Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9839

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
200.224.148/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten jeugdhulp. Minderjarige en ouders krijgen een allerlaatste kans.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.224.148/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/444275 / JL RK 17-536)

beschikking van 9 november 2017

inzake

[verzoekster] ,

verblijvende in het behandelcentrum van [A] te [B] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. J.M.M. Pater te Emmeloord,

en

de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Almere,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de ouders] ,

wonende te [C] ,

verder te noemen: de ouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 22 augustus 2017 en 21 september 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 28 september 2017;

- het verweerschrift van de GI met productie(s);

- twee faxberichten van de rechtbank Midden-Nederland van 10 oktober 2017 met productie(s);

- een brief van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) van 11 oktober 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Pater van 13 oktober 2017 met productie(s);

- een faxbericht van de rechtbank Midden-Nederland van 17 oktober 2017 met productie(s).

2.2

Bij beschikking van 10 oktober 2017 heeft dit hof last gegeven aan de Raad voor Rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch om mr. Pater aan [verzoekster] toe te voegen als advocaat.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 25 oktober 2017 plaatsgevonden. [verzoekster] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [D] en mevrouw [E] . Voorts is de vader verschenen. Ter zitting heeft mr. Pater mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen.

3 De feiten

3.1

Uit het huwelijk van de vader en de moeder is [in] 2000 [verzoekster] geboren. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over haar. De ouders hebben nog een meerderjarige dochter, [F] .

3.2

Vanaf 2014 is hulpverlening betrokken bij [verzoekster] vanwege ernstige gedragsproblemen. Ten aanzien van haar is sprake geweest van meerdere beschermingsmaatregelen, waaronder (crisis)uithuisplaatsingen, vrijwillige en onvrijwillige, in open en gesloten settings.

3.3

Bij beschikking van 31 maart 2017 heeft de kinderrechter [verzoekster] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 april 2017 tot 10 april 2018. Voorts heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [verzoekster] in een crisisvoorziening tot 21 juni 2017.

3.4

Bij beschikking van 1 augustus 2017 is een machtiging gesloten jeugdhulp verleend tot 26 augustus 2017.

3.5

Bij beschikking van 22 augustus 2017 heeft de kinderrechter opnieuw een machtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van diezelfde datum tot 22 september 2017. De kinderrechter heeft de beslissing over het meer of anders verzochte aangehouden.

3.6

Bij de bestreden beschikking van 21 september 2017 heeft de kinderrechter een machtiging gesloten jeugdhulp tot 22 februari 2018 verleend.

3.7

[verzoekster] is vanuit haar gesloten plaatsingssetting in [B] op 9 augustus 2017 door haar ouders mee naar huis genomen en op 8 oktober 2017 door haar vader daar weer terug gebracht. Sinds 8 oktober 2017 verblijft zij weer in een gesloten accommodatie te [B] .

4 De omvang van het geschil

4.1

[verzoekster] verzoekt in haar beroepschrift de bestreden beschikking van 21 september 2017 te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van zes maanden af te wijzen.

Ter zitting heeft [verzoekster] haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen met ingang van 19 november 2017 en voornoemd verzoek van de GI per die datum af te wijzen.

4.2

De GI voert verweer en verzoekt het hof - zakelijk weergegeven - de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 1 Jeugdwet (hierna: Jw) kan de kinderrechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Een machtiging kan ingevolge artikel 6.1.2 lid 2 Jw slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren en de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

5.2

Het hof stelt vast dat is voldaan aan de in artikel 6.1.2 lid 3, lid 5 en lid 6 en artikel 6.1.10 lid 1 Jw aan het verlenen van een machtiging als bedoeld in artikel 6.1.2 lid 1 Jw gestelde formele eisen.

