Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9986

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
200.196.881/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid bestuurder van een stichting. Bestuurder is naast stichting aansprakelijk in geval van voldoende ernstig verwijt. Uitvoering Sociaal plan voor werknemers van de stichting. Overschrijding budget uitvoeringskosten van het Sociaal Plan is niet komen vast te staan. Onvoldoende toezicht is ook overigens niet komen vast te staan. Afwijzing vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1378
INS-Updates.nl 2017-0377
OR-Updates.nl 2017-0292
AR 2017/6078
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.196.881/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/155273 / HA ZA 15-75)

arrest van 14 november 2017

in de zaak van

1 FNV,

gevestigd te Amsterdam,

hierna: FNV,

2. [appellant2] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant2],

3. [appellant3] ,

wonende te [B] ,

hierna: [appellant3],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: FNV c.s.,

advocaat: mr. A. van Deuzen, kantoorhoudend te Alkmaar,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [C] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.P. Waninge, kantoorhoudend te Groningen,

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van

30 maart 2016 dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft gewezen.

2 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

2.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 6 juni 2017 hier over.

2.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen d.d. 18 oktober 2017.

2.3

Na afloop van de comparitie van partijen heeft het hof arrest bepaald op basis van het door FNV overgelegde procesdossier aangevuld met de ter comparitie van partijen nog overgelegde even pagina's van het verslag van de curator in het faillissement van stichting Opmaat alsmede het na afloop van die comparitie van partijen door de advocaat van [geïntimeerde] (met instemming van de wederpartij) nagezonden volledige exemplaar van het stuk "Kiezen voor kansen". In randnummer 7 van de memorie van grieven, zo begrijpt het hof, wijzen FNV c.s. op mogelijke onvolledigheid van het procesdossier doordat daarin ontbreken de reacties van partijen op het proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg. Het hof stelt vast, zoals ter comparitie in hoger beroep ook is meegedeeld, dat die stukken zich in het procesdossier bevinden.

2.4

FNV c.s. vorderen in het hoger beroep het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 30 maart 2016 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijk ingestelde vorderingen alsnog toe te wijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.2. tot en met 2.13. van het bestreden vonnis, aangevuld met enige feiten die ook van belang zijn voor de beoordeling van de zaak.

3.2.

FNV is een vakorganisatie in de welzijnssector.

3.3

[geïntimeerde] was de voorzitter van het bestuur van de Stichting Opmaat (hierna:

de Stichting). De Stichting is bij akte van 27 februari 1991 opgericht door een aantal

gemeenten die samenwerkten in de Inter Gemeentelijke Sociale Dienst (hierna: de IGSD).

De Stichting droeg op basis van een overeenkomst met de IGSD en de gemeente

Bellingwedde zorg voor het begeleiden van bijstandsgerechtigden naar werk.

3.4

[appellant2] en [appellant3] waren werknemers van de Stichting.

3.5

De IGSD heeft de overeenkomst met de Stichting per 1 januari 2009 opgezegd, wat

met zich bracht dat de Stichting vanaf die datum haar werkzaamheden heeft moeten staken.

3.6

In het kader van de beëindiging van de activiteiten van de Stichting is een Sociaal

Plan tot stand gekomen dat in werking is getreden op 4 juni 2008. Het Sociaal Plan geeft de

werknemers van de Stichting recht op wachtgeld conform de toepasselijke CAO. In het

Sociaal Plan is in artikel 13 onder meer opgenomen:

"De werkgever stelt € 1.200.000,00 beschikbaar voor de financiering van de uitvoering van dit sociaal plan, inclusief de wachtgeldverplichtingen."

3.7

Een deel van de 21 werknemers van de Stichting, waaronder [appellant2] en [appellant3] ,

is per 1 januari 2009 ontslag aangezegd. Zij hebben nadien wachtgeld ontvangen.

3.8

Door de Stichting is nadien het project "Kiezen voor nieuwe kansen" uitgevoerd dat

ten doel had de werknemers van de Stichting naar ander werk te begeleiden. Deelname aan

dit project heeft voor [appellant2] en [appellant3] niet tot een nieuwe werkkring geleid.

