Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2018:1000

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2018
Datum publicatie
01-02-2018
Zaaknummer
200.210.319/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Memorie van grieven niet genomen, ook niet na laatste uitstel (ambtshalve peremptoir). Hierdoor is het recht om van grieven te dienen, vervallen. Appellant heeft op de laatste dag wel om uitstel wegens klemmende redenen gevraagd. Dit eenzijdige verzoek is echter na het tijdstip van de rolzitting ingediend, zodat het hof daar aan voorbij gaat. Indien het verzoek wel tijdig zou zijn ingediend, zou het zijn afgewezen. Op grond van wat partijen over en weer hebben aangevoerd, acht het hof niet aannemelijk dat appellant er op mocht vertrouwen dat geïntimeerde wel zou instemmen met nader uitstel voor de memorie van grieven. Appellant had er op moeten anticiperen dat de onderhandelingen mogelijk niet tot een schikking zouden leiden door alvast met de memorie van grieven aan de slag te gaan. Het beroep is verworpen en appellant is in de proceskosten verwezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.210.319/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/144919 / HA ZA 15-335)

arrest van 30 januari 2018 in de zaak van:

mr. Roelof Hendrik Knegtering q.q., in zijn hoedanigheid van opvolgend curator in het faillissement van B.V. Exploitatiemaatschappij Paal Acht te West-Terschelling,

gevestigd te Leeuwarden,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: de curator,

advocaat: mr. R.W. Kuper, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

1 Service Hospitality Management International B.V.,

gevestigd te Rheden,

2. RFBI B.V.,

gevestigd te Bennekom,

3. Vriesa B.V.,

gevestigd te Hattem,

4. [appellant4],

wonende te [A] ,

5. [appellant5],

wonende te [A] ,

6. Hotel Paal Acht B.V.,

gevestigd te Rheden,

geïntimeerden sub 1 tot en met 6,

in eerste aanleg: gedaagden sub 1 tot en met 6,

hierna: SHM c.s.,

niet verschenen,

en

7 mr. Cornelis Doppenberg,

gevestigd te Doetinchem,

8. mr. Jeroen Franciscus Maria Schoot,

gevestigd te Doetinchem,

geïntimeerden sub 7 en 8,

in eerste aanleg: gedaagden sub 7 en 8,

hierna: Doppenberg c.s.,

advocaat: mr. T.S. Jansen, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 16 november 2016 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij exploot van15 februari 2017 is door de curator hoger beroep ingesteld van het genoemde vonnis met dagvaarding van geïntimeerden sub 1 tot en met 8 tegen de zitting van 28 februari 2017.

2.2

Aan de curator is enige malen uitstel verleend voor het indienen van de memorie van grieven. Op de rol van 9 mei 2017 stond de curator ambtshalve peremptoir.

2.3

Op laatstgenoemde datum heeft de curator niet van grieven gediend. Met een beroep op art. 2.13, aanhef en onder b, van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr) heeft de curator in verband met schikkingsonderhandelingen om nader uitstel verzocht wegens klemmende redenen. Het uitstelverzoek is ter griffie ontvangen op 9 mei 2017 na 10:00 uur. Na bezwaar zijdens Doppenberg c.s. is het verzoek om uitstel door de rolraadsheer afgewezen.

2.4

Doppenberg c.s. hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid ex art. 2.14 Lpr om een memorie van eis in incidenteel appel te nemen. De zaak is verwezen naar de rol voor arrest, waartoe Doppenberg c.s. de stukken hebben overgelegd.

3 De beoordeling

3.1

In art. 133 lid 4 Rv (op grond van art. 353 Rv van overeenkomstige toepassing in hoger beroep) is bepaald dat indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, het recht vervalt om de desbetreffende proceshandeling te verrichten. In art. 1.7 Lpr is bepaald dat de termijnen ambtshalve worden nageleefd, tenzij uit dit reglement anders voortvloeit.

3.2

Het hof handhaaft de hiervoor onder 2.3 genomen beslissing, omdat het uitstelverzoek van de curator pas na de roldatum (dinsdag 9 mei 2017 om 10:00 uur) en daarmee in strijd met art. 1.3 Lpr is ingediend. Op genoemde rolzitting kon derhalve geen kennis worden genomen van het verzoek, zodat het nadien ontvangen verzoek terecht terzijde is gesteld.

3.3

Indien het uitstelverzoek tijdig, althans vóór het hiervoor genoemde tijdstip zou zijn ingediend, zou het eveneens zijn afgewezen, omdat geen sprake is van klemmende redenen als bedoeld in art. 2.13, aanhef en onder b, Lpr. Ingevolge art. 1.2 Lpr wordt onder klemmende redenen verstaan: een omstandigheid waardoor het voor een partij redelijkerwijs niet mogelijk is de proceshandeling binnen de gestelde termijn te verrichten of op de zitting te verschijnen.

3.4

De curator heeft gesteld dat (hangende de schikkingsonderhandelingen) met de wederpartij is afgesproken dat niet van grieven zou worden gediend, in de verwachting dat alsnog overeenstemming kon worden bereikt. De hiermee door de curator gewekte suggestie dat Doppenberg c.s. konden instemmen met nader uitstel voor het indienen van de memorie van grieven, wordt van die zijde echter uitdrukkelijk betwist. Doppenberg c.s. stellen dat zij een schikkingsaanbod hebben gedaan waarvan de termijn van aanvaarding verliep op maandag 8 mei 2017, en dat zij de curator expliciet hebben medegedeeld dat niet werd ingestemd met uitstel voor de memorie van grieven. Aangezien geen eenstemmig uitstelverzoek is ingediend (dat met toepassing van art. 2.13, aanhef en onder b, Lpr wél voor toewijzing in aanmerking zou zijn gekomen), acht het hof de lezing van de curator minder aannemelijk dan de lezing van Doppenberg c.s. Onder die omstandigheden valt niet in te zien waarom de curator - wetende dat de termijn voor aanvaarding van het schikkingsvoorstel afliep kort vóór de roldatum waarop hij peremptoir stond - niet heeft geanticipeerd op het mogelijkerwijs niet slagen van de schikkingsonderhandelingen door tijdig een memorie van grieven op te stellen (en zo nodig: in te dienen).

3.5

Aangezien op 9 mei 2017 de uitsteltermijnen voor het nemen van de memorie van grieven ongebruikt zijn verstreken, is het recht voor de curator om een memorie van grieven te nemen, vervallen. Nu de curator geen grieven heeft ontwikkeld tegen het vonnis waarvan beroep, en in aanmerking nemend dat het bestreden vonnis van de rechtbank niet in strijd is met rechtsregels van openbare orde, zal het hoger beroep van de curator worden verworpen.

3.6

De curator moet in hoger beroep worden beschouwd als de in het ongelijk te stellen partij. Het hof zal de curator dan ook veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris advocaat: ½ punt in tarief II).

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep van de curator;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in hoger beroep en stelt die kosten aan de zijde van Doppenberg c.s. tot aan dit arrest vast op € 313,- aan verschotten en op € 447,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, en stelt die kosten aan de zijde van SHM c.s., vast op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.W. Zandbergen en mr. J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 30 januari 2018.