Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:9826

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-11-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
21-004430-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:4229
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag partner, moord en verkrachting stiefdochter. Verbergen lichamen in kruipruimte. Bezit kinderporno. Toerekeningsvatbaarheid. Oplegging gevangenisstraf 30 jaar + TBS met dwangverpleging in plaats van levenslange gevangenisstraf zoals gevorderd. Vorderingen benadeelde partij. Affectieschade. Shockschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004430-16

Uitspraak d.d.: 13 november 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 juli 2016 met parketnummer 16-659872-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

thans verblijvende in PI Alphen aan den Rijn te Alphen aan den Rijn.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 17 oktober 2017 en 13 november 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde tot een levenslange gevangenisstraf, subsidiair een gevangenisstraf van 30 jaren met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel verpleging, en voorts tot:

 toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor zover het betreft de kosten voor therapie (€ 1.014,56), kosten gemaakt in verband met de begrafenis (€ 300,85) en immateriële schade in de zin van shockschade (€ 20.000,-), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met afwijzing van de vordering voor het overige;

 toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] tot een bedrag van € 15.782,70, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met afwijzing van de vordering voor het overige;

 afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ;

 teruggave aan verdachte van het op de beslaglijst onder 1 vermelde geldbedrag;

 onttrekking aan het verkeer van de op de beslaglijst onder 2 t/m 6 vermelde voorwerpen.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. Y. Moszkowicz, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij bovengenoemd vonnis veroordeeld ter zake van de onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is hem de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Het vonnis houdt met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen in:

 niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van [benadeelde partij 1] voor zover het betreft de kosten voor therapie en de gevorderde vergoeding van shockschade, met verwijzing naar de burgerlijke rechter, en afwijzing van de vordering van [benadeelde partij 1] voor zover het betreft de gevorderde vergoeding van affectieschade en algemene materiële schade;

 toewijzing van de vordering van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] voor zover het betreft de gemaakte begrafeniskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, afwijzing van het verzoek tot vergoeding van affectieschade en algemene materiële schade;

 afwijzing van de vordering van [benadeelde partij 4] tot vergoeding van affectieschade en algemene materiële schade;

Met betrekking tot het op de beslaglijst vermelde geldbedrag is de teruggave aan verdachte gelast. De overige goederen dienen onttrokken te worden aan het verkeer.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 12 december 2015 tot en met 13 december 2015 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk

  • -

    die [slachtoffer 1] (meermalen) tegen haar armen en borst geslagen en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] met kracht van de bank geduwd/getrokken (waardoor die [slachtoffer 1] met haar gezicht op de grond viel) en/of

  • -

    die [slachtoffer 1] stevig/met kracht bij haar keel gepakt en/of

  • -

    de keel van die [slachtoffer 1] dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden en/of

  • -

    (vervolgens) een schoenveter of touw/koord, althans een voorwerp om de nek van die [slachtoffer 1] gedaan en/of

  • -

    (vervolgens) de nek/keel van die [slachtoffer 1] omsnoerd en/of dichtgesnoerd en/of samengedrukt en/of gedurende enige tijd dichtgesnoerd en/of samengedrukt gehouden (waardoor ze geen lucht meer kreeg),

althans een of meer vormen van (samen)drukkend en/of omsnoerend en/of botsend geweld op de hals/nek van die [slachtoffer 1] toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;


feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 12 december 2015 tot en met 13 december 2015 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] , geboren op 20 augustus 2000, een minderjarig kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin en/of aan zijn zorg was toevertrouwd, heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] ,

hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en/of middelvinger, althans vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) uit (samenhang van) de volgende feiten en/of omstandigheden:

  • -

    verdachte is naar de slaapkamer van die [slachtoffer 2] gegaan en/of

  • -

    heeft de telefoon van die [slachtoffer 2] afgepakt en/of verstopt (zodat ze niemand kon waarschuwen) en/of

  • -

    gezegd dat hij haar, [slachtoffer 2] , zou vermoorden als ze haar bek niet zou houden en/of

  • -

    een sok in de mond van die [slachtoffer 2] gestopt en/of

  • -

    (vervolgens) een sjaal om de mond en/of het hoofd van die [slachtoffer 2] gebonden en/of

  • -

    (vervolgens) een ademmasker (tijdelijk) op de mond en/of hoofd van die [slachtoffer 2] gezet en/of

  • -

    die [slachtoffer 2] op haar bed gelegd en/of

  • -

    (vervolgens) met een trainingsbroek en/of (een) spanband(en) de armen van die [slachtoffer 2] achter haar rug vastgebonden en/of

  • -

    de benen en armen van die [slachtoffer 2] vervolgens met (een) spanband(en) vastgebonden aan het bed en/of

  • -

    de kleren van die [slachtoffer 2] van haar lijf gescheurd, althans haar kleren uitgedaan;

waardoor verdachte (aldus) voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan, althans een situatie, waaraan zij zich - mede vanwege het (grote) leeftijdsverschil tussen die [slachtoffer 2] en verdachte en het fysieke overwicht en/of de positie van verdachte als stiefvader - niet heeft kunnen onttrekken.


feit 3 primair:

hij in of omstreeks de periode van 12 december 2015 tot en met 13 december 2015 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en met voorbedachte rade, [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

  • -

    die [slachtoffer 2] op een stoel vastgebonden met vier spanbanden (om elke ledemaat een) en/of

  • -

    een hondenriem en/of een (stuk van een) spanband(en) om de nek van die [slachtoffer 2] gedaan en/of

  • -

    die hondenriem en/of (het stuk van) de spanband(en) dat/die om haar nek zat(en) stevig/met kracht aangetrokken en/of gedurende enige tijd aangetrokken gehouden (waardoor ze geen lucht meer kreeg),

althans een of meer vormen van (samen)drukkend en/of omsnoerend geweld op de hals/nek van die [slachtoffer 2] toegepast en/of de mond en/of neus van die [slachtoffer 2] (dicht)gedrukt tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;


feit 3 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 12 december 2015 tot en met 13 december 2015 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte

  • -

    die [slachtoffer 2] op een stoel vastgebonden met vier spanbanden (om elke ledemaat een) en/of

  • -

    een hondenriem en/of een (stuk van een) spanband(en) om de nek van die [slachtoffer 2] gedaan en/of

  • -

    die hondenriem en/of (het stuk van) de spanband(en) dat/die om haar nek zat(en) stevig/met kracht aangetrokken en/of gedurende enige tijd aangetrokken gehouden (waardoor ze geen lucht meer kreeg),

althans een of meer vormen van (samen)drukkend en/of omsnoerend geweld op de hals/nek van die [slachtoffer 2] toegepast en/of de mond en/of neus van die [slachtoffer 2] (dicht)gedrukt ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit,

te weten moord, althans doodslag op [slachtoffer 1] (art 289 jo 287 Wetboek van Strafrecht)

en welke doodslag (op [slachtoffer 2] ) werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit (moord/doodslag op [slachtoffer 1] ) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad (bij het plegen van de moord/doodslag op [slachtoffer 1] ), aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid te verzekeren;


feit 3 meer subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 12 december 2015 tot en met 13 december 2015 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk

  • -

    die [slachtoffer 2] op een stoel vastgebonden met vier spanbanden (om elke ledemaat een) en/of

  • -

    een hondenriem en/of een (stuk van een) spanband(en) om de nek van die [slachtoffer 2] gedaan en/of

  • -

    die hondenriem en/of (het stuk van) de spanband(en) dat/die om haar nek zat(en) stevig/met kracht aangetrokken en/of gedurende enige tijd aangetrokken gehouden (waardoor ze geen lucht meer kreeg),

althans een of meer vormen van (samen)drukkend en/of omsnoerend geweld op de hals/nek van die [slachtoffer 2] toegepast en/of de mond en/of neus van die [slachtoffer 2] (dicht)gedrukt ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

feit 4:

hij in of omstreeks de periode van 12 december 2015 tot en met 13 december 2015 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, twee lijken (te weten het lichaam van [slachtoffer 1] en/of het lichaam van [slachtoffer 2] ) heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, (telkens) met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft verdachte, die lichamen/lijken in de kruipruimte van de woning aan de [adres] te [plaats] verborgen/achtergelaten en/of zich (aldus) van die lichamen/lijken ontdaan;

feit 5:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 januari 2014 tot en met 13 december 2015 te [plaats] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal telkens

afbeeldingen, te weten foto’s en/of video’s en/of films en/of gegevensdragers bevattende afbeeldingen - te weten twee laptops (beslagcode AAJC0652NL, AAIL1166NL) en/of een gsm Sony (beslagcode AAIG8781NL) en/of twee desktoppen (beslagcode AAJC0653NL, AAIL1168N)

van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken,

heeft

verworven,

in bezit gehad en/of

zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft

welke seksuele gedragingen – zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het met de/een penis en/of (een) voorwerp(en) oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

(fotonummer 01, 07, 14 (film), 04 van pagina 1041, 1042, 1043 van het proces-verbaal en fotonummer 9, film2 van pagina 1064, 1068)

en/of

het met de/een vinger(s)/hand vaginaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

