Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9985

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
200.188.700/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid gemeente voor te laat betaalde voorschotten op bijstandsuitkering. Berekening schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6059
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.188.700/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/135896/ HA ZA 14-300)

arrest van 14 november 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. K.A. Faber, kantoorhoudend te Heerenveen,

tegen

de gemeente Opsterland,

zetelend te Beetsterzwaag,

geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Gemeente,

advocaat: mr. D. van der Wal, kantoorhoudend te Drachten.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 11 april 2017 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Ingevolge het vermelde tussenarrest is een comparitie van partijen bepaald, welke op 28 juni 2017 is gehouden. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt dat aan de processtukken is toegevoegd. Op basis van het ten behoeve van de comparitie van partijen overgelegde procesdossier heeft het hof arrest bepaald.

1.2

[appellante] heeft in het principaal appel gevorderd het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling Privaatrecht, locatie Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 9 december 2015 te vernietigen, de Gemeente te veroordelen al hetgeen [appellante] ter uitvoering van dat vonnis aan de Gemeente heeft voldaan aan [appellante] terug te betalen en opnieuw rechtdoende alsnog de vorderingen van [appellante] in eerste aanleg toe te wijzen met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

1.3

In het incidenteel appel heeft de Gemeente gevorderd het vonnis van de rechtbank te vernietigen voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld en daarbij onder randnummer 5.1 en 5.2 van het vonnis is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding en het vonnis voor het overige te bekrachtigen met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

2 De feiten

2.1

De rechtbank heeft onder de randnummers 2.1 t/m 2.40 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld. [appellante] komt met grief I in het principaal appel tegen de vaststelling van enkele feiten op. Het hof zal met inachtneming van deze grief de feiten opnieuw vaststellen, zodat [appellante] bij de behandeling van deze grief verder geen belang meer heeft. Aangevuld met wat in hoger beroep is komen vast te staan, luiden de feiten als volgt.

2.2

Vanaf in ieder geval 1 september 2003 exploiteert [appellante] als eenmanszaak het bedrijf “ [B] ” dat handelt in Duitstalige cd’s en dvd’s en bemiddelt voor Duitstalige artiesten.

2.3

In juli 2009 heeft [appellante] wegens onvoldoende inkomsten uit haar bedrijf een aanvraag voor een uitkering op basis van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (hierna: Bbz) gedaan. Op het aanvraagformulier is als datum van ontvangst en datum van aanvraag 14 juli 2009 gemeld. De datum van ondertekening is 23 september 2009.

2.4

Voorafgaande aan de ondertekening van het aanvraagformulier heeft wethouder [C] van de Gemeente op 10 september 2009 een e-mail aan een van zijn medewerkers gestuurd:

Ik heb mevrouw vanmiddag gesproken en daarbij heeft ze de veroordeling – uithuiszetting 14 dagen na de uitspraak, en dat is vandaag reeds – laten zien. Verder vertelde zij dat op 3 juli jl. een aanvraag WWB/BBZ heeft ingeleverd. (...). Ik kreeg de indruk dat ze in de toekomst weer inkomensmogelijkheden. Dat zou ook bij SoZa bekend zijn. Tijdelijke hulp lijkt in ieder geval noodzakelijk.

2.5

Bij e-mail van 11 september 2009 van 09:33 uur is door [D] van de afdeling Sociale Zaken van de Gemeente als volgt gereageerd:

omdat mevrouw geen telefoon heeft, is haar al een brief gestuurd met de uitnodiging om hier op sociale zaken langs te komen. (...) Wat ik heb begrepen is dat zij eind volgende week pas een gesprek heeft bij het CWI. Pas daarna ontvangen wij de aanvraag voor een uitkering levensonderhoud.

2.6

[E] , senior consultant van de afdeling Sociale Zaken van de Gemeente, heeft bij e-mail van 11 september 2009 van 10:40 uur het UWV als volgt bericht:

“(...) [appellante] (...) heeft ongeveer drie weken geleden een uitkering aangevraagd bij het UWV Werkbedrijf en heeft nu voor a.s. donderdag 17 sept. een uitkeringsgesprek bij het UWV Werkbedrijf. Genoemde cl. zit in een lastige situatie. Ze dreigt nl. op korte termijn haar woning te worden uitgezet en heeft momenteel geen gelden. Cl. heeft zich vervoegd tot de gem. Opsterland en dit heeft er uiteindelijk toegeleid dat de kwestie nu bij de wethouder bekend is. Tussen wethouder [C] van Opsterland en [F] van Smallingerland is er inmiddels mailwisseling rondom de situatie van deze vrouw. Men wil een snelle oplossing voor deze cl.

Mijn vraag concreet aan je is of de afspraak met het UWV Werkbedrijf op 17 september kan worden vervroegd naar maandagmiddag of uiterlijk dinsdagmorgen. Indien dit mogelijk is en het dossier komt snel naar het gemeentehuis kunnen we haar als gemeente snel helpen, door bijvoorbeeld voorschot te verstrekken, etc. Zou je dit kunnen regelen dan kunnen we mevr. snel helpen. (...).