5.3

[verzoekster] stelt in te zien dat hulpverlening noodzakelijk is. Zij vindt een gesloten plaatsing hiervoor echter niet nodig en is van mening dat zij meer gebaat is bij een kamertraining in [G] , waar therapieën worden aangeboden die zij nodig heeft en in welk traject haar ouders ook kunnen worden meegenomen, of bij een verblijf bij haar grootmoeder (vz) (hierna: oma).

De GI vindt dat een gesloten opname noodzakelijk is gelet op de eerdere mislukte pogingen van hulpverlening in vrijwillig kader of in een open setting. De GI vindt het risico te groot dat een kamertrainingstraject ook mislukt en ziet dit derhalve niet als een geschikt alternatief voor een gesloten plaatsing.

De vader heeft ter zitting verklaard dat hij een gesloten plaatsing niet in het belang van [verzoekster] acht en dat zij volgens hem meer gebaat bij een kamertraining of bij een verblijf bij oma.

5.4

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Er bestaan al jaren forse zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van [verzoekster] . Zij vertoont sinds langere tijd ernstige gedragsproblemen. Met name in de thuissituatie is sprake van een zich herhalend patroon van crisissituaties en heftige escalaties. Er is bij [verzoekster] sprake van ernstige agressie- en regulatieproblematiek. Zij heeft (met medicatie van de ouders) suïcidepogingen gedaan. [verzoekster] wordt ernstig bedreigd in haar persoonlijkheidsontwikkeling, haar schoolgang en haar fysieke en emotionele veiligheid. Vrijwillige hulpverlening is niet van de grond gekomen, omdat [verzoekster] en de ouders weliswaar hulp vragen maar zich vervolgens ambivalent en wantrouwend opstellen, hulpverlening weigeren of op het laatste moment afzeggen. In de onderlinge verhouding tussen de ouders en [verzoekster] is sprake van een patroon van afstoten en aantrekken, wat leidt tot stagnatie in de ontwikkeling van [verzoekster] , met name voor wat betreft het losmakingsproces en haar ontwikkeling naar zelfstandigheid. Uit de verslagen van de hulpverlening is gebleken dat [verzoekster] voornamelijk agressief gedrag vertoont in de thuisstatie en niet op school of op haar stage, waar zij juist positief functioneert. [verzoekster] heeft sinds medio 2015 op veel verschillende plekken verbleven. Plaatsingen van [verzoekster] in crisiscentra en op leefgroepen zijn meermalen afgebroken doordat de ouders [verzoekster] voortijdig en zonder overleg terughaalden naar huis, om haar vervolgens enkele dagen later toch weer weg te sturen. Bovendien is [verzoekster] zelf ook een aantal keren weggelopen van de verblijfplaats waar zij op dat moment verbleef, waarbij niemand wist waar zij vervolgens was. [verzoekster] is ook niet verschenen op de mondelinge behandelingen in eerste aanleg inzake het inleidend verzoek van de GI tot verlening van een machtiging gesloten jeugdhulp. Geen van de betrokkenen wist waar zij op dat moment verbleef. Door het wegloopgedrag van [verzoekster] en het gedrag van de ouders heeft [verzoekster] nog geen behandeling kunnen afronden voor haar problematiek.

5.5

Gezien de hiervoor onder rechtsoverweging 5.4 omschreven gang van zaken in het verleden onderschrijft het hof de zorgen die de GI heeft over het gedrag en de problematiek van [verzoekster] en is het hof van oordeel dat er in principe gronden aanwezig zijn voor een gesloten plaatsing van [verzoekster] . Echter, gezien de huidige stand van zaken zoals deze in hoger beroep naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat een gesloten plaatsing van [verzoekster] op langere termijn niet zinvol is. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

5.6

[verzoekster] zal over ongeveer vijf maanden, [in] 2018, 18 jaar worden, waarna hulpverlening in gedwongen kader in beginsel zal eindigen. Overigens zal de hulpverlening feitelijk eind februari 2018 al eindigen, nu de termijnen van de ondertoezichtstelling en machtiging gesloten jeugdhulp op dat moment verstrijken en de GI, zo heeft zij ter zitting verklaard, geen verzoek tot verlenging van deze maatregelen zal indienen.