3.9

Medio maart 2013 heeft de Stichting de wachtgeldbetalingen aan [appellant2] en

[appellant3] gestaakt.

3.10

Bij vonnis van 28 mei 2013 is de Stichting in staat van faillissement verklaard.

Behalve ten aanzien van [appellant2] en [appellant3] was op dat moment door de Stichting aan de

wachtgeldverplichtingen voldaan doordat de voormalige werknemers ander werk hadden

gevonden of hun wachtgeldaanspraak was afgekocht.

3.11

[appellant2] en [appellant3] hebben een vordering van in totaal € 143.001,- ter verificatie

ingediend. Het betreft het bedrag aan wachtgeld waarop zij nog aanspraak hebben.

3.12

Op 26 mei 2008 heeft de Stichting een adviesaanvraag gericht aan de Personeelsvertegenwoordiging (PVT) van de Stichting. In die aanvraag is vermeld dat het bestuur van de stichting heeft ingestemd met het voornemen om [D] van OWL Juridisch Advies te belasten met de uitvoering van het Sociaal Plan. In de toelichting op de adviesaanvraag is vermeld:

"De kosten van de inzet van mevrouw [D] zullen ten laste komen van de reserves".

De PVT heeft met het voorstel van de Stichting ingestemd.

3.13

In de periode 2008-2013 heeft OWL Juridisch Advies (verder: OWL), een eenmanszaak van [D] , in opdracht van de Stichting werkzaamheden verricht. OWL heeft daarvoor in totaal € 636.956,- gedeclareerd.

3.14

Het faillissement van de Stichting is in 2014 opgeheven wegens gebrek aan baten.

In het eindverslag van de curator is te lezen, voor zover van belang:

"Het beschikbare budget voor de uitvoering van het Sociaal Plan is snel gekrompen door de hoge uitgaven die de stichting heeft gedaan. Het bestuur van de Stichting Opmaat heeft een externe adviseur, mevrouw [D] en OWL Juridisch Advies belast met de uitvoering van het sociaal Plan en heeft haar voorts ingeschakeld voor bijstand en advies in vrijwel alle stichtingsaangelegenheden. Stichting Opmaat heeft in de jaren 2008-2013 in totaal € 636.956,10 betaald aan het adviesbureau van mevrouw [D] . Daarnaast heeft het stichtingsbestuur een interimmanager en een administrateur extern ingehuurd, hetgeen ook de nodige kosten heeft meegebracht."

3.15

In de toelichting op het Sociaal Plan, dat op 4 juni 2008 werd overeengekomen tussen de Stichting en de Verenging AbvaKabo (thans: FNV) is opgenomen:

op pagina 2:

"Ondersteuning (5.3)

Ten aanzien van de mogelijke uitkomsten van de arbeidsmarktscan waaronder onder meer begrepen instrumenten/faciliteiten, die ingezet zullen worden voor de begeleiding van werk naar werk is geen maximum bedrag bepaald in het Sociaal Plan. Aanleiding daarvoor is dat vooraf de omvang van deze instrumenten niet kan worden vastgesteld. (…)"

en op pagina 3:

" Beschikbare middelen voor financiering Sociaal Plan Opmaat

Het bestuur van Opmaat heeft op 26 mei 2008 besloten dat € 1.200.000,00 beschikbaar wordt gesteld voor de nakoming van financiële aanspraken van werknemers als gevolg van het Sociaal Plan. Het bestuur zal zodanige maatregelen treffen dat de financiering van de uitvoering van het sociaal plan gewaarborgd is.

(…)

Uitvoering Sociaal Plan

Het bestuur van Opmaat wijst in overleg met de PVT een uitvoerder van het Sociaal Plan aan."

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

FNV c.s. hebben in eerste aanleg kort samengevat gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een nader bij staat op te maken schadevergoeding, zowel materieel als immaterieel, vermeerderd met wettelijke rente en de zaak daartoe te verwijzen naar de schadestaatprocedure met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.

4.2

De rechtbank heeft bij vonnis van 30 maart 2016 de vordering afgewezen.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

FNV c.s. hebben tien grieven ontwikkeld. De grieven worden hierna, deels gezamenlijk, behandeld.