Het gesprek van [appellante] met het UWV Werkbedrijf is vervroegd naar 14 september 2009.

2.7

De Gemeente heeft aan [appellante] op 25 september 2009 een voorschot van € 750,- en op 9 oktober 2009 een voorschot van € 1.400,- op de Bbz-uitkering betaald.

2.8

Bij brief van 9 oktober 2009 heeft de Gemeente [appellante] als volgt bericht:

Op 14 juli 2009 vroeg u een uitkering aan op grond van de Wet werk bijstand (WWB) en het besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004) voor kosten levensonderhoud. Aan u is de toezegging gedaan dat er bijstand zal worden toegekend over de periode van 1 juli 2009 tot 1 oktober 2009. Vanaf oktober 2009 zou u over voldoende inkomsten beschikken om zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Tijdens een telefoongesprek op 9 oktober 2009 heeft u aangegeven, dat u langer een beroep op de Bbz-uitkering voor kosten levensonderhoud wilt doen. Wij hebben helaas niet voldoende gegevens om uw verzoek te behandelen. Wij vragen u daarom alsnog de volgende gegevens te verstrekken:

  • -

    een schriftelijk verzoek om verlenging van de Bbz-uitkering

  • -

    de verklaring waarom u langer een beroep op de Bbz-regeling wilt doen en u dient deze verklaring vergezeld te doen gaan van bewijsstukken als onderbouwing van uw verklaring.

Wij vragen u deze gegevens uiterlijk op maandag 19 oktober a.s. bij ons in te leveren. (...) Wij kunnen uw verzoek tot verlenging pas weer in behandeling nemen als u de gevraagde informatie hebt geleverd.

2.9

[appellante] heeft op 19 oktober 2009 een verzoek ingediend tot verlenging van de Bbz uitkering.

2.10

Bij brief van 2 november 2009 heeft de Gemeente [appellante] laten weten dat voor een zorgvuldige afhandeling van haar aanvraag voor een Bbz-uitkering van 14 juli 2009 meer tijd nodig is dan voorzien. Voorts wordt in de brief gemeld dat op uiterlijk 28 december 2009 een beslissing op haar aanvraag zal worden genomen.

2.11

De Gemeente heeft op zowel 20 november 2009 als 14 december 2009 aan [appellante] een voorschot van € 725,- op de Bbz-uitkering betaald.

2.12

Bij besluit van 15 december 2009 heeft het College van B&W van de Gemeente op de aanvrage van 14 juli 2009 beslist. De Gemeente heeft aan [appellante] een Bbz-uitkering toegekend voor de periode vanaf 1 juli 2009 tot maximaal 1 november 2009. Voorts is [appellante] bericht dat op haar verlengingsverzoek van 19 oktober 2009 zal worden beslist zodra een door de Gemeente gevraagd extern advies over de levensvatbaarheid van haar onderneming is ontvangen.

2.13

Op 6 januari 2010 is aan [appellante] een voorschot van € 725,- in het kader van de aanvraag voor een verlengde Bbz-uitkering betaald.

2.14

Bij e-mail van 3 februari 2010 heeft [G] , Bbz-consulente van de Gemeente, [appellante] geïnformeerd over een door de Gemeente ontvangen negatief extern advies over de levensvatbaarheid van haar onderneming, zodat de verlengingsaanvrage van de Bbz-uitkering van 19 oktober 2009 zal worden afgewezen. Vervolgens wordt [appellante] de volgende mogelijkheid voorgehouden:

Aan u kan wel een Bbz-uitkering voor beëindigende zelfstandigen toegekend worden wanneer u aangeeft dat u het bedrijf gaat beëindigen. Bekend is dat dit wegens gedane verplichtingen niet per direct kan. Wanneer u verklaart dat u het bedrijf gaat beëindigen en geen nieuwe verplichtingen meer aangaat, kan ik aan u een voorschot betaalbaar stellen.

2.15

Bij e-mail van 5 februari 2010 heeft [appellante] hierop geantwoord dat zij onder protest haar bedrijf zal beëindigen, waarna de Gemeente Opsterland op die dag aan [appellante] een voorschot van € 725,- heeft betaald.

2.16

Het College van B&W heeft bij besluit van 11 februari 2010 het verzoek tot verlenging van de Bbz uitkering van 19 oktober 2009 afgewezen met als reden dat haar onderneming niet levensvatbaar is.

2.17

Op 17 februari 2010 heeft [appellante] opnieuw een Bbz uitkering aangevraagd dat door het College van B&W is toegekend bij besluit van 22 februari 2010 voor de periode vanaf 1 november 2009 tot maximaal 1 november 2010 onder de voorwaarde dat [appellante] haar bedrijfsmatige activiteiten zo spoedig mogelijk beëindigt en geen nieuwe boekingen en aanvragen honoreert.

