Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9987

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
200.197.560/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van geldlening. Niet toegelaten tot tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.197.560/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4613651 / CV EXPL 15-9133)

arrest van 14 november 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M.G. Doornbos, kantoorhoudend te Assen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. K.J. Kanning, kantoorhoudend te Assen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 13 juni 2017 hier over.

1.2.

De in voornoemd tussenarrest bepaalde comparitie heeft plaatsgehad op

4 oktober 2017. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

Een schikking is niet bereikt.

1.3.

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het comparitiedossier.

1.4.

[appellant] heeft in het hoger beroep gevorderd, "bij arrest, te vernietigen het op

24 mei 2016 door de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Assen, gewezen vonnis en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering der gronden, de vorderingen van geïntimeerde alsnog af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad."

2 De vaststaande feiten

2.1.

De door de kantonrechter in het vonnis van 24 mei 2016 in rechtsoverweging 2 (2.2 tot en met 2.5) als vaststaand weergegeven feiten zijn tussen partijen niet in geschil. Aangevuld met wat voorts nog onweersproken is gesteld, staat voor zover in hoger beroep nog van belang het navolgende vast.

2.2.

[appellant] is gehuwd geweest met mevrouw [C] (hierna: [C] ). [C] heeft een relatie gehad met de zoon van [geïntimeerde] . Tussen [appellant] , [C] , de zoon van [geïntimeerde] , [geïntimeerde] en de drie kinderen van [appellant] en [C] was de band zodanig dat men veel bij elkaar over de vloer kwam en vakanties gezamenlijk werden gevierd, waarbij de kosten voor rekening van [geïntimeerde] kwamen. [geïntimeerde] had een erfenis ontvangen en beschikte daardoor over enig vermogen.

2.3.

[appellant] heeft op enig moment in de woning van [geïntimeerde] de muren van de woonkamer en hal geverfd en een laminaatvloer in de woonkamer gelegd.

2.4.

[geïntimeerde] is op 1 februari 2013 samen met [appellant] bij de Opeldealer geweest. Gekocht is een nieuwe Opel Corsa van € 16.115,35 onder inruil van een auto van [appellant] met een waarde van € 565,35. De koopovereenkomst is op naam van [geïntimeerde] gesteld. Zij heeft het aankoopbedrag van € 15.550,- voldaan. De auto is op 9 februari 2013 geleverd en op naam van [appellant] gesteld.

2.5.

[appellant] heeft op de navolgende data bedragen overgeboekt op de rekening van [geïntimeerde] :

01-03-2013 € 228,50 o.v.v. "Aflossing Lenning 1e keer februari 2013 (…) Inc.Rente"

29-03-2013 € 228,50 o.v.v. "Aflossing 2E keer Maart 2013 (…) Inc. Rente"

11-05-2013 € 228,50 o.v.v. "Aflossing 3E keer April 2013 (…) Inc. Rente"

05-06-2013 € 228,50 o.v.v. "Aflossing Lenning Maand Mei 2013 4 keer inc. Rente"

06-08-2013 € 128,50 o.v.v. "Aflossing Lenning maand Juni/Juli Een maand gekregen en de andere maand betaald [appellant] "

01-04-2014 € 128,50 o.v.v. "Aflossing Lenning"

01-06-2014 € 128,50 o.v.v. "Aflossing Lenning"

2.6.

In de periode van 19 september 2013 tot 19 juni 2014 heeft de Opel Corsa op naam van [geïntimeerde] gestaan.

2.7.

[geïntimeerde] heeft in de periode van 19 september 2013 tot 27 juni 2014

€ 1.035,03 aan verzekeringspremie voor de Opel Corsa voldaan en in totaal € 507,- aan wegenbelasting.

2.8.

Bij brief van 16 juni 2015 heeft de advocaat van [geïntimeerde] onder meer gesteld dat [appellant] in de nakoming van de terugbetaling van de lening voor de Opel Corsa tekort is geschoten. Hij heeft [appellant] in gebreke gesteld en een betalingsvoorstel gedaan van € 500,- per maand.

2.9.