(fotonummer 14 (film) omschrijving aanvullend proces-verbaal d.d. 23 mei 2016 (2015.02.23.1009.3204.BEV)

en/of

het met de/een penis en/of (een) vinger(s)/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

(fotonummer 02, 05, 14 (film) van pagina 1041, 1042, 1043 en fotonummer 10, 5 van pagina 1064, 1063)

en/of

het met de/een vinger(s)/hand aanraken van het geslachtsdeel van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

(fotonummer 11, 14 (film) van pagina 1043 van het proces-verbaal, fotonummer 14 (film) omschrijving aanvullend proces-verbaal d.d. 23 mei 2016 (2015.02.23.1009.3204.BEV))

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon met tape is vastgebonden en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of met een voorwerp en/of in een (erotisch getinte) houding en/of

(op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen

en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet

en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld gebracht worden,

(waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

(fotonummer 3, 6, 8, 9, 10, 12, 14 (film) van pagina 1041, 1042, 1043 van het proces-verbaal

en fotonummer 1, 2, 3, 4, 6, 8, film 1, film 2 van pagina 1062, 1063, 1064, 1065, 1068 van het proces-verbaal)

en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen omtrent het bewijs

Feit 1 (moord/doodslag [slachtoffer 1] ):

Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer 1] op 12 december 2015 te [plaats] opzettelijk door verwurging heeft gedood. Dit gebeurde tijdens een ruzie nadat verdachte kenbaar had gemaakt dat hij [slachtoffer 1] wilde verlaten. Verdachte heeft [slachtoffer 1] eerst met beide handen bij de keel gegrepen en vervolgens een touw dat op tafel lag om haar nek gewikkeld, aangetrokken en vastgehouden totdat ze op de grond zakte en blauw aanliep. Toen verdachte hoorde dat haar longen weer volliepen met lucht, heeft hij het touw vastgepakt en er een knoop ingelegd.

Uit de sectie die door het Nederlands Forensisch Instituut op het lichaam van [slachtoffer 1] is verricht, volgt dat haar overlijden goed kan worden verklaard door verwikkelingen van samendrukkend/omsnoerend geweld op de hals.

Op grond van het voorgaande kan tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit worden gekomen, met dien verstande dat - conform het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman - niet kan worden bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. De rechtbank heeft verdachte terecht van dit onderdeel vrijgesproken.

Anders dan de rechtbank spreekt het hof verdachte - om technisch juridische redenen - eveneens vrij van hetgeen onder het eerste gedachtestreepje ten laste is gelegd, niet omdat deze handelingen niet zouden zijn gepleegd maar omdat deze handelingen geen handelingen betreffen die direct zien op de levensberoving van [slachtoffer 1] . Nu niet is komen vast te staan dat verdachte [slachtoffer 1] van de bank heeft geduwd/getrokken voordat hij haar van het leven heeft beroofd, zal overeenkomstig het vonnis voor het tweede gedachtestreepje ook vrijspraak volgen.

Feit 2 (verkrachting [slachtoffer 2] ):

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft verdachte eveneens een bekennende verklaring afgelegd.

Uit deze verklaring blijkt dat [slachtoffer 2] , kort nadat verdachte [slachtoffer 1] had gedood, in de deuropening van de woonkamer stond. Zij zag haar moeder dood op de grond liggen met striemen in haar nek en is gillend naar boven gerend. Verdachte heeft vervolgens de Wifi-verbinding uitgezet, is achter [slachtoffer 2] aangegaan, pakte een masker, en pakte toen de telefoon van [slachtoffer 2] af, met de bedoeling dat [slachtoffer 2] niemand kon waarschuwen. Toen [slachtoffer 2] in paniek raakte en begon te gillen en te schreeuwen, heeft verdachte gedreigd haar te zullen vermoorden als ze “haar bek niet zou houden”. Verdachte heeft bovendien een sok in de mond van [slachtoffer 2] gestopt, met daaromheen een sjaal en het meegenomen ademmasker over haar gezicht, maar omdat [slachtoffer 2] bijna stikte heeft hij dat laatste weer weggeworpen. Verdachte heeft verklaard dat hij al langer seksuele fantasieën had over [slachtoffer 2] en dat hij tot de conclusie was gekomen dat hij haar ging verkrachten. Dat was ook de reden dat hij het masker had afgedaan: [slachtoffer 2] stikte bijna en verdachte wilde aldus zijn verklaring een levend meisje verkrachten en geen dood meisje. Verdachte heeft [slachtoffer 2] op haar buik op bed gelegd en toen hij haar beloofde dat ze niet vermoord zou worden als ze zou meewerken, heeft zij haar handen op haar rug gedaan om te worden vastgebonden. Eerst gebruikte verdachte daarvoor een trainingsbroek. Even later heeft hij spanbanden van beneden opgehaald en haar daarmee in de door hem gewenste houding aan het bed vastgebonden. Nadat verdachte de kleren van het lijf van [slachtoffer 2] heeft getrokken, heeft hij haar verkracht. Daarbij heeft hij eerst zijn middelvinger in haar vagina gestopt en daarna zijn penis.

Onderzoek door het NFI naar DNA-sporen op het lichaam van [slachtoffer 2] en de sectie die op het lichaam van [slachtoffer 2] is verricht, bevestigen dat [slachtoffer 2] door verdachte is verkracht.

Op grond van het voorgaande acht het hof het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3 (moord/doodslag [slachtoffer 2] ):

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de verdediging bepleit dat weliswaar kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, maar niet dat dit met voorbedachten rade is gebeurd. Verdachte zou daarom van het primair ten laste gelegde dienen te worden vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wel tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het primair ten laste gelegde feit, nu uit verdachtes eigen verklaring blijkt dat hij na lang wikken en wegen bewust tot de conclusie is gekomen dat hij [slachtoffer 2] zou doden en hij overeenkomstig dat voornemen heeft gehandeld.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

De rechtbank heeft met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit in het vonnis overwogen:

“Nadat verdachte [slachtoffer 2] had verkracht, heeft hij zichzelf weer aangekleed, zijn handen

gewassen en [slachtoffer 2] losgemaakt. Om ervoor te zorgen dat [slachtoffer 2] zou meewerken, beloofde

verdachte haar wederom dat hij haar niet zou vermoorden. [slachtoffer 2] heeft zichzelf aangekleed en moest op een stoel gaan zitten, waarna verdachte haar met vier spanbanden aan de stoel heeft vastgemaakt, om elke ledemaat één spanband, en een sjaal om haar mond heeft gedaan. Daarna is verdachte naar beneden gegaan.

Verdachte heeft beneden nagedacht wat hij zou doen, of hij [slachtoffer 2] dood zou maken. Hij is ongeveer een uur beneden geweest. Aan de ene kant wilde hij haar niet doden, maar aan de andere kant wist hij eigenlijk al dat ze dood moest. Nadat verdachte de beslissing had genomen dat hij [slachtoffer 2] niet kon laten leven, is hij weer naar boven gegaan. Hij heeft moed verzameld en is met de hondenriem naar boven gegaan. [slachtoffer 2] zag hem en kermde “nee niet doen, nee niet doen, je hebt het beloofd”. Daarna heeft hij de hondenriem een paar keer om haar nek gedaan en kracht gezet, maar de riem knapte. Hij heeft vervolgens een stuk van een loshangende spanband gepakt en die om haar nek strak aangetrokken. De stoel waarop [slachtoffer 2] was vastgebonden viel om en verdachte bleef aan de spanband trekken, waarbij hij naast de stoel stond om goed kracht te kunnen zetten. Daarna heeft hij de spanband vastgeknoopt en is naar beneden gegaan.

Uit sectie door het NFI op het lichaam van [slachtoffer 2] volgt dat het intreden van de dood goed kan worden verklaard door verstikkingseffecten ten gevolge van bij leven ingewerkt uitwendig mechanisch omsnoerend, (samen)drukkend geweld op de hals/nek (ligatuurstrangulatie door een of meerdere omsnoerende structuren aan de hals/nek, manuele verwurging of een combinatie daarvan), (af)drukken van de mond/neus of een combinatie van deze.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg, zodat de rechtbank de onder 3 ten laste gelegde moord op [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen acht. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte ruim de tijd heeft genomen om weloverwogen tot de beslissing te komen om [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Nadat hij de - - beslissing had genomen om haar te doden, is hij naar [slachtoffer 2] toe gegaan en heeft hij haar verwurgd.”

Deze overweging is juist. Het hof sluit zich bij deze overweging aan en neemt deze over. Uit verdachtes verklaring kan worden afgeleid dat hij zich daadwerkelijk heeft beraden omtrent de vraag of hij [slachtoffer 2] van het leven zou beroven, dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en dat hij tot een weloverwogen besluit is gekomen. Het hof wijst hierbij specifiek op de verklaring van verdachte ter zitting in eerste aanleg inhoudende

“Ik ben naar beneden gegaan en na lang nadenken heb ik bewust de keuze gemaakt dat [slachtoffer 2] niet kon blijven leven (…) Zij had te veel gezien. (…) Beneden heb ik een tijd met mijzelf geworsteld. Ik ben tot de conclusie gekomen dat [slachtoffer 2] dood moest. Nadat ik die beslissing had genomen heb ik de hondenriem gepakt en ben ik naar boven gegaan.”

en de verklaring bij de politie inhoudende:

“Toen ben ik naar beneden gegaan. (…) Ik probeerde moed te verzamelen om het te doen. (…) Ik dacht wat ik zou doen, waar ik het lijk zou laten. Of ik haar wel dood zou maken. Het heeft ongeveer één uur geduurd denk ik voor ik weer naar boven ging. (…) Ik heb moed verzameld en ben met de hondenriem naar boven gegaan”.