2.18

Op 28 oktober 2010 heeft [appellante] de Gemeente verzocht haar Bbz uitkering, zoals toegekend bij besluit van 22 februari 2010, te verlengen. Bij besluit van 28 december 2010 heeft het College van B&W dat verlengingsverzoek afgewezen met als reden:

Op basis van de door u ingeleverde gegevens zijn wij van mening, dat er geen sprake is van verplichtingen, die een verlenging van de Bbz-uitkering na 1 november 2010 noodzakelijk maken. In de beschikking van 22 februari 2010 is aan u de voorwaarde opgelegd om uw bedrijfsmatige activiteiten zo spoedig mogelijk te beëindigen en geen nieuwe aanvragen en boekingen te honoreren. Tevens dient u uw promotieactiviteiten per direct te beëindigen. Wij zijn van mening dat uit de door u ingeleverde gegevens blijkt dat hieraan voor 1 november 2010 uitvoering gegeven kon worden.

2.19

Een week voorafgaande aan het besluit van 28 december 2010 heeft [appellante] op 21 december 2010 opnieuw een Bbz-uitkering aangevraagd. In het kader van deze aanvrage is op 12 januari 2011 aan [appellante] een voorschot van € 785,- betaald. Een verzoek tot verdere voorschotten is bij brief van 14 februari 2011 geweigerd en als volgt toegelicht:

Op grond van artikel 52 WBB kunt u in aanmerking komen voor een voorschot indien u aan de in artikel 52 gestelde voorwaarden voldoet. (...) Inmiddels is gebleken dat u voor de maanden november en december 2010 niet voor een Bbz-uitkering in aanmerking komt. Wij hebben u hierover in de beschikking van 28 december 2010 bericht. Dit betekent dat, indien u in aanmerking zou kunnen komen voor een voorschot, dit voorschot per direct verrekend/teruggevorderd zou worden. Dit heeft ons doen besluiten dat het niet tot uitbetaling van een voorschot komt.

Bij besluit van 15 februari 2011 heeft het College van B&W de Gemeente de aanvraag op grond van artikel 4:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld.

2.20

[appellante] heeft op 17 februari 2011 een aanvrage voor een WWB-uitkering ingediend. Bij besluit van 21 maart 2011 heeft het College van B&W van de Gemeente de WWB uitkering toegekend, ingaande 1 november 2010 en daaraan de verplichting verbonden om ieder kwartaal een deugdelijke boekhouding van haar onderneming in te leveren.

2.21

Voorts is aan [appellante] op 28 maart 2011 een voorschot van € 1.000,- betaald.

2.22

Bij brief van 15 april 2011 heeft de advocaat van [appellante] de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de niet (volledige) uitbetaling van de WWB-uitkering en het niet uitbetalen van voorschotten ten bedrage van 90% van de uitkering.

De Gemeente heeft bij brief van 29 april 2011 de aansprakelijkstelling afgewezen. Volgens de Gemeente heeft [appellante] herhaaldelijk te weinig bewijsstukken overgelegd waardoor de Gemeente de aanvraag buiten behandeling had te stellen. Voorts heeft nog geen uitkering op basis van het besluit van 21 maart 2011 plaatsgevonden omdat [appellante] nog niet aan de in dat besluit gestelde voorwaarden heeft voldaan. Ter toelichting merkt de Gemeente nog op:

Deze voorwaarden vloeien voort uit het feit dat mevrouw meerdere keren, waaronder vanochtend nog, telefonisch aan haar consulent heeft aangegeven dat zij doorgaat met haar bedrijf. Dit wordt bevestigd door indiening van kopieën van de aangifte omzetbelasting vierde kwartaal 2010 en eerste kwartaal 2011 waarvan mevrouw [appellante] op 26 april jl. kopieën aan haar consulent heeft gemaild. Op de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2010 meldt mevrouw [appellante] dat zij een omzet heeft gehaald van in totaal € 37.810,-. Van de daarvoor gemaakte kosten is een bedrag van € 2.017,- aan voorbelasting in mindering gebracht.

Hoewel mevrouw [appellante] de specificaties van alle inkomsten en uitgaven over de periode van 1 november 2010 tot 1 februari 2011 nog niet volledig heeft ingeleverd, lijkt er op basis van de aangifte omzetbelasting vierde kwartaal 2010 geen recht te bestaan op een uitkering WWB maar dat kan pas worden vastgesteld als zij ons de complete boekhouding heeft doen toekomen. Wellicht ten overvloede geven wij u aan dat er in onze ogen geen sprake is van onrechtmatig handelen nog van aansprakelijkheid voor de door mevrouw [appellante] geleden schade. Wij zullen dan ook niet overgaan tot vergoeding in deze”.

2.23

[appellante] heeft de Gemeente op 28 februari 2013 in kort geding gedagvaard en gevorderd dat de Gemeente bij wijze van voorschot op de door haar berekende schade van € 163.534,84 met rente en kosten aan haar een bedrag van € 25.000,- betaalt. Bij vonnis van 17 april 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, afdeling privaatrecht de vordering van [appellante] afgewezen.

