Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:986

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
WAHV 200.167.741
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Radarbundel. Meethoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.167.741

9 februari 2017

CJIB 163414872

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Limburg

van 12 februari 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],

kantoorhoudende te [kantoorplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 100,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 13 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 20 juni 2012 om 19.31 uur op de Urmonderbaan te Geleen met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De gemachtigde voert aan dat het voertuig van de betrokkene de radarbundel niet rechts is gepasseerd. Uit de foto van de gedraging blijkt dat het voertuig van de betrokkene van de linker rijbaan teruggaat naar de rechter rijbaan. Dit betekent dat er een kleinere dan normale meethoek is geweest en daarmee een te hoge snelheid, aldus in het nadeel van de betrokkene, is vastgesteld. Ter onderbouwing hiervan verwijst de gemachtigde naar een afschrift van de leerstof 'Waarnemer Radarsnelheidscontroles' zoals door hem eerder in de procedure overgelegd. Voorts voert de gemachtigde aan dat de behandeling van het beroep bij de kantonrechter met meer dan twee jaar te lang heeft geduurd.

3. De door de gemachtigde in de loop van de procedure aangehaalde paragraaf 3.2 uit de Leerstof Waarnemer Radarsnelheidscontroles houdt het volgende in:

“Als een weggebruiker gaat inhalen en het voertuig wordt gemeten op het moment dat het van de rechter naar linker rijstrook rijdt dan zal de meethoek niet meer de voorgeschreven hoek vormen. Hier is het afhankelijk of men links of rechts van de weg staat te meten. Als de radaropstelling rechts van de rijbaan is, dan zal een inhaler (zowel tegemoetkomend als afgaand) te hoog worden gemeten omdat de hoek kleiner is dan voorgeschreven.

Als de radar aan de linkerkant van de rijbaan staat opgesteld, dan zal een inhaler (zowel tegemoetkomend als afgaand) een te lage snelheid worden toegekend, omdat dan de hoek groter is dan voorgeschreven. Gaat de weggebruiker na het inhalen weer terug van de linker- naar de rechterrijstrook dan is de uitkomst uiteraard andersom. Rechts van de weg: voordeel en links van de weg: nadeel voor de weggebruiker.”

4. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

5. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 96 km per uur.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 93 km per uur.

Toegestane snelheid: 80 km per uur.

Overschrijding met: 13 km per uur.”

6. In het dossier bevindt zich een afschrift van de foto van de gedraging. Daarop is de achterzijde van een voertuig zichtbaar, met het kenteken [kenteken]. Verder is te zien dat het voertuig bijna geheel op de linker rijstrook rijdt, maar dat de rechterwielen zich op de rechter rijstrook bevinden. De gegevens in de databalk op de foto stemmen overeen met de hiervoor genoemde gedragingsgegevens.

7. De gemachtigde heeft reeds in de procedure bij de officier van justitie aangevoerd dat de betrokkene de radarbundel niet recht is gepasseerd, waardoor - als gevolg van een kleinere meethoek - de snelheid niet correct is gemeten. Gelet hierop acht het hof de verklaring van de verbalisant, zoals weergegeven in het zaakoverzicht, onvoldoende om tot de vaststelling te komen dat de gedraging is verricht. Het hof mist een aanvullend proces-verbaal van de verbalisant met betrekking tot de plaatsing van de radaropstelling. Het hof ziet, in aanmerking genomen het tijdsverloop na de pleegdatum en het feit dat de advocaat-generaal in de gelegenheid is geweest om bij verweerschrift deze informatie in te brengen, geen aanleiding om thans nog de advocaat-generaal te verzoeken om een zodanig aanvullend proces-verbaal in het geding te brengen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen. Gelet hierop hoeft het overige bezwaar geen bespreking meer.

16. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift bij de officier van justitie, het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraag € 490,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 735,- (= 3 x € 490,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 27 november 2012, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 163414872 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 735,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.