Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9832

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
200.210.215/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag bewindvoerder. Ambtshalve opheffing bewind door kantonrechter. De rechthebbende dient zich te houden aan de grenzen van het betamelijke.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.210.215/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4915549 VO VERZ 16-576)

beschikking van 7 november 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: rechthebbende,

advocaat: voorheen: mr. M.L. Marijs te Leeuwarden, thans: mr. G.A. Pots te Leeuwarden,

en

[verweerster] Bewindvoerders B.V.,

gevestigd te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder ook te noemen: [verweerster] of de bewindvoerder,

advocaat: mr. M.A.E. Dekens te Odoorn.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [belanghebbende1] ,

de moeder van rechthebbende,

wonende te [C] ,

2. [belanghebbende2] ,

de vader van rechthebbende,

wonende te [D] ,

3. [belanghebbende3] ,

de zus van rechthebbende,

wonende te [E] ,

4. [belanghebbende4] ,

de zus van rechthebbende,

wonende te [C] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden) van 7 november 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 6 februari 2017;

- het verweerschrift;

- een journaalbericht van mr. Marijs van 6 maart 2017 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 31 juli 2017 plaatsgevonden. Verschenen is rechthebbende, bijgestaan door mr. Marijs. Namens de bewindvoerder is verschenen de heer [F] , bijgestaan door mr. Dekens. Voorts zijn verschenen de begeleiders van rechthebbende: de heer [G] en mevrouw [H] (beiden werkzaam bij [J] ).

Ter zitting heeft mr. Marijs mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen.

Ter zitting heeft het hof - op verzoek van rechthebbende en met instemming van de bewindvoerder - de zaak aangehouden voor nadere informatie. Met rechthebbende is afgesproken dat hij uiterlijk 1 oktober 2017 aan het hof bericht of mevrouw [K] (werkzaam als bewindvoerder bij [L] ), met wie hij op 12 september 2017 een intakegesprek zal hebben, bereid is de opvolgend bewindvoerder van rechthebbende te worden.

2.3

Na de mondelinge behandeling heeft het hof de volgende stukken ontvangen:

- een journaalbericht van mr. Pots van 16 augustus 2017, zijnde een mededeling omtrent de wijziging van de persoon van de advocaat;

- een journaalbericht van mr. Pots van 27 september 2017 met productie(s), waarin hij aangeeft dat mevrouw [K] zich niet bereid heeft verklaard de bewindvoerder van rechthebbende te worden en waarin hij verzoekt [verweerster] het bewind verder af te laten wikkelen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Rechthebbende is geboren [in] 1965.

3.2

Bij beschikking van 24 september 2014 heeft de kantonrechter op verzoek van rechthebbende over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan rechthebbende een bewind ingesteld en [verweerster] tot bewindvoerder benoemd.

3.3

Bij brief, ingekomen bij de kantonrechter op 14 maart 2016, heeft [verweerster] aan de kantonrechter bericht dat haar medewerkers zich naar aanleiding van een aantal bedreigingen dusdanig onveilig voelen in de omgang met rechthebbende dat zij de kantonrechter verzoekt haar te ontslaan als bewindvoerder.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter met ingang van 15 november 2016 [verweerster] ontslagen als bewindvoerder en met ingang van diezelfde datum ambtshalve het bewind over de goederen en gelden die aan rechthebbende toebehoren opgeheven.

4.2

Rechthebbende is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 7 november 2016. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. Rechthebbende verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende [verweerster] op te dragen de bewindvoering voort te zetten en naar behoren uit te voeren.

4.3

[verweerster] heeft verweer gevoerd en verzoekt het hof rechthebbende niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep, dan wel het verzoek in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van rechthebbende in de kosten van deze procedure.

4.4

Het hof zal de grieven gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staat vast dat er diverse gesprekken hebben plaatsgevonden tussen rechthebbende (en zijn begeleiders) en (medewerkers van) de bewindvoerder over de uitvoering van het bewind. Vanaf het begin verliep de communicatie tussen hen zeer moeizaam. Volgens medewerkers van de bewindvoerder hebben er verschillende telefoongesprekken plaatsgevonden met rechthebbende, waarbij er volgens de medewerkers sprake is geweest van woede-uitbarstingen van rechthebbende.

Het laatste gesprek, op 9 september 2015, dat naar aanleiding van klachten van rechthebbende heeft plaatsgevonden tussen rechthebbende (en een begeleider) en twee medewerkers en een vervangend directielid van [verweerster] , hebben de medewerkers en het vervangend directielid als bijzonder onprettig en bedreigend ervaren. Op een gegeven moment heeft rechthebbende de ruimte geëmotioneerd verlaten en de deur hard achter zich dichtgeslagen, zo heeft rechthebbende erkend. In het daaropvolgende telefoongesprek tussen het vervangend directielid en rechthebbende, heeft rechthebbende zich opnieuw op dreigende en negatieve wijze uitgelaten door onder meer aan te geven het niet eens te zijn met het antwoord van de bewindvoerder op zijn klacht en dat hij naar het kantoor van de bewindvoerder zal komen met de intentie zijn gelijk af te dwingen. Dit laatste is door rechthebbende niet, althans niet gemotiveerd, weersproken.