Feiten

5.2

Grief 2 betoogt dat de rechtbank een deel van de feiten onjuist heeft vastgesteld met als gevolg dat die feiten niet aan de beoordeling ten grondslag hadden mogen worden gelegd. In de toelichting op de grief wordt de gestelde onjuistheid niet gespecificeerd, maar wordt volstaan met een algemene verwijzing naar de toelichting op de grieven 3 tot en met 5. Ook uit die toelichtingen valt echter niet op te maken in welk opzicht de rechtbank, volgens FNV c.s., de feiten onjuist heeft vastgesteld. De grief faalt.

Algemeen kader

5.3

De overige grieven, waarop hierna nader wordt ingegaan, hebben tot onderwerp de stelling van FNV c.s. dat [geïntimeerde] als bestuurder van de Stichting aansprakelijk is jegens FNV c.s. voor de schade die FNV c.s. hebben geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] . De onrechtmatigheid was, aldus FNV c.s., gelegen in het feit dat de uitvoeringskosten van het Sociaal Plan ad € 636.956,10 niet, althans niet volledig, ten laste van het budget van € 1.200.000,- hadden mogen worden gebracht, dat [geïntimeerde] daarop én op de hoogte van die uitvoeringskosten onvoldoende toezicht heeft gehouden en dat bij de uitvoering teveel mensen waren betrokken. Dat onrechtmatig handelen heeft, aldus FNV c.s. geleid tot schade aan de zijde van FNV, [appellant2] en [appellant3] .

5.4

Bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] wordt het volgende voorop gesteld. Indien een stichting tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de stichting aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die stichting, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de stichting. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Zie HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015, 22, RCI Financial Services/K).

5.5

In geval van benadeling van een schuldeiser van een stichting door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (zie met name het arrest van de Hoge Raad d.d. 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006: AZ0758, NJ 2006, 659, Ontvanger/Roelofsen) naast de aansprakelijkheid van de stichting mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de stichting heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de stichting haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de stichting onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. ook HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873, NJ 2000, 295, New Holland).

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat, kort gezegd, persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de stichting kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de stichting aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de stichting niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden (de zogenoemde Beklamelnorm naar HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, NJ 1990, 286, later onder meer herhaald in HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015, 22, RCI Financial Services/K). Deze norm houdt in de kern de eis in dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden.

In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de stichting tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. In dit onder (ii) bedoelde geval draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal.

Het ligt bij zowel de hiervoor onder (i) als de onder (ii) bedoelde gevallen op de weg van de benadeelde crediteur om per aangesproken bestuurder te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de betreffende bestuurder persoonlijk jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld.

Uitvoeringskosten: hoogte

5.6

De grieven 4 en 6 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De grieven houden, zo begrijpt het hof, in de stelling dat de uitvoeringskosten van het Sociaal Plan tot een maximum van € 168.000,- ten laste van het voor dat plan beschikbare budget mochten

worden gebracht en dat het eventueel meerdere ten laste van de reserves van de Stichting had moeten komen. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op FNV c.s. de bewijslast van de stelling dat de uitvoeringskosten van het Sociaal Plan beperkt waren tot € 168.000,-.

5.7

[geïntimeerde] voert aan dat de kosten ter uitvoering van het Sociaal Plan, zoals de rechtbank heeft overwogen, gebracht mochten worden ten laste van het voor dat Sociaal Plan beschikbare budget van € 1.200.000,-. Het door FNV c.s. genoemde bedrag van € 168.000,- betrof niet de kosten van uitvoering van het Sociaal Plan, maar de kosten van uitvoering van het, naast het Sociaal Plan en deels ook ter uitvoering daarvan, gestarte project "Kiezen voor nieuwe kansen".

5.8

De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 4.10. tot en met 4.12. van het bestreden vonnis het Sociaal Plan uitgelegd en op basis van die uitleg geconcludeerd dat het beschikbare budget (€ 1.200.000,-) mede strekte tot dekking van de kosten van uitvoering van het Sociaal Plan. Die overwegingen zijn juist en neemt het hof over.