2.24

[appellante] heeft verschillende bestuursrechtelijke procedures tegen de Gemeente gevoerd wegens het niet tijdig beslissen op Bbz- en WWB-aanvragen. Zo is [appellante] ook opgekomen tegen het besluit van 29 april 2011, waarin de Gemeente de aansprakelijkheidstelling afwees. Deze bestuursrechtelijke procedures hebben uiteindelijk geleid tot de uitspraak van 18 juni 2013 van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB), gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:2013:CA3515. In deze uitspraak heeft de CRvB onder meer overwogen dat [appellante] zich voor vergoeding van schade, die verband houdt met niet tijdig verleende voorschotten, door de CRvB omschreven als ‘voorschotschade’, dient te wenden tot de civiele rechter. Voorts heeft de CRvB overwogen:

4.12 Appellante heeft aangevoerd dat zij door het onrechtmatig handelen van het college materiële schade heeft geleden in de vorm van renteschade, schulden en incassokosten die zij heeft moeten maken door het ontbreken van inkomen, gederfde inkomsten wegens het niet kunnen voortzetten van haar bedrijf en advocaatkosten.

4.13

In artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij aansluiting dient te worden gezocht, is bepaald dat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest.

(...)

4.15 (...)

De door appellante opgevoerde materiële kosten hebben zonder uitzondering betrekking op vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Dit brengt mee dat, naast de toe te kennen wettelijke rente, in dit geval voor zelfstandige vergoeding van deze kosten geen plaats is.

De CRVB heeft vervolgens geoordeeld dat de Gemeente niet tijdig op de Bbz aanvrage van 14 juli 2009 heeft beslist, zodat de Gemeente de rente over de te laat betaalde uitkering vanaf 1 november 2009 heeft te vergoeden. Voorts is de Gemeente in de proceskosten veroordeeld.

3 De vorderingen en beoordeling in eerste aanleg

3.1

[appellante] heeft gevorderd een verklaring voor recht dat de Gemeente jegens [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld, omdat de Gemeente in 2009 en/of in 2010 en/of in 2011 geen en/of niet tijdig en/of te lage voorschotten aan [appellante] heeft betaald en veroordeling van de Gemeente tot betaling van een schadevergoeding aan [appellante] op te maken bij staat met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

3.2

Na de acht door de Gemeente in de periode vanaf 25 september 2009 tot en met 28 maart 2011 feitelijk betaalde voorschotten te hebben weergegeven, heeft de rechtbank geoordeeld dat de betaalde voorschotten op 25 september 2009, 9 oktober 2009, 20 november 2009 en 14 december 2009 te laat zijn betaald. De stellingen van [appellante] dat de Gemeente te lage voorschotten en ten onrechte in bepaalde periodes geen voorschotten heeft betaald, worden door de rechtbank verworpen. De schade die [appellante] door het handelen van de Gemeente heeft geleden, wordt volgens de rechtbank vergoed door de wettelijke rente, zodat een verwijzing naar de schadestaatprocedure niet nodig is en de schade meteen kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft vervolgens voor recht verklaard dat de Gemeente onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld door in strijd met artikel 52 lid 1 WWB de voorschotten 1 t/m 4 te laat aan [appellante] te betalen en heeft de Gemeente veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de vier te laat betaalde voorschotten vanaf de datum waarop de betreffende voorschotten hadden moeten worden betaald tot de datum waarop de betreffende voorschotten daadwerkelijk zijn betaald. Voorts heeft de rechtbank [appellante] veroordeeld in de proceskosten.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1

[appellante] heeft in het principaal appel acht grieven ontwikkeld, waarbij [appellante] bij de nummering twee grieven IV en V heeft genummerd. Het hof zal de grieven doornummeren en bij de grieven die door [appellante] voor de tweede maal IV en V zijn genummerd dat getal tussen haken plaatsen. In het incidenteel appel heeft de Gemeente één grief opgeworpen.

4.2

In geschil is de vraag of, en zo ja wanneer en met welk bedrag, de Gemeente gehouden was aan [appellante] een voorschot op de aangevraagde bijstandsuitkering te betalen. Voor de beantwoording van deze vraag stelt het hof het navolgende voorop.

Zolang het recht op algemene bijstand niet is vastgesteld, verleent het College van B&W ingevolge artikel 52 lid 1 WWB (sedert 1 januari 2015 geheten de Participatiewet) uiterlijk binnen vier weken na de datum van aanvraag en vervolgens telkens uiterlijk na vier weken, bij wijze van voorschot algemene bijstand in de vorm van een renteloze geldlening.

Op [appellante] rust de stelplicht en de bewijslast dat een aanvraag voor bijstand is ingediend.

Op het recht op een voorschot algemene bijstand zijn in artikel 52 lid 1 WWB twee uitzonderingen opgenomen, te weten:

  • -

    de belanghebbende de voor de vaststelling van het recht op algemene bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent;

  • -

    bij de aanvraag duidelijk is dat geen recht op algemene bijstand bestaat.

De stelplicht en de bewijslast voor deze uitzonderingen rust op de Gemeente.

De hoogte van het voorschot bedraagt op grond van artikel 52 lid 2 WWB in ieder geval 90% van de hoogte van de algemene bijstand als bedoeld in artikel 19 lid 2 WWB. Ingevolge artikel 19 lid 2 WWB is de hoogte van de bijstand het verschil tussen de bijstandsnorm en het inkomen.