5.2

Het hof overweegt dat in het midden kan blijven of er daadwerkelijk sprake is geweest van vernieling van de dichtgeslagen deur, omdat in elk geval vast staat dat de medewerkers van [verweerster] het gedrag van rechthebbende als zeer bedreigend hebben ervaren, zich onveilig voelen in gesprekken met rechthebbende en thans niet meer in gesprek durven met rechthebbende. Het moge zo zijn dat rechthebbende door de PTSS en bijkomende problematiek waarmee hij kampt sneller dan wenselijk ontvlambaar is, ook voor hem geldt dat hij zich dient te houden aan de grenzen van het betamelijke. Daarbij is het aan rechthebbende om - als betamelijk gedrag voor rechthebbende niet zelfstandig haalbaar is - zodanige begeleiding te organiseren dat de bewindvoerder in de uitvoering van zijn taak verschoond was gebleven van het onbetamelijke gedrag van rechthebbende. Hoe dan ook zijn er gezien de gevolgen die het gedrag van rechthebbende voor de medewerkers van [verweerster] heeft gehad inmiddels geen mogelijkheden meer voor een vruchtbare samenwerking tussen de bewindvoerder en rechthebbende. Daarbij komt dat rechthebbende veel klachten heeft over de werkwijze van de bewindvoerder en de uitvoering van het bewind, en twijfels over haar betrouwbaarheid heeft uitgesproken, zodat ook een toekomstige samenwerking zonder twijfel met aanmerkelijke strubbelingen gepaard zou gaan.

5.3

Geconcludeerd moet daarom worden dat van [verweerster] niet meer gevergd kan worden haar werk als bewindvoerder voor rechthebbende uit te voeren en voortzetting van het bewind met [verweerster] als bewindvoerder niet mogelijk is. Het verzoek van [verweerster] tot ontslag als bewindvoerder is naar het oordeel van het hof op juiste gronden gedaan. Ondanks dat rechthebbende eerst door de bewindvoerder en later door de kantonrechter in de gelegenheid is gesteld een nieuwe bewindvoerder voor te stellen, heeft geen enkele bewindvoerder zich bereid verklaard de bewindvoering op zich te nemen. Ook de kantonrechter heeft, gelet op de aard van de bedreigingen en de problematiek in het dossier, geen mogelijkheid gezien een andere bewindvoerder te benoemen.

5.4

Op grond van artikel 1:449 van het Burgerlijk Wetboek kan een bewind worden opgeheven indien voortzetting ervan niet zinvol is gebleken. Volgens de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2011-2012, 33 054, nr. 3) kan het gaan om rechthebbenden die bijvoorbeeld nieuwe schulden blijven maken, en ook overigens op geen enkele wijze voor de bewindvoerder aanspreekbaar of zelfs maar bereikbaar blijken te zijn of de bewindvoerder op ernstige wijze bedreigen. Gelet op deze toelichting en de hierboven geschetste situatie heeft de kantonrechter naar het oordeel van het hof op goede gronden het bewind ambtshalve opgeheven.

5.5

Het hof wijst rechthebbende erop dat voortzetting van het bewind uitsluitend mogelijk is wanneer hij een bereidverklaring in het geding brengt van een bewindvoerder die bereid is de opvolgend bewindvoerder van rechthebbende te worden. Daarom is hij ook in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om een opvolgend bewindvoerder voor te dragen, tot op heden, zo volgt uit r.o. 2.3, zonder succes. Gelet op de grote gevolgen van beëindiging van het bewind voor rechthebbende zal het hof, alvorens verder te beslissen, hem hierbij een laatste gelegenheid bieden om een bereidverklaring van een beoogd bewindvoerder over te leggen.

5.6

Het hof zal de zaak vervolgens op de stukken afdoen, tenzij het hof, al dan niet op aangeven van één van of beide partijen, een nadere mondelinge behandeling wenselijk acht.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof als volgt beslissen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

alvorens verder te beslissen:

stelt rechthebbende in de gelegenheid om een schriftelijke bereidverklaring van de beoogd bewindvoerder over te leggen, een en ander als hiervoor onder rechtsoverweging 5.5 omschreven;

bepaalt dat de bereidverklaring uiterlijk op 22 december 2017 door het hof moet zijn ontvangen en dat daarvan een kopie dient te worden gezonden naar [verweerster] en de belanghebbenden;

bepaalt dat de zaak daarna op de stukken zal worden afgedaan, tenzij het hof een nadere mondelinge behandeling wenselijk acht;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, A.R. van der Winkel en E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 7 november 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.