Het verweer van de raadsman inhoudende dat er geen sprake is geweest van “kalm overleg en bedaard nadenken” omdat verdachte zich “in een roes” bevond, getriggerd door het ombrengen van [slachtoffer 1] en het verkrachten van [slachtoffer 2] , wordt door het voorgaande weersproken.

Aldus kan het onder 3 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend worden bewezen.

Feit 4:

Onder 4 wordt verdachte verweten dat hij in de periode van 12 tot en met 13 december 2015 de lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft verborgen, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van hun overlijden te verhelen.

Verdachte heeft erkend dat hij na het doden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft nagedacht over wat hij met de lichamen zou doen en dat hij toen tot de conclusie is gekomen dat hij ze het beste “in het kruipluik kon gooien”. De bedoeling hiervan was dat hij niet gepakt zou worden. Nadat hij beide lichamen in de kruipruimte had geplaatst, heeft hij zich aangekleed en het huis opgeruimd, omdat hij niet wilde dat iemand zou denken dat er iets was gebeurd.

Uit het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 4 januari 2016 blijkt dat de lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 13 december 2015 in de kruipruimte van de woning aan de [adres] te [plaats] zijn aangetroffen.

Op grond van het voorgaande kan het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend worden bewezen.

Feit 5:

Onder 5 wordt verdachte - kort gezegd - verweten dat hij in de periode van 18 januari 2014 tot en met 13 december 2015 meerdere computers en een GSM in bezit heeft gehad waarop kinderporno is aangetroffen en dat hij van het bezit van kinderporno een gewoonte heeft gemaakt. Het gaat daarbij om in totaal 163 foto’s en/of video’s.

Verdachte heeft ook dit feit bekend.

Het onder 5 ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

feit 1:

hij op 12 december 2015 te [plaats] , opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk

  • -

    die [slachtoffer 1] stevig/met kracht bij haar keel gepakt en

  • -

    de keel van die [slachtoffer 1] dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden en

  • -

    vervolgens een touw om de nek van die [slachtoffer 1] gedaan en

  • -

    vervolgens de nek/keel van die [slachtoffer 1] omsnoerd en dichtgesnoerd en samengedrukt en gedurende enige tijd dichtgesnoerd en samengedrukt gehouden waardoor ze geen lucht meer kreeg,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;


feit 2:

hij op 12 december 2015 te [plaats] , door geweld of andere feitelijkheden en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] , geboren op 20 augustus 2000, een minderjarig kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] ,

hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en middelvinger in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en

bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld uit de volgende feiten en omstandigheden:

  • -

    verdachte is naar de slaapkamer van die [slachtoffer 2] gegaan en

  • -

    heeft de telefoon van die [slachtoffer 2] afgepakt en verstopt zodat ze niemand kon waarschuwen en

  • -

    gezegd dat hij haar, [slachtoffer 2] , zou vermoorden als ze haar bek niet zou houden en

  • -

    een sok in de mond van die [slachtoffer 2] gestopt en

  • -

    een sjaal om de mond en/of het hoofd van die [slachtoffer 2] gebonden en

  • -

    een ademmasker (tijdelijk) op de mond van die [slachtoffer 2] gezet en

  • -

    die [slachtoffer 2] op haar bed gelegd en

  • -

    vervolgens met een trainingsbroek de armen van die [slachtoffer 2] achter haar rug vastgebonden en

  • -

    de benen en armen van die [slachtoffer 2] vervolgens met spanbanden vastgebonden aan het bed en

  • -

    de kleren van die [slachtoffer 2] van haar lijf gescheurd;


feit 3 primair:

hij op 12 december 2015 te [plaats] opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

  • -

    die [slachtoffer 2] op een stoel vastgebonden met vier spanbanden (om elke ledemaat één) en

  • -

    een (stuk van een) spanband om de nek van die [slachtoffer 2] gedaan en

  • -

    (het stuk van) de spanband dat/die om haar nek zat stevig/met kracht aangetrokken en gedurende enige tijd aangetrokken gehouden waardoor ze geen lucht meer kreeg,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;


feit 4:

hij in de periode van 12 december 2015 tot en met 13 december 2015 te [plaats] , twee lijken te weten het lichaam van [slachtoffer 1] en het lichaam van [slachtoffer 2] heeft verborgen, telkens met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft verdachte, die lichamen/lijken in de kruipruimte van de woning aan de [adres] te [plaats] verborgen/achtergelaten en zich aldus van die lichamen/lijken ontdaan;

feit 5:

hij op tijdstippen in de periode van 18 januari 2014 tot en met 13 december 2015 in Nederland,

gegevensdragers bevattende afbeeldingen - te weten twee laptops (beslagcode AAJC0652NL, AAIL1166NL) en een gsm Sony (beslagcode AAIG8781NL) en twee desktoppen (beslagcode AAJC0653NL, AAIL1168N) -

van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken,

in bezit heeft gehad

welke seksuele gedragingen – zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het met de/een penis en/of (een) voorwerp(en) oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

(fotonummer 01, 07, 14 (film), 04 van pagina 1041, 1042, 1043 van het proces-verbaal en fotonummer 9, film2 van pagina 1064, 1068)

en

het met de/een vinger(s)/hand vaginaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

(fotonummer 14 (film) omschrijving aanvullend proces-verbaal d.d. 23 mei 2016 (2015.02.23.1009.3204.BEV)

en

het met de/een penis en/of (een) vinger(s)/hand betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

(fotonummer 02, 05, 14 (film) van pagina 1041, 1042, 1043 en fotonummer 10, 5 van pagina 1064, 1063)

en

het met de/een vinger(s)/hand aanraken van het geslachtsdeel van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

(fotonummer 11, 14 (film) van pagina 1043 van het proces-verbaal, fotonummer 14 (film) omschrijving aanvullend proces-verbaal d.d. 23 mei 2016 (2015.02.23.1009.3204.BEV))

en

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon met tape is vastgebonden en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of met een voorwerp en/of in een (erotisch getinte) houding en/of

(op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen

en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet

en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld gebracht worden,

(waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

(fotonummer 3, 6, 8, 9, 10, 12, 14 (film) van pagina 1041, 1042, 1043 van het proces-verbaal

en fotonummer 1, 2, 3, 4, 6, 8, film 1, film 2 van pagina 1062, 1063, 1064, 1065, 1068 van het proces-verbaal)

en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

verkrachting, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin.

Het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

moord.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

een lijk verbergen met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, meermalen gepleegd.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, terwijl van het plegen van dit misdrijf een beroep of gewoonte wordt gemaakt.

Strafbaarheid van de verdachte

Het dossier bevat een Rapportage Pro Justitia d.d. 22 juni 2016, uitgebracht door T. den Boer, psychiater, en J. Heerschop, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum te Utrecht. Ter terechtzitting in eerste aanleg hebben voornoemde deskundigen dit rapport toegelicht. In het vonnis zijn de bevindingen van de deskundigen als volgt weergegeven:

“De forensische analyse van bovengenoemde rapportage houdt onder meer in dat verdachte een gemiddeld intelligente man is zonder structurele psychiatrische problematiek. Wel is sprake van ernstige en structurele verslavingsproblematiek die in de loop van de jaren op verschillende wijzen tot uiting is gekomen en verwijst naar disfunctionele coping. Een belangrijke rol van het verslavingsgedrag betreft het ‘niet (willen) voelen’, waaronder het niet geconfronteerd willen worden met gevoelens van minderwaardigheid. Bij verdachte is sprake van een massieve wijze van wegdrukken van emoties, zowel emoties van hemzelf als de emoties die hij ervaart bij anderen. In zijn functioneren staat het vermijden van confrontatie met eigen gevoel en met de ander centraal. Hij blijkt niet of nauwelijks stil te staan bij de beleving en de belangen van de ander en staat egocentrisch in het leven. Slechts - als de wereld zich aan hem opdringt op een niet te vermijden wijze, reageert hij op een emotioneel geladen wijze, overschrijdt grenzen van de ander maar ziet hier vervolgens niet de ernst van in. Het leven van verdachte staat zozeer in het teken van vermijding en wordt zozeer gekleurd door een egocentrische houding, dat gesproken wordt van een persoonlijkheidsstoornis, niet anderszins omschreven, met ontwijkende en antisociale trekken. Ten tijde van het ten laste gelegde was sprake van deze persoonlijkheidsproblematiek terwijl hij daarnaast chronisch gebruik maakte van cannabis.

