoekster] op te groeien in de nieuwe, ruime woning in [plaats] . [naam dochter] is nu nog jong en gaat nog niet naar de basisschool zodat dit een goed moment is om te verhuizen.

Het hof acht de stelling van de moeder begrijpelijk dat een verhuizing voor [naam dochter] op dit moment het minst belastend is omdat zij nog niet naar school gaat en nog niet volledig is geworteld in [woonplaats] . Ook de band met broertje [naam zoon verzoekster] is voor [naam dochter] zeer belangrijk.

Het hof weegt bij het geven oordeel echter mee dat [naam dochter] ook deel uitmaakt van het gezin van de vader waar zij haar halfzusjes [naam dochter 2 verweerder] en [naam dochter 1 verweerder] regelmatig ziet.

Het hof betrekt bij zijn oordeel voorts dat de moeder heeft gekozen voor de huidige woon- en werksituatie, dat zij samen met de vader na het uiteengaan (medio 2016) een zeer ruime zorgregeling is overeengekomen, neerkomend op co-ouderschap, en dat zij samen met de vader [naam dochter] heeft ingeschreven op een basisschool in [woonplaats] .

In het kader van vorenstaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de moeder de noodzaak van de verhuizing onvoldoende heeft aangetoond.

5.7

Al het voorgaande in aanmerking nemende en de belangen van iedereen tegen elkaar afwegende is het hof van oordeel dat een verhuizing van [naam dochter] met de moeder naar [plaats] een dermate grote inbreuk betekent op het recht op een gelijkwaardige opvoeding en verzorging door beide ouders, dat deze verhuizing niet in het belang van [naam dochter] is. De door de moeder gestelde noodzaak en belangen, onder andere een woning met haar nieuwe partner, haar nieuwe baan in [plaats] en de belangen van [naam zoon verzoekster] zijn in het licht van het voorgaande onvoldoende zwaarwegend om anders te oordelen.

Hoofdverblijf [naam dochter]

5.8

De man heeft bij voorwaardelijk incidenteel hoger beroep verzocht de hoofdverblijfplaats van [naam dochter] bij hem te bepalen als de moeder zonder toestemming zal verhuizen. De moeder heeft – namelijk - uitdrukkelijk verklaard ook zonder toestemming van het hof met [naam zoon verzoekster] te zullen verhuizen en dat het gevolg daarvan zal zijn dat [naam dochter] bij haar vader zal (moeten) gaan wonen.

De raad heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat [naam dochter] zich thans goed ontwikkelt en dat zij twee ouders heeft die van haar houden. [naam dochter] heeft met beide ouders een band en zij is bij elk van hen veilig. Bij een jong kind als [naam dochter] zijn de directe personen in haar omgeving belangrijker dan de plek waar zij is. Beide ouders zijn in staat [naam dochter] op te voeden. De raad heeft gelet op de band tussen [naam zoon verzoekster] en [naam dochter] een lichte voorkeur om [naam dochter] te laten verhuizen met haar moeder.

Het hof leidt uit het advies van de raad af dat beide ouders geschikt zijn om [naam dochter] op te voeden. De door de moeder aangevoerde argumenten hebben het hof er niet van kunnen overtuigen dat een verhuizing meer in het belang van [naam dochter] zou zijn dan bepaling van het hoofdverblijf bij de vader, waar zij in haar vertrouwde leefomgeving is en tegen welk verblijf door de moeder niet, dan wel onvoldoende contra-indicaties zijn aangedragen. Gelet op het vorenstaande zal het hof het verzoek van de vader toewijzen en de hoofdverblijfplaats van [naam dochter] bij hem bepalen.

Zorgregeling

5.9

Zoals met partijen besproken ter mondelinge behandeling zal de gezinsvoogd met partijen in het kader van de nog uit te spreken ondertoezichtstelling kunnen beoordelen welke zorgregeling in het belang van [naam dochter] is. Het hof zal thans een voorlopige zorgregeling vaststellen en laat het aan de gezinsvoogd over om de definitieve zorgregeling vorm te geven. Het hof zal een voorlopige zorgregeling vaststellen die het meest in het belang van [naam dochter] wordt geacht, waarbij [naam dochter] bij de moeder verblijft in week 1 van donderdagavond 18 uur tot zondag 19 uur en in week 2 vanaf dinsdag 18 uur tot woensdag 19 uur (waarbij de moeder op dinsdag en donderdag [naam dochter] ophaalt bij het KDV). De schoolvakanties zoals die jaarlijks gelden voor de regio Midden-Nederland en de feestdagen worden bij helfte verdeeld.

5.10

Ten overvloede overweegt het hof het volgende. Het hof is met de raad van oordeel dat het zorgelijk is dat de communicatie tussen partijen is verslechterd. Nu de hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende toereikend is gebleken, zal naar verwachting op korte termijn een ondertoezichtstelling worden uitgesproken. Het hof gaat ervan uit dat beide ouders zich ten volle zullen inzetten om via (persoonlijke en/of gezamenlijke) begeleiding te komen tot verbetering van hun onderlinge verstandhouding als ouders van hun kind. Het verbeteren van de onderlinge verstandhouding en de communicatie tussen partijen is van het grootst mogelijke belang voor [naam dochter] . Een goed lopende omgangsregeling is essentieel om de communicatie tussen partijen en het vertrouwen in elkaar te verbeteren.

Bewijsaanbod

5.11

De moeder heeft uitsluitend in algemene bewoordingen bewijs aangeboden van al haar stellingen om welke reden het hof aan haar bewijsaanbod voorbijgaat.

De proceskosten

5.12

Het hof ziet onvoldoende aanleiding om de moeder, zoals de vader heeft verzocht, te veroordelen in de kosten van het geding. Gelet op de aard van de zaak zal het hof, zoals gebruikelijk, de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

6 De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven in het principaal hoger beroep en slagen de grieven in het incidenteel hoger beroep deels. Het hof zal voor de leesbaarheid de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna zal worden vermeld.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu de procedure het uit de relatie van partijen geboren kind betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 april 2018 en opnieuw beschikkende:

wijst het inleidend verzoek van de moeder tot vervangende toestemming om met ingang van 1 maart 2018 met [naam dochter] naar [plaats] te verhuizen af;

bepaalt dat [naam dochter] met ingang van 1 december 2018 haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft;

verdeelt de zorg- en opvoedingstaken voorlopig tussen de moeder en [naam dochter] aldus dat de [naam dochter] bij de moeder verblijft in week 1 van donderdagavond 18 uur tot zondag 19 uur en in week 2 vanaf dinsdag 18 uur tot woensdag 19 uur (waarbij de moeder op dinsdag en donderdag [naam dochter] ophaalt bij het KDV). De schoolvakanties zoals die jaarlijks gelden voor de regio Midden-Nederland en de feestdagen worden bij helfte verdeeld, waarbij [naam dochter] op Vaderdag bij de vader verblijft en op Moederdag bij de moeder verblijft;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, R. Feunekes en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 15 november 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.