Vanaf het moment dat [verzoekster] op 8 oktober 2017 door de vader naar de gesloten accommodatie te [B] is gebracht, vindt er zoals de GI ter zitting heeft verklaard, eerst een observatieperiode van zes weken plaats om de problematiek van [verzoekster] in kaart te brengen waarna vervolgens (in november 2017) zal worden bekeken welke vervolgstap passend is. Het hof stelt derhalve vast dat - uiteraard mede door het feit dat [verzoekster] eerst op 8 oktober 2017 in [B] is teruggekeerd - er op dit moment (nog) geen (zicht is op een) concreet plan is voor een passende therapie voor [verzoekster] gedurende de resterende periode van de gesloten machtiging.

Daartegenover staat dat de gedragswetenschapper in zijn instemmingsverklaring van 1 augustus 2017 weliswaar heeft aangegeven dat gesloten jeugdhulp noodzakelijk is voor [verzoekster] , maar dat een gesloten plaatsing van [verzoekster] totdat zij 18 jaar wordt, in ieder geval te lang is, omdat de overgang te groot zal zijn en het beter is als die eerder geleidelijk wordt voorbereid. Bovendien vindt de gedragswetenschapper het van belang dat het toekomstplan van [verzoekster] zelf serieus genomen wordt en dat geprobeerd moet worden de eerder gebleken risico's daarbij af te stoppen (bijvoorbeeld het risico dat de ouders oma niet steunen en/of [verzoekster] bij haar weghalen). Daarnaast noemt de gedragswetenschapper nadrukkelijk de optie van kamertraining vlakbij oma en in de buurt van de ouders.

Over de eigen toekomstplannen van [verzoekster] is het volgende gebleken. [verzoekster] ziet in dat zij hulpverlening nodig heeft en wil nu voor zichzelf kiezen. [verzoekster] is gemotiveerd om een kamertraining te gaan volgen via [H] in [G] . Daarnaast wil zij graag psychomotorische therapie (PMT) gaan volgen. Deze therapie heeft zij medio 2017 gehad en hiermee heeft ze positieve ervaringen. Zij heeft deze therapie echter niet kunnen afronden, omdat er inmiddels een verzoek tot een machtiging gesloten jeugdhulp was ingediend. Verder wil [verzoekster] dat met therapie wordt gestart voor het gezinssysteem en dat zij weer naar school zal gaan en haar stage zal afronden.

Uit de instemmingsverklaring blijkt dat de gedragswetenschapper de plannen van [verzoekster] ondersteunt. Hij merkt hierbij op dat het voor de identiteit van [verzoekster] van belang is dat het zeer destructieve herhalingspatroon van aantrekken en afstoten als [verzoekster] thuis bij de ouders woont, doorbroken wordt. Dit kan volgens de gedragswetenschapper het beste als ze op een vaste veilige plek zit en dit is haar oma voor haar of een kamertraining in de buurt van haar oma en ouders. Het is volgens de gedragswetenschapper aan de hulpverlening om hierin met [verzoekster] een haalbare goede weg te vinden.