Bij email van 26 juli 2015 heeft [appellant] onder meer het volgende geschreven:

"(…) Ik kan hier zeer kort en bondig in zijn gezien er nooit sprake is van een lening. Ten tijde van de relatie van haar zoon met mijn ex-echtgenote waren de zaken anders. In die periode had ik niet genoeg financiële middelen om de auto direct te financieren. Mevrouw [geïntimeerde] heeft mij ten tijde van de aankoop daarmee geholpen wat ik niet ontken. Ik heb als tegenprestatie haar hele woning geverfd en voorzien van laminaat en tal van andere achterstallig onderhoud, daarvoor zelfs een langere periode vrij genomen van mijn werk. De deel wat ik financieel kon afdragen heb ik ook gedaan. (…) Ik ben dan ook niet bereid om op een voorstel in te gaan gezien ik haar totaal niets verschuldigd ben"

2.10.

Bij email van 6 augustus 2015 heeft de advocaat van [geïntimeerde] [appellant] in de gelegenheid gesteld een bedrag van € 16.630,62 te voldoen en buitengerechtelijke incassokosten aangezegd.

2.11.

Bij brief van 11 augustus 2015 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] verzocht de afbetaling van de lening weer op te pakken, waarbij zij zich bereid heeft verklaard een deel van de lening kwijt te schelden. Tot verdere betalingen door [appellant] heeft dit niet geleid.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd - samengevat - veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 15.025,59 aan haar uit hoofde van een overeenkomst van geldlening, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2015 tot aan de dag van voldoening, een bedrag van € 941,31 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.

3.2.

[appellant] heeft ontkend dat er sprake is geweest van een geldlening voor de Opel Corsa. Er zou slechts sprake zijn geweest van een geldlening van € 1.542,03 voor de bedragen die [appellant] aan [geïntimeerde] verschuldigd was voor wegenbelasting en de autoverzekering die zij voor hem had betaald. Aangezien hij reeds € 1.528,- aan [geïntimeerde] heeft voldaan resteert slechts een te betalen bedrag van € 14,03.

3.3.

De kantonrechter heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag van

€ 14.937,- waarin is begrepen een bedrag van € 915,- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente van 16 juli 2015 over € 14.022,- en de proceskosten.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering.

4.1.

Grief 1 luidt: "Ten onrechte passeert de kantonrechter het verweer van [appellant] als volkomen ongeloofwaardig". In de toelichting op de grief heeft [appellant] aangevoerd dat hij de Opel Corsa van [geïntimeerde] heeft gekregen, maar dat hij wel een lening met [geïntimeerde] is aangegaan voor het betalen van de kosten van wegenbelasting en verzekeringen betreffende de auto. [appellant] zou hebben voorzien dat hij, enkele maanden na aanschaf van de auto, in financiële problemen zou komen als gevolg van de scheiding met [C] . Om die reden zou [appellant] de tweede helft van 2013 de wegenbelasting en de autoverzekering voor hem betalen en hij zou dit bedrag aan haar terug betalen. Hij is na aanschaf van de Opel Corsa die toekomstig verschuldigde bedragen alvast aan [geïntimeerde] gaan betalen, vandaar de vermelding lening op de bankoverschrijvingen, aldus [appellant] .

4.2.

[geïntimeerde] heeft gesteld dat zij [appellant] wilde helpen met de aanschaf van een auto en waarvoor hij het aankoopbedrag niet ineens beschikbaar had. Zij heeft gesteld dat zij met [appellant] is overeengekomen dat hij het door haar betaalde bedrag van € 15.550,- voor de aanschaf van de Opel Corsa in maandelijkse bedragen van € 228,50 zou terugbetalen, later op zijn verzoek teruggebracht naar € 128,50.

4.3.