Voor de beantwoording van de vraag of de hiervoor omschreven problematiek verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloedden, maken de deskundigen onderscheid tussen de verschillende ten laste gelegde feiten. De deskundigen zien in het doden van [slachtoffer 1] een uiting van de sterke verkokering van denken en handelen waarin verdachte terecht was gekomen om zijn doel (vrij en alleen zijn) te bereiken, terwijl de aanzet daartoe (een fysieke agressieve grensoverschrijding) een dynamiek betrof die een uiting is van emotioneel en relationeel onvermogen. De deskundige Heerschop heeft ter zitting toegelicht dat verdachte zich op dat moment in de kern van zijn pathologie bevond. De opgekropte woede, het daar niet mee kunnen omgaan, het niet kunnen omgaan met de problemen in de relatie met [slachtoffer 1] en de neiging om [slachtoffer 1] hiervoor verantwoordelijk te maken, hebben geleid tot een uitbarsting. De deskundige Den Boer heeft toegelicht dat uitbarstingen kunnen ontstaan door het verlies van grip en dat dit onderdeel uitmaakt van de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte. Sterker dan anders voelde verdachte zich klem gezet, het vermijden lukte niet meer, het wegstoppen van emoties lukte niet meer en de grip ontbrak.

De deskundigen concluderen dat het doden van [slachtoffer 1] zo sterk verbonden is met de

kernproblematiek van verdachte, zijn grote drang tot vermijding enerzijds en zijn beperkte grip op zijn onderliggende woede anderzijds, met daarnaast nauwelijks remming vanuit inleving in de ander, dat zij adviseren verdachte voor dit feit - gepleegd gedurende een fase van sterk verkokerd denken - verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Met betrekking tot het ten laste gelegde verkrachten van [slachtoffer 2] is door de deskundigen het volgende opgenomen. Direct na het overlijden van [slachtoffer 1] werd verdachte als het ware opgeschrikt door [slachtoffer 2] , die de gevolgen van het doden van [slachtoffer 1] had waargenomen.

Meteen realiseerde hij zich dat zij dit kenbaar zou maken en de handelingen die hij

vervolgens verrichtte om dat te voorkomen duiden op overzicht in handelen en doelgericht handelen. Zijn berekenende kant kwam op dat moment naar voren. De overgang van het doden van [slachtoffer 1] naar het uitvoeren van de seksuele fantasie om seks te hebben met [slachtoffer 2] kan deels worden begrepen vanuit de sterke gevoelsdissociatie waartoe verdachte in staat is.

Dit neemt echter niet weg dat hij zich op dat moment goed bewust was van datgene wat hij aan het doen was. Verdachte heeft voorafgaand aan de verkrachting van [slachtoffer 2] voldoende tijd gehad om zich de ernst hiervan en de feitelijke impact op [slachtoffer 2] te realiseren. Deze omstandigheden maken dat er wel sprake was van de beschreven stoornis, maar dat verdachte niet dusdanig in de ban was van deze stoornis dat dit feit vanuit deze stoornis onafwendbaar verklaard kan worden. De deskundigen kunnen geen vermindering van toerekeningsvatbaarheid onderbouwen voor de ten laste gelegde verkrachting.

Het doden van [slachtoffer 2] en het verbergen van de lichamen wijzen op een sterke instrumentaliteit, terwijl het doel opportunistisch was, namelijk niet ontdekt worden. Ook ten aanzien van deze gedragingen wordt het vermogen tot dissociatie van gevoel gezien. Door de beschreven stoornis wordt verdachte gehinderd door eigen en andermans emoties, maar deze beperking is niet dermate, dat hij daardoor geen andere keuzemogelijkheden meer had ten tijde van deze feiten. De deskundigen vinden voor zowel het doden van [slachtoffer 2] als voor het verbergen van de lichamen geen argumenten om te komen tot onderbouwing van vermindering van toerekeningsvatbaarheid op basis van de geconstateerde stoornis.

Ten slotte adviseren de deskundigen om verdachte ook met betrekking tot het bezit van kinderporno toerekeningsvatbaar te achten. Zij concluderen dat, hoewel het kijken van porno een vorm van verschoven verslaving is en verdachte op een egocentrische wijze in het leven staat, deze aspecten onvoldoende zijn om een bepalende rol te onderbouwen in de beslissing om gebruik te maken van kinderpornografisch materiaal.”

Naar aanleiding van een verzoek van de verdediging is in hoger beroep door de deskundigen aanvullend onderzoek verricht. Verdachte is daarbij nogmaals gedurende enkele weken in het Pieter Baancentrum geobserveerd. Dit onderzoek heeft niet tot nieuwe inzichten en/of andere conclusies geleid. Blijkens het rapport d.d. 14 juli 2017 zijn er geen aanwijzingen dat er veranderingen hebben plaatsgevonden in de eerder vastgestelde persoonlijkheidsdiagnostiek en de verslaving aan cannabis. Er is (wederom) geen seksuele stoornis vastgesteld. De deskundigen hebben ter terechtzitting van het hof een toelichting gegeven op de door hen gedane bevindingen.

De raadsman heeft in zijn pleidooi de bevindingen van de deskundigen betwist, in die zin dat hij het onbegrijpelijk acht dat er geen seksuele stoornis in de zin van pedofilie bij verdachte is vastgesteld. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte naar het inzicht van de raadsman voldoet aan de zogenoemde DSM-IV criteria met betrekking tot pedofilie. De verdediging meent dat de onder 2 ten laste gelegde verkrachting van [slachtoffer 2] (ook) ingegeven was door een seksuele stoornis. Daarnaast is de verdediging van mening dat de hevige gemoedstoestand die hij als gevolg van zijn stoornis bij feit 1 had, heeft doorgewerkt in de daarop volgende gepleegde feiten, te weten de verkrachting en het doden van [slachtoffer 2] . Ook voor deze feiten zou verdachte derhalve (deels) ontoerekeningsvatbaar moeten worden verklaard.

De advocaat-generaal heeft dit standpunt bestreden. De conclusies van de deskundigen zijn volgens hem helder en op grond daarvan dient verdachte alleen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit verminderd toerekeningsvatbaar worden verklaard. De overige feiten kunnen hem volledig worden toegerekend, aldus de advocaat-generaal.

Het hof stelt voorop dat de deskundigen ter terechtzitting van het hof uitgebreid zijn ingegaan op vragen van de verdediging en nogmaals nader hebben geduid waarom zij niet tot de conclusie zijn gekomen dat er sprake is van een seksuele stoornis bij verdachte en waarom verdachte volgens hen alleen met betrekking tot het doden van [slachtoffer 1] verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De uitleg van de deskundigen hieromtrent acht het hof helder en begrijpelijk. Psychiater T. den Boer heeft aangegeven dat het enkele feit dat verdachte voldoet aan criteria van een stoornis volgens de DSM IV niet automatisch betekent dat hij die stoornis heeft en dat zijn handelen daardoor wordt beïnvloed. Deskundigen dienen ook aan de hand van het gedrag en het (maatschappelijk) functioneren van de betrokkene te beoordelen óf er sprake is van een zodanig disfunctioneren, dat sprake is van een stoornis, waarna aan de hand van DSM IV wordt gekeken hoe die stoornis geclassificeerd kan worden. De criteria van de DSM IV komen derhalve pas aan de orde nadat is vastgesteld dát er een stoornis is. Bij verdachte is aldus geen seksuele stoornis vastgesteld.

Door de deskundigen is eveneens verduidelijkt waarom de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit wel tot verminderde toerekeningsvatbaarheid leidt, maar ten aanzien van de daarop volgende feiten niet. Van de omstandigheid dat de stoornis heeft ‘doorgewerkt’ in de onder 2 en 3 ten laste gelegde en bewezenverklaarde feiten, zoals de raadsman heeft bepleit, is volgens hen geen sprake. De deskundigen hebben uitgelegd dat ten tijde van verdachtes handelen bij het doden van [slachtoffer 1] een heftige emotie waarin verdachte zichzelf heeft verloren, op de voorgrond stond. Bij de verkrachting en het ombrengen van [slachtoffer 2] was dat niet aan de orde en had het handelen van verdachte een instrumenteel, doelgericht, karakter waarin verdachte moedwillig verschillende keuzes heeft gemaakt.

Het hof kan zich verenigen met de conclusies van de deskundigen, zoals die in voornoemde overweging van de rechtbank zijn weergegeven en welke conclusies in hoger beroep zijn gehandhaafd en ter terechtzitting van het hof van een nadere toelichting zijn voorzien, en maakt die tot de zijne. Op grond daarvan acht het hof met de rechtbank verdachte ten aanzien van de onder 1 bewezenverklaarde doodslag op [slachtoffer 1] verminderd toerekeningsvatbaar. De overige feiten kunnen verdachte volledig worden toegerekend. In zoverre is verdachte strafbaar.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Zoals bij de bewijsoverwegingen reeds uiteen is gezet, heeft verdachte zich op 12 december 2015 aan een reeks gruwelijke strafbare feiten schuldig gemaakt. Eerst heeft hij zijn partner [slachtoffer 1] om het leven gebracht. Verdachte heeft haar met zijn handen bij haar keel gepakt en deze dichtgeknepen. Ondanks dat hij haar naar adem zag snakken en hij de angst naar eigen zeggen in haar ogen zag, heeft verdachte vervolgens een touw gepakt en de verwurging daarmee doorgezet. [slachtoffer 1] is slechts 41 jaar oud geworden.