4.3

Uit artikel 8:5 lid 1 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) jo de bij de Awb behorende bijlage onderdeel F, sub 2 volgt dat bij de bestuursrechter geen beroep mogelijk is tegen niet of niet tijdig op grond van artikel 52 WWB verschuldigde voorschotbedragen. Dit betekent dat [appellante] ontvankelijk is in haar vordering tot vergoeding van schade ten gevolge van het niet of niet tijdig betalen van voorschotten.

4.4

In randnummer 4.3. van het bestreden vonnis heeft de rechtbank een overzicht gegeven van de acht voorschotbedragen die de Gemeente in de periode van 25 september 2009 t/m 28 maart 2011 aan [appellante] heeft betaald. De daartegen gerichte grief II in het principaal appel faalt. In dat overzicht heeft de rechtbank niet weergegeven op welke data en met welke bedragen de Gemeente een voorschot aan [appellante] had te betalen, maar slechts feitelijk weergegeven op welke data en met welke bedragen de Gemeente een voorschot heeft betaald. Dit overzicht volgt uit de vastgestelde feiten en ter zitting heeft [appellante] ook erkend dat deze weergave op zichzelf juist is.

4.5

Met grief I in het incidenteel appel komt de Gemeente op tegen de beslissing van de rechtbank dat de datum waarop de eerste aanvraag voor een Bbz-uitkering is gedaan 14 juli 2009 is. Volgens de Gemeente heeft te gelden 23 september 2009, zijnde de datum waarop [appellante] het aanvraagformulier heeft ondertekend en het ondertekende aanvraagformulier bij de Gemeente heeft ingeleverd.

Het hof stelt vast dat op het aanvraagformulier als datum van ontvangst 14 juli 2009 staat. Voorts noemt de Gemeente in de brief van 9 oktober 2009 aan [appellante] 14 juli 2009 als de datum waarop [appellante] de Bbz-uitkering heeft aangevraagd. In het besluit van het College van B&W op de aanvraag wordt de datum 14 juli 2009 vermeld. De CRvB heeft op een daartoe strekkend verweer van de Gemeente in de uitspraak van 18 juni 2013 expliciet beslist dat als datum van indiening 14 juli 2009 heeft te gelden. Dit alles leidt ertoe dat naar het oordeel van het hof de datum van 14 juli 2009 heeft te gelden als de datum waarop [appellante] de Bbz-uitkering heeft ingediend. De datum waarop [appellante] het aanvraagformulier heeft ondertekend doet daaraan niet af. Grief I in het incidenteel appel faalt.

4.6

[appellante] bestrijdt met de grieven III en V in het principaal appel het oordeel van de rechtbank dat de Gemeente behoudens de eerste 4 voorschotten de overige voorschotten tijdig heeft betaald.

[appellante] heeft op 14 juli 2009 een aanvraag voor een Bbz-uitkering ingediend. Eerst op 15 december 2009 heeft het College van B&W van de Gemeente op die aanvraag beslist. Op grond van artikel 52 lid 1 WWB heeft de Gemeente binnen 4 weken na 14 juli 2009 en vervolgens telkens uiterlijk na vier weken tot 15 december 2009 bij wijze van voorschot algemene bijstand in de vorm van een renteloze geldlening te verstrekken. Dit betekent dat het College van B&W in beginsel op uiterlijk 11 augustus 2009, 8 september 2009,

6 oktober 2009, 3 november 2009 en 1 december 2009 (derhalve vijf maal) een voorschot had te betalen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de Gemeente op 25 september 2009, 12 oktober 2009, 20 november 2009 en 14 december 2009 (derhalve vier maal) een voorschot heeft betaald.

Op de stelling van de Gemeente dat [appellante] niet tijdig en onvolledige informatie verstrekte voor het vaststellen van een voorschot heeft [appellante] aangevoerd dat de informatie die de Gemeente haar naderhand vroeg niet uit het aanvraagformulier bleek en overigens niet voor haar duidelijk was. Op dit verweer heeft de Gemeente geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [appellante] voor de door haar gestelde niet tijdige en onvolledige informatie een verwijt kan worden gemaakt.

Hieruit volgt dat de uitzondering in artikel 52 WWB niet van toepassing is, zodat de Gemeente in de periode vanaf 14 juli 2009 tot 15 december 2009 steeds te laat een voorschot heeft betaald en één voorschot te weinig heeft uitbetaald.

Op 19 oktober 2009 heeft [appellante] een aanvraag voor verlenging van de Bbz-uitkering ingediend, waarop het College van B&W op 11 februari 2010 afwijzend heeft beslist.

Op grond van artikel 52 lid 1 WWB had de Gemeente in beginsel op uiterlijk

16 november 2009, 14 december 2009, 11 januari 2010 en 8 februari 2010 (derhalve vier maal) een voorschot te betalen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de Gemeente op 6 januari 2010 en 5 februari 2010 (derhalve twee maal) een voorschot heeft betaald.

Ook in dit geval heeft de Gemeente geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [appellante] voor de door de Gemeente gestelde niet tijdige en onvolledige informatie een verwijt kan worden gemaakt. Voorts heeft de Gemeente in het kader van deze aanvraag een extern advies over de levensvatbaarheid van de onderneming van [appellante] ingewonnen waarover [appellante] bij e-mail van 3 februari 2010 is bericht. Op basis van dat advies is de aanvraag van 19 oktober 2009 bij besluit van 11 februari 2010 afgewezen.