5.9

De volgende vraag is of bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] tot uitgangspunt kan worden genomen dat voor die kosten een plafond gold van € 168.000,-. FNV c.s. hebben in dit verband allereerst gewezen op de passage (zie hiervoor onder 3.15) in de toelichting op het Sociaal Plan waarin is vastgelegd dat € 1.200.000,- beschikbaar is voor "de nakoming van financiële aanspraken van werknemers als gevolg van het Sociaal Plan" en op de passage dat het bestuur van de Stichting zich verplichtte tot het treffen van "zodanige maatregelen dat de financiering van het Sociaal Plan gewaarborgd is". Volgens FNV c.s. duiden deze passages erop dat aan het bestuur van de Stichting geen "carte blanche" is gegeven voor het maken van uitvoeringskosten. De tekst van deze passages bevat echter geen specifieke beperking van de hoogte van de uitvoeringskosten. Lezing van beide passages in onderling verband leidt tot niet meer dan de algemene conclusie dat het bestuur € 1.200.000,- beschikbaar heeft gesteld voor het Sociaal Plan én dat het die maatregelen zal treffen die waarborgen dat dit budget daadwerkelijk beschikbaar is, zodat het Sociaal Plan kan worden uitgevoerd. Het kopje boven de beide passages biedt steun aan deze lezing. Daarin wordt immers, heel algemeen en zonder enige beperking, gesproken over de "(…) financiering Sociaal Plan Opmaat". In de toelichting op het Sociaal Plan is onder het kopje "Ondersteuning" (zie hiervoor onder 3.15) bovendien vermeld dat voor de instrumenten/faciliteiten, die ingezet zullen worden voor de begeleiding van werk naar werk geen maximum bedrag is bepaald in het Sociaal Plan en dat de aanleiding daarvoor is dat vooraf de omvang van deze instrumenten niet kan worden vastgesteld. Dit is te begrijpen vanuit de gedachte dat het gereserveerde bedrag van € 1.200.000,- onvoldoende was indien niemand zou uitstromen. In dat geval immers zouden de kosten (bestaande uit wachtgeldclaims van alle werknemers) oplopen, zo is niet weersproken door [geïntimeerde] gesteld, tot € 2.900.000,-. Het was dus zaak dat de mensen zo veel en zo snel mogelijk zouden uitstromen. Om dat te bewerkstelligen was bijscholen en begeleiding van werk naar werk noodzakelijk, maar waren de kosten daarvan kennelijk, getuige deze bepaling in het Sociaal Plan, niet vooraf te begroten. Voor de verwezenlijking van dat Sociaal Plan diende dus € 1.200.000,- beschikbaar te zijn, inclusief voor de uitvoering ervan te maken kosten.

5.10

FNV c.s. beroepen zich voorts op de passage in de adviesaanvraag aan de PVT van 26 mei 2008, inhoudende "De kosten van de inzet van mevrouw [D] zullen ten laste komen van de reserves". Ook die passage bevat echter geen enkele beperking van de daarin aangeduide kosten. Desgevraagd is namens FNV c.s. ter comparitie van partijen op

18 oktober 2017 meegedeeld dat zich geen andere stukken in het dossier bevinden waaruit het bestaan van de gestelde beperking zou kunnen worden afgeleid.

5.11

Zoals uit de voorgaande overwegingen blijkt is het bewijs dat de kosten van uitvoering van het Sociaal Plan beperkt waren tot € 168.000,- op dit moment niet geleverd. Voor toelating van FNV c.s. tot bewijslevering bestaat echter geen aanleiding omdat FNV c.s. volstaan hebben met een algemeen geformuleerd bewijsaanbod en een ter zake dienend en specifiek bewijsaanbod - dat in hoger beroep gevergd wordt en mag worden - ontbreekt.

5.12

De grieven 4 en 6 falen met als gevolg dat bij de verdere beoordeling van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] niet tot uitgangspunt kan worden genomen dat het budget voor de uitvoeringskosten van het Sociaal Plan beperkt was tot € 168.000,-.

Uitvoeringskosten: toezicht

5.13

De grieven 3, 5 en 7 lenen zich eveneens voor gezamenlijke behandeling. Zij hebben tot onderwerp de stelling van FNV c.s. dat door [geïntimeerde] onvoldoende toezicht is gehouden op de door OWL gedeclareerde kosten. Daarnaast houden zij in dat onvoldoende toezicht is gehouden op de overige kosten van uitvoering van het Sociaal Plan. [geïntimeerde] voert, gelijk in eerste aanleg, in hoger beroep het verweer dat wel degelijk voldoende toezicht is uitgeoefend. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op FNV c.s. ook hier de bewijslast van hun stellingen.