Tijdens dat drama was [slachtoffer 2] , de dochter van [slachtoffer 1] en stiefdochter van verdachte, ook thuis. Uit het dossier blijkt dat verdachte al langere tijd lustgevoelens voor haar koesterde en dat zij angstig voor hem was omdat hij haar had bespied. Toen [slachtoffer 1] dood was, heeft verdachte op nietsontziende wijze misbruik gemaakt van de ontstane situatie door [slachtoffer 2] , die alleen met hem in de woning was en zojuist met de gewelddadige dood haar moeder was geconfronteerd en in paniek probeerde weg te komen, op brute wijze te verkrachten. Daarbij heeft verdachte [slachtoffer 2] meermalen beloofd haar geen kwaad te zullen doen als zij geen weerstand zou bieden. In de hoop het te zullen overleven, heeft [slachtoffer 2] zich vervolgens tot tweemaal toe laten vastbinden. Dat verdachte op dergelijke wijze seksueel misbruik heeft gemaakt van een volstrekt weerloos, ontredderd en kwetsbaar slachtoffer, dat nota bene deel uitmaakte van zijn gezin, rekent het hof verdachte zeer zwaar aan.

Na de verkrachting is verdachte naar beneden gegaan terwijl [slachtoffer 2] vastgebonden aan een stoel op haar kamer achter bleef. In deze toestand heeft verdachte haar gedurende ongeveer een uur aan haar lot overgelaten. Dit laatste uur van [slachtoffer 2] haar leven moet afschuwelijk zijn geweest. Het is niet te bevatten wat de wetenschap dat haar moeder niet meer leefde, de verkrachting door haar stiefvader, en de onzekerheid over wat haar verder nog stond te gebeuren, met [slachtoffer 2]
- een meisje van nog maar 15 jaar - moet hebben gedaan. Duidelijk is dat [slachtoffer 2] doodsangsten heeft uitgestaan toen zij verdachte uiteindelijk zag aankomen met een hondenriem in zijn hand. Even had zij nog de ijdele hoop dat verdachte de hond die door verdachte bij haar op de kamer was gebracht, ging uitlaten. Al gauw bleek echter, ook uit de berekenende mededeling van verdachte “Nee [slachtoffer 2] , ik ga Mini niet uitlaten”, dat verdachte ook haar om het leven ging brengen. Ondanks dat [slachtoffer 2] verdachte meermalen heeft gesmeekt het niet te doen, heeft verdachte haar gewurgd; eerst met de hondenriem, en toen die knapte met een spanband.

Aldus heeft verdachte een moeder en een dochter in hun eigen woning op afschuwwekkende wijze uit het leven gerukt. Hij heeft hen het meest fundamentele recht ontnomen waarover een mens beschikt, te weten het recht op leven. Tekenend voor het totale gebrek aan respect waarmee verdachte heeft gehandeld is zijn verklaring bij de politie over de verkrachting en moord op [slachtoffer 2] : “Ik dacht als ik haar toch van kant ga maken kon ik er ook wel gebruik van maken. Ze werkte nog mee ook nog”.

Het gebrek aan respect blijkt tevens uit de wijze waarop verdachte de lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] later heeft verborgen in de kruipruimte onder de woning. Verdachte probeerde op die manier onder de consequenties van zijn handelen uit te komen. Niet alleen heeft dit ervoor gezorgd dat - met name - [benadeelde partij 1] twee dagen in onzekerheid heeft verkeerd over het lot van zijn moeder en zus, ook heeft verdachte met dit gedrag bewerkstelligd dat de nabestaanden – als gevolg van de staat waarin de lichamen zich na de ontdekking ervan bevonden - niet op gepaste wijze afscheid hebben kunnen nemen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Het verlies van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bij de nabestaanden onherstelbaar leed en onnoemelijk veel verdriet veroorzaakt, zoals treffend is verwoord in hun slachtofferverklaringen. De impact die het gebeuren op [benadeelde partij 1] heeft gehad en ook in zijn verdere leven zal hebben, is enorm. Hij is in één klap zijn moeder en zus kwijt geraakt, terwijl verdachte, iemand die al jaren tot het gezin behoorde, verantwoordelijk is voor hun dood.

Naast de gevolgen voor de slachtoffers en nabestaanden, wordt de rechtsorde door dergelijke misdrijven ernstig geschokt en worden daardoor ernstige gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaakt.

Ten slotte heeft verdachte door het bezit van kinderporno bijgedragen aan het in stand houden van misbruik en uitbuiting van (soms zeer jonge) kinderen. Ook dat wordt verdachte aangerekend.

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met het feit dat verdachte ten aanzien van de onder 1 bewezenverklaarde doodslag op [slachtoffer 1] als verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen, zoals onder het kopje ‘strafbaarheid van verdachte’ is gemotiveerd.

De (met name onder 1, 2, 3 primair en 4) bewezenverklaarde feiten dienen, gezien de aard en de ernst van die feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, te worden bestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur. Het leed dat verdachte de slachtoffers en nabestaanden heeft aangedaan moet worden vergolden, ook al hebben zij hun moeder/zus, dochter/kleinkind daarmee niet terug. Daarnaast is oplegging van een dergelijke gevangenisstraf nodig in verband met herstel van de geschokte rechtsorde. Een lagere gevangenisstraf dan door de rechtbank is opgelegd, zoals de verdediging het hof heeft verzocht, is gezien het voorgaande dan ook volstrekt niet aan de orde.

Alles overziende komt het hof tot het volgende oordeel. Hoewel de door verdachte begane misdrijven zonder meer als weerzinwekkend zijn aan te merken, mag naar het oordeel van het hof niet alleen niet uit het oog worden verloren dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor geweldsdelicten maar ook dat hij - hoe dan ook - behept is met een stoornis. Bij de huidige stand van recente regelgeving, die er kort samengevat - los van de vraag of de straf aan EVRM vereisten voldoet - op neer komt dat bij oplegging van een levenslange gevangenisstraf na vijfentwintig jaar bezien moet worden of en in hoeverre verdachte in aanmerking zou kunnen komen voor enige vorm van re-integratie, zou oplegging van die straf op termijn kunnen inhouden dat verdachte op enig moment en op enigerlei wijze weer terugkeert in de maatschappij. Behandeling van zijn stoornis heeft dan niet plaatsgevonden, in elk geval niet op de wijze zoals thans door de deskundigen in het kader van de maatregel van een ter beschikkingstelling is geadviseerd. In de gegeven omstandigheden acht het hof dat niet verantwoord en is het hof van oordeel dat uit het oogpunt van maximale beveiliging van de maatschappij de behandeling van verdachtes stoornis bij de afdoening van deze zaak naast het aspect van vergelding tevens nadrukkelijk aan de orde moet komen en dat de strafoplegging daarop toegesneden moet zijn. Aan bespreking van de door de verdediging aangestipte vraag of de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf al dan niet in overeenstemming is met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens, komt het hof niet toe, reeds nu de oplegging van gevangenisstraf gecombineerd met de maatregel van ter beschikkingstelling, welke maatregel het hof hieronder nader zal motiveren, naar het oordeel van het hof in deze zaak de aangewezen bestraffing is.

Alles afwegende acht het hof de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren, met aftrek van voorarrest, een passende en noodzakelijke bestraffing.

Oplegging van maatregel

De rechtbank heeft verdachte naast voornoemde gevangenisstraf de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd. Ook het hof is van oordeel dat oplegging van deze maatregel met bevel van verpleging van overheidswege noodzakelijk is. Voor de onderbouwing van deze beslissing sluit het hof aan bij de motivering van de rechtbank, inhoudende:

“De rapportage van 22 juni 2016 van de deskundigen Den Boer en Heerschop houdt, naast hetgeen hiervoor onder 7 (hof: in het arrest onder het kopje ‘strafbaarheid van verdachte’) is weergegeven, tevens in dat een hoog risico bestaat op herhaling

van ernstig gewelddadig gedrag. Dit risico doet zich met name voor binnen een relatie waarin verdachte zich bekneld gaat voelen. Verdachte is bekend met geweld en heeft een beperkte draagkracht terwijl hij niet of nauwelijks zicht geeft op de spanning die hij ervaart. Er is er sprake van een voortdurende ondertoon van woede jegens de ander, die onderdrukt wordt door de in het rapport beschreven vorm van dissociatie. Deze woede kan doorbreken indien de spanning hoog oploopt en verdachte geen mogelijkheid ervaart zich hieraan te onttrekken. Het hoge risico op herhaling van ernstig gewelddadig gedrag hangt samen met de ernstige persoonlijkheidsproblematiek van verdachte. Deze problematiek is van duurzame aard en zal zonder behandeling niet veranderen, waardoor ook het risico op termijn hoog zal blijven. Om het risico op herhaling te verminderen is behandeling van de onderliggende persoonlijkheidsdynamiek noodzakelijk. De deskundigen adviseren aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

De rechtbank neemt de conclusies en het advies van voornoemde deskundigen over. De rechtbank is, gelet op de persoon van verdachte, het ingeschatte hoge recidivegevaar ten aanzien van ernstig gewelddadig gedrag (binnen de context van een relatie), alsmede de aard en de ernst van het onder 1. bewezen verklaarde feit, voor welk feit verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is te achten, van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege noodzakelijk maakt. De rechtbank zal deze maatregel aan verdachte opleggen. Deze maatregel moet verdachte duidelijk maken dat behandeling noodzakelijk is alvorens de mogelijkheid bestaat dat hij (op enig moment) in de

samenleving kan terugkeren en de samenleving de waarborg geven dat een zodanige

terugkeer niet zal plaatsvinden zolang bij verdachte sprake is van de (ernstige)

persoonlijkheidsstoornis die mede aanleiding is geweest voor zijn handelen.