Hieruit volgt dat gelet op de uitzondering van artikel 52 lid 1 WWB dat geen voorschot behoeft te worden betaald als duidelijk is dat geen recht op bijstand bestaat de Gemeente de laatste termijn voor een voorschot op 8 februari 2010 niet behoefde te betalen omdat voor de Gemeente toen duidelijk was dat de aanvraag zou worden afgewezen. Dit betekent dat de Gemeente in de periode vanaf 19 oktober 2009 tot 11 februari 2010 een voorschot te weinig heeft betaald en de twee betaalde voorschotten te laat zijn betaald.

Op 17 februari 2010 heeft [appellante] een aanvraag voor een Bbz-uitkering in het kader van de beëindiging van haar bedrijf ingediend dat bij besluit van het College van B&W van

22 februari 2010 is toegekend. Nu de beslissing binnen de vier weken termijn na de aanvraag is gegeven, behoefde de Gemeente in de periode vanaf 17 februari 2010 tot 22 februari 2010 aan [appellante] geen voorschot te betalen.

[appellante] heeft op 28 oktober 2010 een aanvraag ingediend voor verlenging van de Bbz-uitkering in het kader van de beëindiging van haar bedrijf. Het College van B&W van de Gemeente heeft deze aanvraag bij beslissing van 28 december 2010 afgewezen.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de periode vanaf 28 oktober 2010 tot 28 december 2010 geen voorschot is betaald. De Gemeente heeft gesteld dat zij daartoe ook niet gehouden was omdat de aan [appellante] gegeven termijn voor 1 november 2010 haar bedrijf te beëindigen toereikend was, zodat voor de Gemeente duidelijk was dat de aanvraag zou worden afgewezen. Op dit verweer heeft [appellante] geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat die termijn niet toereikend was. Dit betekent dat de Gemeente in de periode van 28 oktober 2010 tot 28 december 2010 op grond van

artikel 52 lid 1 WWB niet gehouden was voorschotten te verstrekken.

Op 21 december 2010 heeft [appellante] een Bbz-uitkering aangevraagd, die door het College van B&W bij beslissing van 15 februari 2011 wegens het verstrekken van onvoldoende gegevens buiten behandeling is gesteld.

In die periode had de Gemeente op grond van artikel 52 lid 1 WWB uiterlijk op

18 januari 2011 een voorschot te betalen. De Gemeente heeft daarvoor op 12 januari 2011 een voorschot betaald, zodat de Gemeente in deze periode van 21 december 2010 tot

15 februari 2011 artikel 52 lid 1 WWB niet heeft geschonden.

[appellante] heeft op 17 februari 2011 een WWB-uitkering aangevraagd dat bij besluit van het College van B&W van 21 maart 2011 met terugwerkende kracht vanaf 1 november 2010 is toegekend.

Op grond van artikel 52 lid 1 WWB had [appellante] uiterlijk op 17 maart 2011 een voorschot te ontvangen. In de periode vanaf 17 februari 2011 tot 21 maart 2011 heeft de Gemeente evenwel geen voorschot betaald. Het voorschot is eerst op 28 maart 2011 voldaan, zodat de Gemeente dat voorschot te laat heeft betaald.

De rechtbank heeft slechts geoordeeld dat de eerste vier voorschotbedragen te laat zijn betaald, zodat in zoverre de daartegen gerichte grieven III en V in het principaal appel slagen.

4.7

Met grief IV in het principaal appel komt [appellante] op tegen de hoogte van de uitbetaalde voorschotbedragen.

4.8

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 52 lid 2 WWB het voorschot 90% bedraagt van het verschil tussen de bijstandsnorm en het inkomen dat door de bijstandsgerechtigde in die periode nog wordt ontvangen. Hieruit volgt dat [appellante] er (ook) in appel ten onrechte vanuit gaat dat de Gemeente bij de hoogte van het voorschotbedrag geen rekening mag houden met het inkomen dat [appellante] (naar verwachting) in de periode waarin de voorschotbedragen worden toegekend uit haar bedrijf ontvangt.

In 2009 en 2010 exploiteerde [appellante] haar onderneming waaruit zij enige inkomsten had. Zo heeft [appellante] in het aanvraagformulier van 14 juli 2009 aangegeven te verwachten in oktober 2009 weer € 1.400,- aan inkomsten uit onderneming te ontvangen en blijkt uit de belastingaangifte over 2010 dat [appellante] in dat jaar een winst van € 10.691,- heeft behaald. Alsdan is het aan [appellante] te stellen en te onderbouwen dat zij - in de periode waarin zij aanspraak had op voorschotten op de bijstandsuitkering - minder inkomsten uit onderneming mocht verwachten of had dan waarvan de Gemeente kennelijk op basis van schatting is uitgegaan. Die feiten en omstandigheden zijn door [appellante] niet gesteld en onderbouwd, zodat niet is komen vast te staan dat de Gemeente te lage voorschotbedragen heeft toegekend, zodat grief IV in het principaal appel faalt.