5.14

Zoals ter comparitie van het hof op 18 oktober 2017 nog eens tot uitdrukking is gebracht door [appellant2] en [appellant3] zit de angel van deze zaak in de kosten die OWL in de loop der jaren in rekening heeft gebracht, welke kosten ten laste van het voor het Sociaal Plan beschikbare budget van € 1.200.000,- euro zijn gebracht. Die kosten bedroegen - dat is niet in geschil - € 636.956,-. Als die kosten minder waren geweest of ten laste van de (overige) reserves van de Stichting waren gekomen zou de Stichting de wachtgeldverplichtingen jegens [appellant2] en [appellant3] volledig, althans (aanmerkelijk) langer hebben kunnen nakomen dan thans het geval is geweest en zouden zij niet of pas later de forse terugval in inkomen hebben behoeven te ervaren waarmee zij nu reeds per datum uitputting budget feitelijk te maken hebben gehad, aldus [appellant2] en [appellant3] .

5.15

Dat de kosten zo hoog zijn uitgevallen bewijst echter nog niet dat die kosten niet of niet volledig gemaakt hadden mogen worden en/of dat [geïntimeerde] op het oplopen van die kosten onvoldoende toezicht heeft gehouden. Op deze aspecten wordt hierna verder ingegaan aan de hand van de door FNV c.s. ontwikkelde stellingen.

5.16

OWL heeft voor haar werkzaamheden declaraties gestuurd. Volgens FNV c.s. zijn die declaraties onverantwoord hoog. Daaraan is toegevoegd dat controle van de declaraties door FNV c.s. onmogelijk was omdat [geïntimeerde] heeft geweigerd die declaraties aan FNV c.s. te verstrekken. Kennelijk bedoelen FNV c.s. aldus te stellen dat:

a. het gebrek aan specificatie reeds aantoont dat de declaraties onverantwoord hoog waren en dus dat onvoldoende toezicht is gehouden, althans

b. het op de weg van [geïntimeerde] had gelegen de specificaties in het geding te brengen opdat FNV c.s. in staat zouden zijn geweest deze op juistheid te controleren en

c. nu die declaraties niet in het geding zijn gebracht door [geïntimeerde] van de onjuistheid (geheel of grotendeels) daarvan moet worden uitgegaan.

5.17

Het enkele feit dat specificaties ontbreken betekent nog niet dat de declaraties in kwestie onverantwoord hoog zijn. In stelling a kunnen FNV c.s. daarom niet worden gevolgd. Voor het overige (b en c) geldt het volgende. FNV c.s. stellen onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] . Dat betekent dat ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv, op hen de bewijslast rust. Onder omstandigheden kan het zo zijn dat de wederpartij van degene op wie de bewijslast rust een verzwaarde stelplicht heeft. Daarvan zal in het bijzonder sprake zijn indien bij uitsluiting de wederpartij beschikt over de voor de beoordeling van het geschil relevante gegevens (bijvoorbeeld HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3587). Achterliggende gedachte is dan dat de gegevens zonder medewerking van die wederpartij niet beschikbaar kunnen komen. Die situatie doet zich hier niet voor. De declaraties waarom het hier gaat zijn declaraties aan de Stichting, niet aan [geïntimeerde] . De Stichting is gefailleerd. De administratie is daardoor komen te berusten bij de curator, niet [geïntimeerde] . Laatstgenoemde heeft, onbetwist, ter comparitie in hoger beroep gesteld dat hij de declaraties inmiddels in zijn bezit heeft doordat hij deze bij de curator heeft opgevraagd en van haar heeft verkregen. De situatie dat FNV c.s. voor bewijslevering afhankelijk zijn van [geïntimeerde] omdat deze bij uitsluiting beschikt over de declaraties in kwestie doet zich dus niet voor. Op [geïntimeerde] rust dan ook niet een verzwaarde stelplicht in het kader van het door hem gevoerde verweer. Reeds op deze grond kunnen de nu besproken gronden b en c niet het door FNV c.s. beoogde resultaat hebben.