Het hof overweegt als volgt. Conform artikel 150 Rv rust de bewijslast van de overeenkomst van geldlening op [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van haar stellingen kopieën van haar bankafschriften overgelegd waaruit overschrijvingen van [appellant] op haar rekening, zoals hiervoor vermeld in rov. 2.5. met de daarop vermelde omschrijvingen, blijken. Tussen partijen is niet in geschil dat op 1 februari 2013 de Opel Corsa is gekocht en is betaald door [geïntimeerde] en dat de auto meteen op naam is gezet van [appellant] . De bankoverschrijvingen van [appellant] op de rekening van [geïntimeerde] nemen een aanvang meteen na aankoop van de Opel Corsa, waarbij de auto op naam is gezet van [appellant] . De betreffende omschrijvingen sluiten aan bij de geldlening en de maandelijkse aflossingen, zoals door [geïntimeerde] is gesteld: "Lenning 1e termijn" etc. Met voornoemde feiten en omstandigheden heeft [geïntimeerde] aan haar stelplicht voldaan. Het ligt op de weg van [appellant] om vervolgens gemotiveerd deze feiten te betwisten. [appellant] geeft daartoe een andere lezing aan de overschrijvingen en de daarop vermelde omschrijvingen (zie rov 4.1.). Die lezing vindt naar het oordeel van het hof op geen enkele wijze steun in de feiten. Hoewel immers bekend was welke bedragen [appellant] in zijn lezing aan verzekeringspremie en motorrijtuigenbelasting voor de tweede helft van 2013 zou moeten voldoen, hij betaalde tot het moment van overschrijving van de Opel Corsa op naam van [geïntimeerde] zelf de premie en de belastingen, kunnen de door hem aan [geïntimeerde] betaalde bedragen op geen enkele wijze worden gelinkt aan het door [geïntimeerde] betaalde bedrag aan wegenbelasting en verzekeringspremie. Ter comparitie in hoger beroep heeft [appellant] desgevraagd verklaard dat hij berekend heeft wat hij verschuldigd zou zijn aan premie en belastingen, dat hij daarvan een percentage heeft genomen en dat heeft overgemaakt, nadat hij overigens eerst had verklaard dat de overgemaakte bedragen het maximum waren wat hij kon missen. Dit draagt evenmin bij aan de geloofwaardigheid van zijn lezing van de feiten. Tot slot zien de omschrijvingen op een lening.

4.4.

Het voorgaande leidt ertoe dat [appellant] de door [geïntimeerde] gestelde feiten waarop zij de door haar gestelde overeenkomst van geldlening baseert onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Aan het toelaten tot het leveren van tegenbewijs komt het hof dan ook niet toe.

4.5.

In de toelichting op grief 1 leest het hof ook nog een (verholen) grief tegen de overweging van de kantonrechter dat [appellant] geen verweer heeft gevoerd tegen de stelling van [geïntimeerde] dat door het niet nakomen van de betalingsregeling de geldlening direct opeisbaar is geworden. Volgens [appellant] heeft hij wel gemotiveerd verweer gevoerd. Nu een nadere toelichting ontbreekt en ook in eerste aanleg geen verweer is gevoerd tegen de directe opeisbaarheid, zal ook deze grief worden verworpen.

4.6.

Grief 2 richt zich tegen de toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten. [appellant] heeft aangevoerd dat er geen buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.

4.7.

De veertiendagenbrief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW waarnaar [geïntimeerde] verwijst (de email van 6 augustus 2015, prod.7 dagvaarding in eerste aanleg) voldoet niet aan de wettelijke vereisten, nu in die brief niet wordt gesommeerd tot betaling binnen veertien dagen na dagtekening van de brief (zie HR 25-11-2016, ECLI:NL:HR:2016:2704, rechtsoverweging 3.6.1). Nu niet is voldaan aan de eis van artikel 6:96 lid 6 BW, zal het hof de buitengerechtelijke kosten afwijzen (zie genoemd arrest, rechtsoverweging 3.6.2). In zoverre treft het appel doel.

4.8.

Grief 3 ziet op de proceskostenveroordeling en heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis en behoeft om die reden geen nadere behandeling.

Slotsom

4.9.

Grief 2 slaagt. De overige grieven falen. Het bestreden vonnis zal, voor zover in het eerste onderdeel van het dictum een bedrag van € 14.937,- is toegewezen worden gewijzigd in € 14.022,-, voor het overige zal het vonnis worden bekrachtigd. Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten zullen aan de zijde van [geïntimeerde] worden vastgesteld op € 716,- aan verschotten (griffierecht) en € 1.788,- (2 punten, tarief II: € 894,-) aan geliquideerd salaris voor de advocaat. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door [geïntimeerde] is verzocht, in afwijking van het liquidatietarief een integrale proceskostenveroordeling uit te spreken.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van 24 mei 2016 gewezen door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, voor zover in het eerste onderdeel van het dictum een bedrag van € 14.937,- is toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 14.022,- vanaf 16 juli 2015 tot de dag van volledige betaling en in zoverre op nieuw recht doende:

veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 14.022,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 juli 2015 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 716,- voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. I. Tubben, mr. J. Smit en mr. B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

14 november 2017.

.