4.9

[appellante] komt met grief VI (IV) in het principaal appel op tegen het oordeel van de rechtbank dat de Gemeente artikel 52 WWB heeft geschonden en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. [appellante] voert aan dat de Gemeente (ook) de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel) en een toezegging heeft geschonden en daardoor onrechtmatig heeft gehandeld. Voorts heeft de Gemeente volgens [appellante] artikel 8 EVRM geschonden door niet tijdig en te lage voorschotten te verstrekken waardoor appellante niet in haar levensbehoefte kon voorzien en haar vaste lasten kon betalen.

4.10

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de Gemeente met de te late en het ten onrechte niet betalen van voorschotten, zoals hiervoor vastgesteld, in strijd met een wettelijk voorschrift (artikel 52 lid 1 WWB) heeft gehandeld en daarmee jegens [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld. De Gemeente heeft in beginsel de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden.

4.11

Uit hetgeen [appellante] heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat ten aanzien van de voorschotten, waarvan het hof hiervoor heeft vastgesteld dat zij te laat of ten onrechte niet zijn betaald, de Gemeente of een van haar organen zodanige (niet nagekomen) toezeggingen heeft gedaan dat de Gemeente daarmee onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld. Evenmin heeft [appellante] de door haar gestelde strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur behoorlijk onderbouwd. Ook ontbreekt een behoorlijke toelichting waarom het wettelijke stelsel van bijstandsverlening en de daaraan door de Gemeente gegeven toepassing, waarbij slechts enkele voorschotbedragen niet en een aantal voorschotbedragen te laat zijn betaald, mede in het licht van de inkomsten die [appellante] uit haar onderneming had, althans zou kunnen hebben, een schending van artikel 8 EVRM opleveren. Tot slot heeft [appellante] nagelaten toe te lichten welk belang zij bij deze andere grondslagen heeft nu de grondslag in strijd handelen met een wettelijk voorschrift voor onrechtmatig handelen toereikend is. Grief VI (IV) in het principaal appel faalt.

4.12

Met grief VII (V) in het principaal appel bestrijdt [appellante] het oordeel van de rechtbank dat de te vergoeden schade wegens te late en te weinig betaalde voorschotten is beperkt tot de wettelijke rente. [appellante] stelt dat de schade die zij heeft geleden bestaat uit

incassokosten, aanmaningskosten, advocaatkosten, extra kosten/mislopen vergoedingen, ontstane schulden, wettelijke rente en immateriële schade. Deze schade is door [appellante] in de memorie van grieven begroot op een bedrag van € 432.313,35.

4.13

Door de voorschotbedragen niet op de bij de wet bepaalde tijdstippen te betalen heeft de Gemeente in ieder geval te vergoeden de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat het voorschot had moeten worden betaald tot de datum waarop de Gemeente hetzij het voorschot feitelijk heeft betaald hetzij de beslissing op de aanvraag voor een bijstandsuitkering had moeten worden gegeven. [appellante] heeft in het kader van de bestuursrechtelijke procedure de schade gevorderd ten aanzien van te laat genomen besluiten op haar aanvraag en daarop een rechterlijke beslissing gekregen, zodat de rentederving na de datum waarop de Gemeente op de aanvraag had moeten beslissen geen schade is die voor vergoeding in het kader van de voorschotten in aanmerking komt.

4.14

De rechtbank heeft de vordering van [appellante] in eerste aanleg, welke vordering in hoger beroep is gehandhaafd, aldus uitgelegd dat [appellante] een verwijzing naar de schadestaatprocedure vordert. De rechtbank heeft vervolgens de schade voldoende bepaalbaar geacht en daarop een beslissing gegeven. Voorts heeft de vordering van [appellante] betrekking op feiten en omstandigheden die in de periode vanaf 14 juli 2009 tot en met

maart 2011 hebben plaatsvonden. Onder deze omstandigheden mocht naar het oordeel van het hof van [appellante] worden verwacht dat zij concreet voor elke periode, waarin de voorschotten volgens haar te weinig zijn uitgekeerd of te lage bedragen zijn betaald, zou aangeven welke schade zij in die periode heeft geleden en, mede gelet op de betwisting door de Gemeente, dat die schade het gevolg is van die te laat of te weinig betaalde voorschotten. [appellante] heeft die concrete feiten en omstandigheden niet gesteld. [appellante] heeft volstaan met een groot aantal schadeposten zonder het causaal verband met de aan de Gemeente verweten gedraging aan te geven. Zo is denkbaar dat die schade het gevolg is van de forse schuld die [appellante] reeds bij aanvang van de bijstandsaanvraag had of van risico’s die zij in haar onderneming heeft gelopen en die zich mogelijk hebben gerealiseerd of van een uitgavenpatroon dat hoger was dan het niveau van de bijstand.

Voor de (eerst) ter zitting door [appellante] bepleite omkering van de bewijslast is geen plaats, terwijl onder deze omstandigheden geen aanleiding bestaat een deskundige te benoemen, zoals door [appellante] is betoogd.

De vordering wegens immateriële schade stuit hierop ook af.