5.18

Op een enkel onderdeel hebben FNV c.s., ondanks het feit dat zij niet beschikten over de declaraties en/of specificaties daarvan, nader invulling gegeven aan de stelling dat die declaraties onverantwoord hoog waren:

a. de bevindingen van de curator bevestigen het onverantwoord hoge karakter van de uitgaven;

b. door OWL is in een tweetal procedures kansloos verweer gevoerd; de daarmee gemoeide kosten waren dus nodeloos;

c. op sommige dagen is meer dan 18 uur gedeclareerd hoewel OWL een eenmanszaak is;

d. over de kwaliteit van de dienstverlening door OWL waren FNV c.s. niet tevreden;

e. de door OWL opgetuigde vacaturebank bevatte een niet bestaande vacature en berustte overigens op van internet geplukte vacatures;

f. OWL (in de persoon van [D] ) heeft weinig relevante bijdragen geleverd aan overleggen met FNV.

5.19

Deze stellingen van FNV c.s. bevatten meer subjectieve kwalificaties (bevestigen, kansloos, niet tevreden, weinig relevante bijdragen) dan feiten. Dat maakt het al lastig om deze als voldoende onderbouwing aan te merken van het gestelde gebrek aan toezicht op de "onverantwoord hoge" declaraties. Niettemin die stellingen nader beschouwend wordt het volgende opgemerkt.

ad a

FNV c.s. doelen op het verslag van de curator dat als productie 1 bij inleidende dagvaarding is overgelegd. In dat verslag meldt de curator dat zij de urenopgaven weinig inzichtelijk vindt, dat zij constateert dat op sommige dagen meer dan 8 uur is gedeclareerd, dat zij [geïntimeerde] heeft uitgenodigd voor een gesprek en dat haar onderzoek (nog) niet is afgerond. De conclusie dat van onverantwoord hoge declaraties (en dus uitgaven) sprake is geweest heeft de curator in dit verslag echter niet getrokken. Zij heeft gesignaleerd, vragen opgeworpen en nader onderzoek nodig geacht. Meer niet.

ad b

De eerste procedure is die tussen FNV (als eiseres) en de Stichting (als gedaagde). Die procedure is geëindigd met het vonnis van de kantonrechter te Groningen van 16 oktober 2012 dat als productie 10B bij inleidende dagvaarding is overgelegd. Van het in die procedure gevoerde verweer kan bezwaarlijk gezegd worden dat het kansloos was nu de vorderingen van FNV zijn afgewezen.

De tweede procedure betrof een arbeidsgeschil tussen [E] (werknemer van de Stichting) als eiser en de Stichting als gedaagde. Die zaak is geëindigd met het vonnis van de kantonrechter te Groningen d.d. 17 juli 2012. De Stichting is daarbij veroordeeld tot betaling van een bepaald bedrag aan [E] . Deze uitkomst toont echter nog niet aan dat het door de Stichting in die procedure gevoerde verweer kansloos was, laat staan dat [geïntimeerde] (als niet deskundige op het gebied van het arbeidsrecht) had moeten weten dat sprake was van een kansloos verweer. Een nadere onderbouwing is door FNV c.s. niet gegeven. Van een kansloos verweer is dus niet gebleken.

ad c

In de memorie van antwoord (randnummer 32) is door [geïntimeerde] een specificatie gegeven van de facturen waarop meer dan 8 uur per werkdag is gedeclareerd. Hoewel FNV c.s. daartoe (ter comparitie in hoger beroep) in de gelegenheid waren hebben zij deze specificatie niet gemotiveerd weersproken. Dat gegeven maakt dat onvoldoende onderbouwd is dat de declaraties waarop meer dan acht uren per dag voorkomen onjuist zijn dan wel onverantwoord hoog.