5.7

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat een gesloten plaatsing van [verzoekster] onder de gegeven omstandigheden niet (meer) een passende oplossing is voor de ontstane problematiek en bedreigingen in de ontwikkeling van [verzoekster] . Naar het oordeel van het hof zal in dit geval de hulpverlening zich er op dienen te richten om de hiervoor genoemde plannen van [verzoekster] uit te voeren, waarvoor zij zelf gemotiveerd is en welke plannen worden ondersteund door de gedragswetenschapper. Het verweer van de GI dat het bieden van ruimte voor eigen keuzes van [verzoekster] al verschillende keren is geprobeerd, maar telkens is mislukt en dat zij de kans groot inschat dat een nieuwe poging opnieuw zal mislukken, acht het hof invoelbaar maar het hof hecht veel waarde aan een goede voorbereiding van [verzoekster] op de fase dat zij meerderjarig zal zijn en is van oordeel dat de weinige tijd die daarvoor nog resteert, zo effectief mogelijk dient te worden benut. Het hof heeft de stellige verwachting dat dit binnen de huidige gesloten plaatsing niet tijdig meer zal kunnen worden gerealiseerd. In het kader van de nog lopende ondertoezichtstelling zal dit echter wel moeten kunnen worden vormgegeven en op de rails gezet, middels bij voorkeur een kamertrainingstraject in combinatie met passende therapie voor [verzoekster] en voor het gezinssysteem waarvan zij deel uitmaakt. De ondertoezichtstelling kan bovendien ook worden gebruikt om het proces en de rol van [verzoekster] daarin te volgen en om waar nodig dit proces bij te stellen of, zo nodig, af te breken. Het hof ziet voor [verzoekster] een (laatste) mogelijkheid om middels een kamertraining en de daarbij in te zetten behandeling(en) haar leven een andere wending te geven. Het hof acht het eerder weglopen van [verzoekster] en het mislukken van plaatsingen in open instellingen wel zorgelijk, maar onvoldoende om uit af te leiden dat een kamertraining ook zal mislukken terwijl voor het hof vast staat dat het voortduren van de gesloten plaatsing in ieder geval geen doel (meer) dient.

5.8

Om de toekomstplannen van [verzoekster] te kunnen laten slagen, is het van groot belang, vooral in het belang van [verzoekster] , dat de ouders meewerken.

Voor de ouders betekent dit, zo ziet het hof dit, dat zij hun loyale medewerking verlenen aan de uitvoering van de plannen van [verzoekster] om kamertraining en therapie te gaan volgen en eventueel (ervoor of erna) bij oma te gaan wonen. Dit brengt in ieder geval mee dat de ouders, zoals de vader ter zitting uitdrukkelijk, mede namens de moeder, heeft toegezegd, zich zeer terughoudend dienen op te stellen, ook wanneer [verzoekster] , wellicht tegen hun zin, bij oma zou gaan wonen, en [verzoekster] de ruimte dienen te geven om zich verder te ontwikkelen en haar toekomstplannen uit te voeren.

Het hof geeft [verzoekster] het door haar gevraagde vertrouwen dat zij haar toezegging zal nakomen om haar uiterste best te doen haar eigen plannen te realiseren.

Het hof wijst [verzoekster] en de ouders er nadrukkelijk op dat dit hun allerlaatste kans is om te laten zien dat zij bereid en in staat zijn om te werken aan oplossingen voor de ontwikkelingsbedreigingen van [verzoekster] in een ambulant of open kader.

5.9

Gelet op het bovenstaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen met ingang van de door [verzoekster] verzochte datum, zijnde 19 november 2017. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de GI de periode tot 19 november 2017 benut om [verzoekster] aan te melden voor de kamertraining bij [H] te [G] en het in gang zetten van de noodzakelijke therapieën. In het geval [verzoekster] nog niet per 19 november 2017 bij [H] terecht kan, gaat het hof ervan uit dat de GI het ertoe zal leiden dat [verzoekster] bij oma wordt geplaatst, ter overbrugging van de periode tot de aanvang van de kamertraining.

5.10

Deze beschikking is ingevolge artikel 6.1.12 lid 1 Jw bij voorraad uitvoerbaar.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 21 september 2017, voor zover deze zich uitstrekt over de periode tot 19 november 2017;

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 21 september 2017, met ingang van 19 november 2017 en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot het doen opnemen en doen verblijven van [verzoekster] , geboren [in] 2000, in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de periode vanaf 19 november 2017 af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, A.R. van der Winkel en A.W. Beversluis, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 9 november 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.