4.15

Daarnaast heeft te gelden dat [appellante] de Gemeente verwijt dat zij een geldsom, de wettelijk verschuldigde voorschotbedragen, niet tijdig heeft voldaan. De schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom is in artikel 6:119 BW gefixeerd op de wettelijke rente. Dit heeft niet alleen tot gevolg dat niet bewezen behoeft te worden dat enige schade door de vertraagde betaling is geleden maar ook dat geen hogere vergoeding kan worden gevorderd indien de schade meer dan het fixum van de wettelijke rente zou belopen (ECLI:NL:HR:2005:AR0220). De gevorderde schade boven de wettelijke rente stuiten daarmee ook op deze grond af.

4.16

Het voorgaande heeft tot gevolg dat de Gemeente (alleen) de wettelijke rente heeft te vergoeden. Het hof berekent die schade als volgt.

De CRvB heeft in de uitspraak van 18 juni 2013 overwogen dat het College van B&W uiterlijk op 13 oktober 2009 op de bijstandsaanvrage van 14 juli 2009 had moeten beslissen. De CRvB heeft vervolgens de renteschade vergoedt vanaf 1 november 2009. Hierdoor behoeft slechts de rente over de voorschotbedragen te worden vergoed die voor 1 november 2009 verschuldigd waren en behoeft de wettelijke rente tot 1 november 2009 te worden betaald. Dit betekent dat de Gemeente heeft te vergoeden de wettelijke rente over:

  • -

    € 750,- vanaf 11 augustus 2009 tot 25 september 2009;

  • -

    € 1.400,- vanaf 8 september 2009 tot 12 oktober 2009;

  • -

    € 725,- vanaf 6 oktober 2009 tot 1 november 2009.

De Gemeente heeft de aanvrage van [appellante] van 19 oktober 2009 bij besluit van 11 februari 2010 afgewezen. Hiervoor heeft het hof overwogen dat de Gemeente in die periode drie termijnen voorschotbedragen had te betalen. Bij brief van 3 februari 2010 is [appellante] over de voorgenomen afwijzing geïnformeerd, zodat vanaf dat moment ook geen voorschotbedrag meer verschuldigd was. Dit leidt ertoe dat de Gemeente heeft te vergoeden de wettelijke rente over:

  • -

    € 725,- vanaf 16 november 2009 tot 6 januari 2010;

  • -

    € 725,- vanaf 14 december 2009 tot 3 februari 2010;

  • -

    € 725,- vanaf 11 januari 2010 tot 3 februari 2010.

Op de aanvrage voor een WWB uitkering van 17 februari 2011 heeft de Gemeente op 21 maart 2011 beslist. Hiervoor is overwogen dat de Gemeente in die periode geen voorschot heeft betaald, terwijl zij dat op grond van artikel 52 lid 1 WWB uiterlijk 17 maart 2011 had te doen. Het hof zal de wettelijke rente toewijzen over het op 28 maart 2011 betaalde voorschot van € 1.000,- vanaf 17 maart 2011 tot 21 maart 2011.

4.17

Grief VIII (VI) in het principaal appel is een veeggrief die geen zelfstandige betekenis heeft, zodat [appellante] bij behandeling van die grief geen belang heeft.

4.18

Nu het hof de schade voor [appellante] vaststelt, is niet gesteld of gebleken welk belang [appellante] nog bij de vordering voor recht heeft. Het hof zal dit deel van de vordering afwijzen.

5 Slotsom

5.1

De grieven III en V in het principaal appel slagen in zoverre dat de Gemeente jegens [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld door een aantal voorschotbedragen niet tijdig, althans niet te betalen, zodat de Gemeente de door [appellante] daardoor geleden schade heeft te vergoeden. De grieven tegen de schadeposten faalt. Aan [appellante] komt vergoeding van de wettelijke rente toe als hieronder is bepaald. Nu beide partijen in het ongelijk zijn gesteld zal het hof de proceskosten in het principaal appel compenseren in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

5.2

De grief in het incidenteel appel faalt. De Gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, waarbij het salaris van de advocaat wordt gesteld op 2 punten (de helft van tarief II).

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van 9 december 2015 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden,

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de Gemeente tot betaling aan [appellante] van de wettelijke rente over

  • -

    € 750,- vanaf 11 augustus 2009 tot 25 september 2009;

  • -

    € 1.400,- vanaf 8 september 2009 tot 12 oktober 2009;

  • -

    € 725,- vanaf 6 oktober 2009 tot 1 november 2009;

  • -

    € 725,- vanaf 16 november 2009 tot 6 januari 2010;

  • -

    € 725,- vanaf 14 december 2009 tot 3 februari 2010;

  • -

    € 725,- vanaf 11 januari 2010 tot 3 februari 2010.

  • -

    € 1.000,- vanaf 17 maart 2011 tot 21 maart 2011.

compenseert de proceskosten in het principaal appel in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

veroordeelt de Gemeente in de proceskosten van het incidenteel appel, welke worden begroot op een bedrag van € 894,- aan salaris van de advocaat;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. D.H. de Witte, mr. O.E. Mulder en mr. W.A. Zondag en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 14 november 2017.