ad d

Het enkele feit dat FNV c.s. niet tevreden waren over de kwaliteit van de door OWL geleverde diensten kan niet leidend zijn voor de beoordeling van deze zaak. Waar het om gaat is of de dienstverlening door OWL zodanig niet beantwoordde aan hetgeen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur mocht worden verwacht dat [geïntimeerde] , als toezichthouder op die dienstverlening, ernstig verwijtbaar handelde door niettemin de declaraties van OWL (telkens) goed te keuren. Door FNV c.s. is in het geding gebracht een aantal verklaringen van ex-werknemers van de Stichting, te weten de dames [F] en [G] alsmede de heren [H] en [I] (producties 7C tot en met 7F bij inleidende dagvaarding). De rechtbank is op deze verklaringen ingegaan door te overwegen:

"Ook de door FNV c.s. in het geding gebrachte verklaringen van voormalige werknemers met de strekking dat OWL voor hen weinig of niets heeft gedaan, leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit is alleen al zo omdat OWL veel meer werkzaamheden heeft verricht dan de individuele begeleiding van werknemers: niet weersproken is dat OWL uitvoerder van het Sociaal Plan was zoals dat in het Sociaal Plan wordt bedoeld, en dat zij in dat kader een groot aantal verschillende activiteiten heeft ontplooid, variërend van de ontwikkeling van een vacaturebank tot het voeren van gesprekken met gemeenten en de advisering over de afwikkeling van de Stichting."

In hoger beroep is ermee volstaan wederom te verwijzen naar deze verklaringen (memorie van grieven sub 10), maar in welk opzicht deze afbreuk doen aan het oordeel van de rechtbank is niet inzichtelijk gemaakt. Dat oordeel komt het hof juist voor en neemt het over.

ad e

Indien juist is dat de vacaturebank een reeds vervulde vacature bevatte betekent dat nog niet dat die vacaturebank om die reden niet voldoende bruikbaar was. Datzelfde geldt voor het gegeven dat daarin ook elders al gepubliceerde vacatures waren opgenomen. Die vacaturebank was kennelijk een, in het kader van de uitvoering van het Sociaal Plan noodzakelijk, instrument om zoveel mogelijk vacatures zo toegankelijk mogelijk voor de werknemers beschikbaar te hebben.

ad f

Deze kwalificatie van het werk van OWL is onvoldoende feitelijk en daarom niet bruikbaar.

5.20

Door FNV c.s. is ook nog aangevoerd dat teveel personen zijn ingeschakeld voor de werkzaamheden van de Stichting en dat [geïntimeerde] ook daarop onvoldoende toezicht heeft uitgeoefend met als gesteld gevolg, zo begrijpt het hof, dat de kosten van uitvoering van het Sociaal Plan nodeloos nog hoger werden. De pijlen van FNV c.s. richten zich in dit

verband op de inzet van [geïntimeerde] , de heer [J] , mevrouw [K] , mevrouw [L] (door FNV c.s. ten onrechte aangeduid als [L1] ) en Salaris Service Noord.

5.21

[geïntimeerde] heeft, onbetwist, verklaard dat zijn inzet als voorzitter altijd onbezoldigd is geweest. Mevrouw [K] was eveneens bestuurslid. Gesteld noch gebleken is dat zij wel bezoldigd werd. De inzet van [geïntimeerde] en [K] heeft dus geen kostenverhoging tot gevolg gehad.

5.22

De heer [J] was (bezoldigd) interim-directeur voor één dag per week. In eerste aanleg (conclusie van antwoord, randnummers 81 tot en met 83) is door [geïntimeerde] gedetailleerd beschreven welke taken en verantwoordelijkheden [J] had. De klacht in hoger beroep (memorie van grieven, randnummer 4) dat, ondanks herhaald verzoek, door [geïntimeerde] nooit is meegedeeld "waarom zo veel mensen nodig waren c.q. wie voor welke taken verantwoordelijk was" stuit hierop af. Tegenover de door [geïntimeerde] geschetste taken en verantwoordelijkheden van [J] is door FNV c.s. vervolgens (memorie van grieven, randnummer 15) in hoger beroep, in essentie, niet meer gesteld dan dat "in het geheel niet duidelijk wordt wat de diverse personen (b.v. [J] , [geïntimeerde] en [D] ) ieder voor zich dan wel naast elkaar voor Opmaat deden?". Die enkele vraag kan niet worden beschouwd als voldoende feitelijke onderbouwing van het, op dit punt kennelijk, gemaakte verwijt dat de inzet van [J] niet nodig was naast die van OWL. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is eveneens niet duidelijk waarom het zowel door [J] als [geïntimeerde] controleren van de declaraties van OWL als ernstig verwijtbaar overbodig moet worden aangemerkt. Waar de stichting (mede) tot taak had het Sociaal Plan naar behoren uit te voeren, wekt het voorts geen bevreemding dat de met die taak belaste interim-directeur (tot wie FNV c.s. zich zelf overigens frequent hebben gewend in verband met die uitvoering) regelmatig aanwezig was bij overleg van de Stichting en haar adviseur OWL met derden, zoals FNV.