De rechtbank overweegt voorts dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Op het onder 1. bewezen verklaarde misdrijf doodslag is naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer -gesteld. Voorts betreft dit een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.”

Het hof acht deze overweging juist en neemt die over.

Géén advies eerder tijdstip aanvang TBS ex artikel 37b, tweede lid, Sr

Evenals de rechtbank zal het hof géén advies geven omtrent het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen. Het hof is van oordeel dat eerst de onvoorwaardelijke gevangenisstraf ten uitvoer gelegd dient te worden en pas na ommekomst daarvan de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. De duur van de op te leggen gevangenisstraf is immers mede gebaseerd op de onder 2, 3 primair, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten, waarvoor verdachte volledig toerekeningsvatbaar is verklaard. Zoals bij de strafmotivering uiteen is gezet, moeten deze feiten worden vergolden en is een advies zoals hiervoor bedoeld in dat opzicht in het geheel niet passend.

Beslag

Ten aanzien van het op de beslaglijst onder 1 vermelde geldbedrag zal de teruggave aan verdachte worden gelast, nu het belang van strafvordering zich daar niet tegen verzet.

Het onder 5 ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit is begaan met betrekking tot de op de beslaglijst onder 2 tot en met 6 vermelde inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (bijgestaan door mr. M.A.J. Kubatsch)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 59.015,41, bestaande uit:

Immateriële schade: € 20.000,- shockschade

€ 37.500,- affectieschade

€ 57.500,- totaal

Materiële schade: € 200,00 algemene kosten

€ 1.014,56 kosten therapie

€ 300,85 kosten in verband met de begrafenis

€ 1.515,41 totaal,

vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep voor wat betreft de shockschade en kosten in verband met therapie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en ten aanzien van de affectieschade en overige materiële schade is de vordering afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Immateriële schade

Zoals hiervoor aangegeven vordert de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in totaal € 57.500,- aan immateriële schade, bestaande uit € 37.500,- aan affectieschade en € 20.000,- aan shockschade.

Met betrekking tot affectieschade:

Zowel de advocaat-generaal als de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de wet op dit moment geen ruimte biedt voor toekenning van een vergoeding wegens affectieschade en dat de rechtbank de vordering derhalve in zoverre terecht heeft afgewezen.

Aan de vordering van [benadeelde partij 1] is het overlijden van zijn moeder [slachtoffer 1] en zijn zusje [slachtoffer 2] ten grondslag gelegd. Het hof begrijpt dat door de benadeelde genoegdoening wordt gevraagd voor de ernstige gevolgen die hij moet ondervinden van het overlijden van deze personen tot wie hij in een affectieve relatie heeft gestaan. De vertegenwoordiger van [benadeelde partij 1] , mr. Kubatsch, heeft in haar toelichting op de vordering onderkend dat de wet op dit moment geen basis kent voor toewijzing van een vergoeding wegens dergelijke affectieschade, maar heeft het hof daarbij gewezen op het Wetsvoorstel vergoeding van affectieschade, ter uitvoering van de Europese Richtlijn Minimumnormen voor slachtoffers (2012/29 EU, hierna ‘de Richtlijn’), en heeft het hof verzocht op die wetgeving te anticiperen.

Het hof overweegt als volgt.

Algemene overwegingen

Het hof stelt in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2002, beter bekend als het Taxibus-arrest, het volgende voorop. In het onderhavige geval is sprake van een tragische gebeurtenis die bij alle nabestaanden heeft geleid tot veel pijn en verdriet. De toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade kan slechts in (zeer) beperkte mate hun leed verzachten, doch kan wel in zekere mate een erkenning van het ondervonden leed betekenen. Echter, enkel deze erkenning kan niet de grond voor toewijzing zijn. Daartoe dient een rechtsgrond te worden aangewezen die leidt tot aansprakelijkheid voor schade als de onderhavige. Een rechter mag in dit kader slechts beoordelen welke vergoeding binnen het stelsel van de wet voor toewijzing in aanmerking komt.

Wetsvoorstel tot vergoeding van affectieschade

In lijn met het vonnis van de rechtbank stelt het hof vast dat het huidige wettelijke stelsel – in het bijzonder de artikelen 6:106 en 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – niet, althans op dit moment nog niet voorziet in de mogelijkheid om zogenoemde affectieschade te vergoeden. In dit kader verdient het opmerking dat de Hoge Raad in voornoemd Taxibus-arrest reeds heeft bepaald dat artikel 8 EVRM evenmin ertoe noopt dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op immateriële schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. Uit het reeds genoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat in afwijking van het wettelijk stelsel zonder meer een dergelijke genoegdoening – vergoeding van affectieschade – te bieden. Dergelijke ruimte is er ook niet wanneer dergelijke schade het gevolg is van een opzettelijk begane normschending, zoals in het onderhavige geval. Zoals de Hoge Raad herhaalde malen heeft gesteld, heeft de rechter niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen. Dat het wetgevingsproces sinds de behandeling in eerste aanleg verder is gevorderd - het Wetsvoorstel is thans aanhangig bij de Eerste Kamer en er is op 12 september 2017 een Memorie van Antwoord uitgebracht - maakt dit niet anders. Nu de rechter in dit kader terughoudendheid past, zal het hof mr. Kubatsch niet volgen in haar voorstel om te anticiperen op dit wetsvoorstel.

De Richtlijn

Mr. Kubatsch heeft terecht aangegeven dat de implementatietermijn van de Richtlijn verstreken is. Dit heeft tot gevolg dat de Richtlijn in beginsel rechtstreekse werking heeft, doch alleen in verticale zin. Dit houdt in dat de Richtlijn alleen inroepbaar is tussen de burger en de overheid, alleen dan indien de Richtlijn of de desbetreffende Richtlijnbepaling onvoorwaardelijk, voldoende duidelijk en nauwkeurig is.

Richtlijnen verkrijgen na het verstrijken van de implementatietermijn echter rechtens geen rechtstreekse horizontale werking, hetgeen inhoudt dat zij niet tegen een burger of particulier ingezet kunnen worden. Reeds gelet hierop faalt het door mr. Kubatsch bepleite rechtstreekse beroep op de Richtlijn voor zover zij dit tegen verdachte heeft willen inroepen.

Voor zover mr. Kubatsch heeft bepleit dat de Staat veroordeeld zou moeten worden tot betaling van de immateriële schade op grond van de Richtlijn, merkt het hof op dat de Staat in die zin geen partij is in deze strafprocedure. Het hof is derhalve van oordeel dat de Staat in het kader van onderhavige strafprocedure jegens verdachte niet veroordeeld kan worden tot betaling van enige schadevergoeding. De maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht strekt immers ook niet tot veroordeling van de Staat, maar tot veroordeling van verdachte tot betaling aan de Staat.

Conclusie

Aldus ziet het hof op dit moment geen grond voor toewijzing van de vordering van [benadeelde partij 1] tot vergoeding van affectieschade. De benadeelde partij wordt daarom in zoverre niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.

Met betrekking tot de overige gevorderde immateriële schade:

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding dient te worden toegewezen.

De verdediging meent dat de vordering dient te worden afgewezen omdat er geen sprake is van shockschade, dan wel dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding inhoudt. De omvang van het gevraagde bedrag is op zich niet bestreden.

Namens de benadeelde partij [benadeelde partij 1] is aan de vordering ten grondslag gelegd dat hij weliswaar niet aanwezig is geweest bij de misdrijven waarbij zijn moeder en zusje zijn gedood, maar dat hij wel direct is geconfronteerd met de ernstige gevolgen daarvan. In de toelichting op de vordering van de benadeelde partij is hieromtrent onder meer opgenomen:

“ [benadeelde partij 1] heeft zaterdag en zondag (het hof begrijpt 12 en 13 december 2015) in de woning die hij met zijn moeder en zus deelde, verbleven. Heeft er geslapen, gedoucht, gegeten, in huis rondgelopen en heeft ook meerdere keren over de kruipruimte gelopen. Dat weet hij en dat blijkt uit het dossier.

Zondagavond hoort hij van de politie dat de slachtoffers in de kruipruimte zijn gevonden, in zijn woning en in welke staat ze gevonden zijn. Hoe ze zijn omgebracht. Verder blijkt al snel dat de verdachte in deze zijn stiefvader is; iemand die hem jaren (vanaf zijn 8e of 9e) mede heeft verzorgd en opgevoed.