5.23

Als overbodig ingezet persoon is door FNV c.s. in eerste aanleg (inleidende dagvaarding, randnummer 17) nog genoemd mevrouw M [L] . Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ontbreekt echter, buiten het hiervoor al besproken verband van het hoge aantal daguren op een aantal declaraties, iedere onderbouwing van die gestelde overbodige inzet.

5.24

Salaris Service Noord heeft (tegen betaling) in opdracht van de Stichting salarisspecificaties en wachtgeldstroken opgemaakt. Dat de werknemers van de stichting daarop recht hadden is niet in geschil. Waarom de inzet van het voor het opmaken daarvan kennelijk gespecialiseerde bedrijf Salaris Service Noord overbodig was is feitelijk niet onderbouwd.

5.25

Zoals uit de bespreking van de grieven 3, 5 en 7 blijkt dat het bewijs van de juistheid van de stellingen van FNV c.s. niet is geleverd. Voor toelating van FNV c.s. tot bewijslevering bestaat geen aanleiding omdat FNV c.s. volstaan hebben met een algemeen geformuleerd bewijsaanbod en een ter zake dienend en specifiek bewijsaanbod - dat in hoger beroep gevergd wordt en mag worden - ontbreekt.

5.26

Ook de grieven 3, 5 en 7 slagen niet.

Tussenconclusie

5.27

Uit de beoordeling van de tot nu toe besproken grieven 3, 4, 5, 6 en 7 volgt dat het gestelde ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [geïntimeerde] niet is komen vast te staan en de vorderingen van FNV c.s. dus in zoverre terecht zijn afgewezen.

Grieven 8, 9, 10 en 1

5.28

In het licht van het voorgaande mist grief 8 zelfstandige betekenis. Daarin wordt immers niet meer gedaan dan voorop stellen dat onderzocht moet worden of [geïntimeerde] persoonlijk ernstig verwijtbaar heeft gehandeld (welk criterium ook het hof heeft aangelegd) en bepleit dat alle omstandigheden van het geval maken dat aan dat criterium is voldaan. Die omstandigheden zijn echter geen andere omstandigheden dan die hiervoor zijn besproken en die de conclusie dat [geïntimeerde] persoonlijk ernstig verwijtbaar heeft gehandeld niet kunnen dragen.

5.29

Grief 9 richt zich tegen het vonnis waarvan beroep omdat dit niet oordeelt over de (specifiek) door FNV gevorderde (reputatie)schade. De grief slaagt niet omdat de rechtbank, gelijk het hof, niet tot aansprakelijkheid van [geïntimeerde] is gekomen en om die reden aan de vraag of ernstig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] ook aan FNV schade heeft berokkend terecht niet is toegekomen.

5.30

Grief 10 richt zich tegen de proceskostenveroordeling door de rechtbank. Die grief faalt omdat het vonnis zal worden bekrachtigd.

5.31

Grief 1, waarmee bedoeld is het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen, mist zelfstandige betekenis nu de bezwaren van FNV c.s. tegen het gewezen vonnis in de overige grieven zijn verwoord en door het hof besproken. Ook deze grief slaagt niet.

6 De slotsom

6.1.

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

6.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof FNV c.s. in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 314,-

- salaris advocaat € 1.788,- (2 punten x tarief II a € 894,-)

Totaal € 2.102,-

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 30 maart 2016;

veroordeelt FNV, [appellant2] en [appellant3] hoofdelijk, des dat de een betalende, de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 314,- voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.M. ter Berg, mr. B.J.H. Hofstee en mr. I.F. Clement en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 november 2017.