[benadeelde partij 1] is kort na het gebeuren met de gruwelijke gevolgen van de misdrijven en de plek van het misdrijf geconfronteerd.

Hij heeft daarnaast geen visueel afscheid kunnen nemen van zijn moeder en zus omdat zij toegedekt waren en toegedekt bleven. Is dit niet minstens even schokkend en gruwelijk als confrontatie met een gedood lichaam dat voor de nabestaande zichtbaar letsel heeft?”

Het hof stelt vast dat nabestaanden volgens artikel 51f, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) jo. artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vergoeding van bepaalde kosten kunnen vorderen als benadeelde partij in het strafproces bij het overlijden van iemand als gevolg van het strafbare feit. Artikel 6:108 BW geeft een limitatieve opsomming van hetgeen gevorderd kan worden. Het gaat dan om de kosten van levensonderhoud en lijkbezorging. Ook kosten die verband houden met het verkrijgen van voldoening van deze schade zijn in beginsel voor toewijzing vatbaar.

Het stelsel van de wet staat aan toekenning van een vergoeding voor andere materiële en immateriële schade in de weg. Dit is slechts anders indien de dader het oogmerk had aan een derde immateriële schade toe te brengen als bedoeld in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder a, BW of als die derde in zijn persoon is aangetast in de zin van art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW.

Degene die een misdrijf (mede-)pleegt met de dood tot gevolg, handelt niet alleen onrechtmatig jegens degene die daardoor is gedood, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van het misdrijf of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het misdrijf is gedood. Dit geestelijk letsel dient om uit hoofde van art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking te kunnen komen in rechte te kunnen worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Met art. 6:106 BW is beoogd vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade slechts in beperkte mate mogelijk te maken, in verband waarmee voor vergoeding van shockschade alleen onder strikte voorwaarden plaats is. Hiermee strookt niet het vereiste van waarneming van het misdrijf of directe confrontatie met zijn ernstige gevolgen vanwege de aard of ernst van de normschending, zoals vanwege het opzettelijk begaan daarvan, terzijde te stellen of af te zwakken.

In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat [benadeelde partij 1] een nauwe en affectieve relatie had met zijn moeder [slachtoffer 1] en zijn zusje [slachtoffer 2] . Ook niet ter discussie staat dat hij lijdt aan een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Uit een schrijven van GZ-psycholoog drs. Been d.d. 12 juli 2016 blijkt dat de klachten van [benadeelde partij 1] passen binnen de diagnose Post Traumatische Stress Stoornis-chronisch. [benadeelde partij 1] heeft last van herbelevingen (zowel visueel als geur) en nachtmerries. Ook wordt hij geregeld overspoeld door emoties, is er sprake van extreme vermijding van gevoelens, gedachten en gesprekken over de gebeurtenissen, en heeft hij last van fysieke spanningsklachten, hyperalertheid en concentratieproblemen. Daarnaast is er sprake van zelfverwijt en worstelt hij met wraakgevoelens naar verdachte toe. Blijkens het schrijven van drs. Been heeft [benadeelde partij 1] met name last van het feit dat hij niet goed afscheid heeft kunnen nemen van zijn moeder en zus. Toen hij de lichamen mocht zien waren deze in zodanige staat dat alleen de confrontatie met hen onder een laken mogelijk was. Ook de geur heeft een grote impact gehad op zijn klachten. Het besef dat hij zonder het te beseffen meerdere malen over de lichamen van zijn moeder en zus is heengelopen toen zij in de kruipruimte lagen, is ten slotte erg shockerend voor [benadeelde partij 1] geweest, aldus de deskundigenverklaring van GZ-psycholoog drs. Been.

Met betrekking tot de vraag of er in de onderhavige zaak sprake is van zogenoemde shockschade acht het hof, naast het voorgaande, de volgende feiten en omstandigheden relevant.

 [benadeelde partij 1] , destijds 19 jaar, is op 12 december 2015 om 06:00 uur in de ochtend vertrokken om te gaan werken. Zijn moeder en stiefvader - verdachte - waren al op. Zijn zusje lag nog op bed;

 [benadeelde partij 1] is die dag om 13:00 uur thuis gekomen en trof niemand aan, behalve de hond. De hond gedroeg zich vreemd en zenuwachtig. Toen [benadeelde partij 1] de hond wilde uitlaten merkte hij dat de hondenriem weg was;

 [benadeelde partij 1] is ’s middags begonnen te bellen en te appen omdat er om 15:30 uur nog steeds niemand thuis was. Hij kreeg niemand te pakken terwijl er normaal gesproken vrij snel werd gereageerd;

 [benadeelde partij 1] heeft navraag heeft gedaan bij zijn opa maar daar waren zijn moeder, zusje en/of stiefvader ook niet;

 Zaterdagavond was er nog steeds niemand en is [benadeelde partij 1] alleen op bed gegaan. De volgende dag was er nog steeds niemand thuis. Opvallend is dat de (enige) bril van zijn moeder op tafel lag, terwijl zijn moeder eigenlijk niet zonder bril kon;

 Op zondagochtend 13 december 2015 omstreeks 10:30 uur heeft [benadeelde partij 1] de vermissing van zijn moeder, zusje en stiefvader bij de politie gemeld;

 Bij een bezoek aan de woning door de politie, in het bijzijn van [benadeelde partij 1] en zijn opa, zijn onder andere de portemonnee van [slachtoffer 2] en haar favoriete jas aangetroffen;

 Nadat de hele woning bekeken was, werd geprobeerd het luik van de kruipruimte te openen, hetgeen niet lukte;

 Nadat [benadeelde partij 1] zijn tas had gepakt en samen met zijn opa en hond was weggegaan, heeft de forensische opsporing omstreeks 19:00 uur onderzoek verricht in de woning;

 Toen het luik van de kruipruimte met een schroevendraaier werd open gewrikt, werden de lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de kruipruimte aangetroffen;

 Bij de lichamen werd onder meer een spanband en een hondenriem aangetroffen, waarvan een deel om de hals van [slachtoffer 2] gewikkeld was;

 [benadeelde partij 1] is zondagavond van de vondst van de lichamen van zijn moeder en zusje in kennis gesteld. Vervolgens bleek al snel dat zijn stiefvader verdacht werd van betrokkenheid bij de dood van zijn moeder en zusje.

[benadeelde partij 1] heeft niet meer visueel afscheid kunnen nemen van zijn moeder en zusje. In de verklaring die hij in het kader van zijn spreekrecht heeft afgelegd, zegt [benadeelde partij 1] hierover dat hij afscheid moest nemen van “twee afgedekte lichamen waarvan werd gezegd dat het mijn moeder en zusje waren”. Van zijn moeder heeft hij zo goed als niks gezien, zijn zusje kon hij nog herkennen aan haar handen. Wat hem van dit afscheid het meest is bijgebleven, is
- in zijn woorden - de geur van verrotting. De lichamen hadden in de kruipruimte in de buurt van/tegen de verwarmingsbuis gelegen.

Dat voornoemde gebeurtenissen bij [benadeelde partij 1] een hevige schok teweeg hebben gebracht, is evident. Dat volgt ook uit de verklaring van de deskundige. De wetenschap dat hij twee dagen in zijn ouderlijke woning heeft geleefd, terwijl zijn moeder en zusje dood in de kruipruimte lagen, dat hij zijn voeten heeft staan vegen boven hun lichamen, is voor hem niet te verkroppen. De hondenriem die door hem werd gemist, bleek nota bene te zijn gebruikt bij het ombrengen van zijn zusje. De feiten en omstandigheden die hem na de vondst van de lichamen bekend zijn geworden, de geur die hij heeft geroken en de onmogelijkheid tot identificatie als gevolg van de staat waarin de lichamen zich bevonden doordat zij door verdachte zijn toegetakeld en in de kruipruimte zijn gedumpt, zijn als geheel genomen dermate krachtig dat [benadeelde partij 1] zich onvermijdelijk een voorstelling heeft kunnen maken van de toestand waarin zijn moeder en zusje zich na hun dood en het verbergen van hun lichamen, bevonden. De beelden die hierdoor bij [benadeelde partij 1] zijn opgeroepen, zijn naar het oordeel van het hof daarom vergelijkbaar met de feitelijke en directe waarneming van de gevolgen van de misdrijven. Ten slotte is van belang dat de uitgebreide media-aandacht die direct na de vondst van de lichamen ontstond tot gevolg heeft gehad dat [benadeelde partij 1] voortdurend is geconfronteerd met gruwelijke details, hetgeen ook geldt voor de periode daarna aangezien deze details in het strafrechtelijke onderzoek uitgebreid zijn behandeld.

Op grond van voornoemde - voor deze zaak specifieke - feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat [benadeelde partij 1] op directe wijze met de gevolgen van door verdachte gepleegde en onder 1 en 3 primair bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die hebben plaatsgevonden, is geconfronteerd. Verdachte heeft [benadeelde partij 1] op die wijze immateriële schade berokkend en is tot vergoeding van die schade gehouden.

De hoogte van de vordering is door de verdediging op zich niet betwist.

De vaststelling geschiedt met in achtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, de aard van hetgeen is toegebracht, de ernst daarvan (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting en duur ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Het hof heeft ook gelet op de gederfde levensvreugde en de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel van de benadeelde partij en daarnaast hetgeen in de rechtspraak aan schadevergoeding in de verschillende situaties wordt opgelegd.

Het gerechtshof acht de gevraagde immateriële schade van € 20.000,-. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid passend. Daarbij in het bijzonder ook gelet op:

- de omstandigheid dat de verdachte met het begaan van de bewezenverklaarde feiten een ernstig verwijt wordt gemaakt;

- dat moet worden vastgesteld dat dit handelen van de verdachte gezien de omstandigheden waaronder de feiten werden gepleegd, voor [benadeelde partij 1] partij zeer schokkend en onverwacht was en zeer ingrijpende gevolgen heeft gehad;

- de omstandigheid dat [benadeelde partij 1] volgens de deskundigenrapportage vanaf het kennisnemen van hetgeen verdachte heeft gedaan ernstige klachten heeft ontwikkeld. Als diagnose wordt in deze rapportage gesteld dat sprake is van een posttraumatische stressstoornis.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat het gevorderde bedrag aan immateriële schade als redelijk en billijk voor toewijzing gereed ligt.

De vordering wordt derhalve toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade tot de dag van algehele voldoening.

Materiële schade als gevolg van het bovenstaande.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan toegewezen voor zover het betreft de kosten die in verband met de begrafenis zijn gemaakt en de kosten voor therapie.

Van de zijde van de verdediging is met betrekking tot de materiële schade geen verweer gevoerd.

Zoals hiervoor is overwogen is verdachte verantwoordelijk voor de schade die door het door hem onder 1 en 3 primair bewezenverklaarde jegens [benadeelde partij 1] is ontstaan. Het hof is van oordeel dat de gevorderde therapiekosten genoegzaam worden onderbouwd door de bovenomschreven deskundigen rapportage waarin de noodzaak van langdurige therapie wordt omschreven in het kader van de behandeling van de vastgestelde PTSS. De bovenomschreven feiten en omstandigheden vormen tevens de grondslag voor toewijzing. Het hof stelt vast dat zij direct samenhangen met de hiervoor vastgestelde shock als gevolg waarvan ook immateriële schade, kan worden toegewezen. Deze materiele kosten zijn door de verdediging niet betwist.

Evenmin betwist zijn de gevorderde algemene materiële kosten. Nu verdachte op grond van artikel 6:106, lid 1, onder b BW aansprakelijk is voor de door hem jegens [benadeelde partij 1] veroorzaakte schade, kunnen deze kosten - die het hof beschouwt als redelijke kosten gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96, lid 2, onder b BW - eveneens worden toegewezen.

Ten slotte kan op grond van artikel 51f lid 2 Sv jo. artikel 6:108 BW het verzoek tot vergoeding van de kosten die zijn gemaakt in verband met de begrafenis, worden toegewezen.

De immateriële en materiële schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade tot de dag van algehele voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

De verdediging heeft aangevoerd dat - in het geval dat het gerechtshof de schadevergoedingsmaatregel op zal leggen - de vervangende hechtenis beperkt dient te blijven tot de duur van één dag. Hiertoe is gesteld dat de schadevergoedingsmaatregel een punitief karakter krijgt, nu de verdachte een langdurig van zijn vrijheid wordt ontnomen.

Het gerechtshof overweegt hierover het volgende.

Ingevolge het tweede lid van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter de maatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Bij het bepalen van de omvang van de aan die maatregel te verbinden vervangende hechtenis kan in het bijzonder worden gedacht aan gevallen waarin op voorhand vast staat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis. De rechter behoeft daarom slechts dan in het bijzonder de redenen op te geven waarom van een daaromtrent ingenomen standpunt wordt afgeweken indien dat standpunt voldoende onderbouwd dat uitzonderlijk karakter van het geval duidelijk maakt. Naar het oordeel van het gerechtshof voldoet hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet aan deze eis.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed zal het hof daarom de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Het hof volgt de raadsman derhalve niet in zijn stelling dat oplegging van de maatregel in de onderhavige zaak een punitief karakter zou hebben en dat dit daarom achterwege zou moeten blijven.

Gezien het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde gemaakt en in het kader van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , bijgestaan door mr. M.A.J. Kubatsch

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 15.782,70, bestaande uit:

Immateriële schade: € 35.000,00 affectieschade

Materiële schade: € 200,00 algemene kosten

€ 15.782,70 kosten begrafenis

€ 15.982,70 totaal,

vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 15.982,70. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Immateriële schade

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding ter zake van immateriële schade (affectieschade) wijst het hof op hetgeen hieromtrent bij de vordering van [benadeelde partij 1] is overwogen over de thans geldende wettelijke beperkingen die aan toewijzing van een vordering in verband met affectieschade in de weg staan. Deze schade komt op dit moment niet voor vergoeding in aanmerking en de benadeelde partijen zullen in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Materiële schade

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering overeenkomstig het vonnis voor wat betreft de begrafeniskosten kan worden toegewezen.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de begrafeniskosten gerefereerd aan het oordeel van het hof. Met betrekking tot de algemene materiële kosten heeft de raadsman geen standpunt ingenomen.

Zoals bij de vordering van [benadeelde partij 1] reeds is weergegeven, kunnen nabestaanden volgens artikel 51f, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) jo. artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vergoeding van bepaalde kosten vorderen als benadeelde partij in het strafproces bij het overlijden van iemand als gevolg van het strafbare feit. Artikel 6:108 BW geeft een limitatieve opsomming van hetgeen gevorderd kan worden. Het gaat dan om de kosten van levensonderhoud en lijkbezorging. Ook kosten die verband houden met het verkrijgen van voldoening van deze schade zijn in beginsel voor toewijzing vatbaar.

Op grond van het voorgaande komen de gevorderde begrafeniskosten, die het gevolg zijn van het onder 1 en 3 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte, voor vergoeding in aanmerking. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade tot de dag van algehele voldoening.

Overeenkomstig de beslissing van de rechtbank en het standpunt van de advocaat-generaal bestaat er ten aanzien van deze benadeelde partij geen grond voor toewijzing van de gevorderde algemene materiële kosten. De vordering zal in zoverre worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Ook hier volgt het hof de raadsman niet in zijn verweer om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel achterwege te laten.

De benadeelde partij en de verdachte dienen elk hun eigen kosten te dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] , bijgestaan door mr. M.A.J. Kubatsch

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.200,00, bestaande uit:

Immateriële schade: € 20.000,00 affectieschade

Materiële schade: € 200,00 algemene kosten,

vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep afgewezen.

De advocaat-generaal heeft overeenkomstig het vonnis tot afwijzing van de vordering geconcludeerd.

De raadsman heeft ten aanzien van de algemene materiële schade geen standpunt ingenomen en met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding tot afwijzing van de vordering geconcludeerd.

Immateriële schade

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding ter zake van immateriële schade (affectieschade) wijst het hof op hetgeen hieromtrent bij de vordering van [benadeelde partij 1] is overwogen over de thans geldende wettelijke beperkingen die aan toewijzing van een vordering in verband met affectieschade in de weg staan. Deze schade komt op dit moment niet voor vergoeding in aanmerking en de benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Materiële schade

De vordering tot vergoeding van algemene materiële schade zal worden afgewezen nu er gezien het hiervoor overwogene ten aanzien van deze benadeelde partij geen grond voor vergoeding van dergelijke schade bestaat.

De benadeelde partij en de verdachte dienen elk hun eigen kosten te dragen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 38e, 57, 151, 240b, 242, 248, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1. geld: € 96,40 (goednummer 1651094).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

2. een computer, Packard Bell, beslagcode AAIL1166NL (goednummer 1597597);

3. een computer, beslagcodes AAIL1167NL en AAJC0653NL (goednummer 1597595);

4. een computer/PC kast, beslagcode AAIL1168NL (goednummer 1597592);

5. een telefoon, Sony Experia, beslagcode AAIG8781NL (goednummer 1596666);

6. een computer, HP Compaq NX, notebook NX7400 inclusief adapter en muis, beslagcode AAJC0652NL (goednummer 1601884).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 en 3 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 21.515,41 (eenentwintigduizend vijfhonderdvijftien euro en eenenveertig cent) bestaande uit
€ 1.515,41 (duizend vijfhonderdvijftien euro en eenenveertig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 en 3 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 21.515,41 (eenentwintigduizend vijfhonderdvijftien euro en eenenveertig cent) bestaande uit € 1.515,41 (duizend vijfhonderdvijftien euro en eenenveertig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 142 (honderdtweeënveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 en 3 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 15.982,70 (vijftienduizend negenhonderdtweeëntachtig euro en zeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 200,00 (tweehonderd euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 1 en 3 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 15.982,70 (vijftienduizend negenhonderdtweeëntachtig euro en zeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 114 (honderdveertien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 200,00 (tweehonderd euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. A. van Holten, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. G.A. Versteeg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 13 november 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.